OESO-aanbevelingen stroken met onderwijsvoorstellen Open Vld

De OESO organiseerde van 8 t.e.m. 11 februari de vijfde editie van de parliamentary days in Parijs. Een bijeenkomst waar internationale experts hun recente onderzoek uiteenzetten. Ann Brusseel woonde de sessies over onderwijs en gelijke kansen bij voor Open Vld. Ze ging onder meer het gesprek aan over wat nodig is voor kwaliteitsvol onderwijs, de nodige veranderingen in het lerarenberoep en de STEM-problematiek.

Lerarenloopbaanpact

Om kwaliteitsvol onderwijs te organiseren, wijzen OESO-experts erop dat er nood is aan een evenwicht tussen drie factoren. Allereerst vormt de autonomie van leerkrachten in klaslokalen een belangrijke factor. Leerkrachten moeten immers de bewegingsruimte krijgen om voldoende creativiteit en enthousiasme in hun lessen te steken. Buiten het klaslokaal moet er ook een grotere nadruk liggen op zogenaamde ‘peer networks’, samenwerking onder leerkrachten zowel op didactisch vlak als over bredere thema’s. Dit houdt ook in dat leerkrachten de ruimte krijgen elkaar te ondersteunen. “Zo kunnen ervaren leerkrachten hun expertise en didactisch materiaal delen met jongere collega’s”, stelt Brusseel. Daarnaast is het belang van co-teaching groot, zeker om binnen een klasgroep te kunnen differentiëren. De uitwisseling van feedback of zelfs de samenwerking op vlak van lesgeven is nodig om kwaliteitsvol les te geven. Tot slot is de kennisbasis essentieel. Dit betekent dat leerkrachten niet enkel een degelijke opleiding hebben genoten, maar de kennis over hun vak ook steeds proberen bij te schaven door middel van een brede waaier aan permanente vormingen.

Deze OESO-aanbevelingen komen punt per punt terug in de visie van Open Vld op het lerarenloopbaanpact. Een diepgaand loopbaanpact dat beter is afgestemd op de noden van leerkrachten. Ook een flexibel personeelsbeleid op vlak van lesuren is noodzakelijk. Jonge leerkrachten moeten immers veel meer voorbereidingswerk treffen voor hun lessen dan oudere collega’s. Daarom willen we voor een starterstatuut voor elke beginnende leerkracht. Daarnaast pleiten we voor een permanente vorming doorheen de loopbaan. “We leven in een snel veranderende wereld, waarbij didactisch materiaal en bepaalde lesinhouden aan een snel tempo veranderen”, aldus Ann Brusseel. “Denk bijvoorbeeld maar aan een vak zoals fysica. De dag dat wetenschappers in het CERN nieuwe vaststellingen doen, moeten leerkrachten deze nieuwe elementen ook aan de leerlingen kunnen doorgeven.” Een job is niet louter te waarderen met een mooie loonbrief aan het einde van de maand, maar moet ook intellectueel uitdagen en perspectief bieden. Zo is het in eens schoolcontext belangrijk dat leerkrachten zichzelf en hun lessen voortdurend kunnen ontwikkelen. Deze bijscholingen kunnen het beroep ook aantrekkelijker maken voor nieuwelingen: “Mensen vanuit een andere sector moeten ook de weg vinden naar het onderwijs.”

Volgens Andreas Schleicher, OESO-topman voor onderwijs is de uitdaging erg groot: “Vandaag krijgen jongeren met vaardigheden uit de 21ste eeuw nog al te vaak les met methoden van de 20ste eeuw. Daarenboven moet dit nog al te vaak gebeuren binnen een schoolsysteem dat nog sterk lijkt op dat van de 19e eeuw.”, stelde hij nogal gedurfd. Hij had het over het gebruik van digitale instrumenten, de kennis van alle nieuwe media maar ook van de organisatie van de school op zich. “Net daarom is het lerarenloopbaanpact essentieel voor Open Vld. Door in te zetten op flexibiliteit, verhoogde ondersteuning en de versterking van de zij-instroom krijgen leerkrachten en schoolteams de vrijheid en zuurstof die ze meer dan ooit nodig hebben.”

Gender en STEM

Op het vlak van de STEM vakken (science, technology, engineering & mathematics) hebben zowat alle OESO-landen werk aan de winkel: er zijn te weinig leerlingen die intensief inzetten op STEM en ook aan de kant van de leerkrachten zijn er tekorten. Vanaf het secundair onderwijs zien we dat meisjes lager scoren op deze vakken dan jongens; ook hierin staat Vlaanderen dus helaas niet alleen. Twee significante factoren die hierin meespelen zijn enerzijds de frequente angst van meisjes ten aanzien van STEM, maar ook hun werkverwachtingen, zowel vanwege de leerlingen zelf, als de ouders en de leerkrachten. Volgens Borgonovi vertonen vrouwelijke leerkrachten uit het lager onderwijs opvallend meer aarzelingen wanneer ze wiskunde en wetenschappen onderwijzen. Vervolgens dragen vrouwen leerkrachten deze onzekerheid over naar meisjes in hun klassen. Zij beschouwen hun lesgevers immers als rolmodellen waarnaar ze hun gedrag spiegelen.

Ten tweede worden meisjes niet zozeer geacht om te streven naar een carrière binnen de wetenschappen of technologie, maar hebben zogezegd meer een plaats binnen zachtere sectoren. Belangrijk is dat er aan dit onderscheid tussen jongens en meisjes geen capaciteitsverschillen aan de basis liggen, maar dat gevoelens en verwachtingen doorslaggevend zijn. Volgens onderwijs- en genderexpert, Francesca Borgonovi oefenen ouders een grote invloed uit in dit proces, maar met een sterkere aanwezigheid van mannen in het lager onderwijs, kan ook al de negatieve houding van veel vrouwelijke leerkrachten ten aanzien van STEM gecompenseerd worden.

Borgonovi wijst er ook op dat voor jongens het onderwijssysteem beter kan. Jongens hebben immers vaker te kampen met aandachtsproblemen. Gepaste rolmodellen zijn essentieel om hiermee om te gaan. Belangrijk hierbij is dat leerkrachten, zowel mannen als vrouwen, tijdens de lerarenopleiding leren omgaan met wat ‘specifieke jongensproblemen’ zijn in de klas. Dit wordt des te noodzakelijker door de versnelde digitalisering waarin we ons bevinden. “Kinderen en jongeren worden voortdurend geconfronteerd met talloze, digitale prikkels. We moeten leerkrachten voorbereiden om op een effectieve en correcte manier om te gaan met deze technologische ontwikkelingen. Een doorgedreven visie op digitalisering en bijscholing in dat domein is broodnodig”, aldus Brusseel.

Landen die hoog in onderwijsranglijsten staan, hebben steevast een beter genderevenwicht. Een meer gelijke behandeling van mannen en vrouwen komen dus ook de onderwijskwaliteit ten goede. Door in te zetten op verbeterde prestaties voor elke leerling bekomt men immers een veel grotere visvijver om uit te rekruteren, zowel naar hoger onderwijs als de arbeidsmarkt toe. “We hebben immers niet enkel nood aan meer meisjes in STEM-studierichtingen, maar ook voor technische knelpuntvacatures.”, stelt Ann. Er treden echter langzaamaan veranderingen op, niet in het minst vanuit het STEM-veld zelf. Zo kwam de IT-sector tot de vaststelling dat vrouwen opvallend afwezig waren binnen de computerwetenschappen. Een groter genderevenwicht is echter gewenst om dat vrouwen met een andere kijk op bepaalde zaken heel erg nodig zijn. Ook economische argumenten spelen mee. Omdat de sector zowel mannen als vrouwen beter wilt bedienen, vormt de afwezigheid van die laatsten een belangrijk obstakel.

“Het is dus zeker een meerwaarde om elk lid uit een onderwijsteam in te zetten op basis van zijn of haar talenten, in plaats van vast te houden aan het principe van één vaste leerkracht per klas in de lagere school. Vakleerkrachten die sterk zijn in STEM kunnen de vicieuze cirkel doorbreken, daar zijn experten het over eens. Alle voorstellen die de tekortkomingen van ons onderwijs kunnen aanpakken, moeten we een kans geven. Laten we er werk van maken.”