Standpunten deeltijds kunstonderwijs (DKO)

In september 2016 bevroeg Vlaams Volksvertegenwoordiger Ann Brusseel (Open Vld) 569 leraars, directieleden en gebruikers verbonden aan kunstacademies over het ophanden zijn niveaudecreet. Op basis van dit werk formuleerde Brusseel standpunten die pleiten voor een breed en flexibel deeltijds kunstonderwijs. Tijdens de bespreking van de beleidsbrief gaf Vlaams Minister van Onderwijs Hilde Crevits aan speerpunten van Brusseel op te zullen nemen in het decreet, zijnde ten eerste de leeftijdsverlaging naar zes jaar en ten tweede de creatie van een kader dat de planlast vermindert en de flexibiliteit verhoogt.

De standpunten van Ann kan je hieronder terugvinden. Ze bevatten veel elementen die naar boven kwamen tijdens de bevraging deeltijdskunstonderwijs. De resultaten van deze bevraging, persbericht en een synthese kan je hier terugvinden.

  • Cultuur laat zich kenmerken door vrijheid. De 4.300 leerkrachten aan het DKO verrichten vandaag reeds prachtig werk voor 175.000 leerlingen. Ze doen dit binnen een kader met veel ruimte voor creativiteit op basis van minimumleerplannen. Hoewel deze verouderd zijn, is er geen nood aan eindtermen of een strak beleid om het deeltijds kunstonderwijs te organiseren. Dergelijke regels dreigen de autonomie, dynamiek en creatieve geest van het DKO te verstarren. We moeten academies niet in een carcan duwen, maar hun expertise naar waarde schatten. Wat de opleidingen betreft, moet rekening gehouden worden met de vragen van gebruikers, met name: meer flexibiliteit en de keuzemogelijkheid voor een minder schoolse aanpak. Te veel nadruk op theorie jaagt leerlingen weg die wel graag kunst maken. Ook het groot aantal uren die een doorsnee opleiding vergt, maakt de combinatie tussen DKO en andere activiteiten moeilijk. Daarom lijkt een tweesporenbeleid met modulaire opties mij aangewezen. De sterk theoretische enerzijds en de meer praktijkgerichte of ‘alternatieve’ anderzijds.
  • Kunst als emancipatorisch proces. Participatie door kansengroepen blijft, zoals in vele takken van het onderwijslandschap, een heikel punt. Dit is jammer aangezien kunst net een belangrijke meerwaarde biedt voor alle kinderen en jongeren, ongeacht hun achtergrond. Vanuit deze optiek vraagt Ann Brusseel aan de Minister om het inclusieve karakter van DKO voor ogen te houden en de reeds opgezette best practices verder te stimuleren. Academies die starterspakketten, groepsaankopen en huurinstrumenten aanbieden om elke jongere en (jong) volwassene een kans op cultuurbeleving te geven, zijn een te volgen voorbeeld.
  • Levenslang leren. Kunst blijft je hele leven bij je. Het is niet zomaar iets vluchtigs, maar een heel belevingsproces. Daarom is het concept van levenslang leren erg belangrijk voor het deeltijds kunstonderwijs van de toekomst. Allereerst door de deuren van de academie te openen voor jongere kinderen door de instapleeftijd te verlagen, minstens naar 6 jaar en waar mogelijk naar 4 of 5 jaar. Initiatie en vroege talentontwikkeling zijn immers van onschatbare waarde. Daarnaast is het belangrijk kunstbeleving langer in stand te houden. Nu moeten leerlingen van het DKO de academie verlaten eenmaal ze alle relevante opleidingen achter de rug hebben. De sociale context van de academie biedt een opportuniteit om kunstbeleving en –creatie te stimuleren, ook na de opleiding.
  • De academie is geen eiland, maar een onderdeel van een breder netwerk van cultuuruitwisseling. Het DKO werkt reeds uitvoerig samen met het plichtonderwijs, cultuurverenigingen en gemeenten. Dergelijke initiatieven vormen een meerwaarde voor alle partners die zijn betrokken in het proces. Het vrijblijvende karakter is echter essentieel. Leerkrachten en directies moeten zelf kunnen beschikken over interacties met de wereld buiten de deuren van de academie. Het decreet moet de academies hier een kader bieden met oog voor minder planlast en meer flexibiliteit.