Met een aantrekkelijk beroep tel je niet af tot je pensioen.

Hoort leerkracht thuis op de lijst van zware beroepen? De discussie was de afgelopen dagen niet weg te slaan uit de Vlaamse pers. Minister Bacquelaine neigt naar een positief antwoord. De vakbonden antwoorden volmondig ‘ja’. De vervroegde pensioenregeling domineert het debat, terwijl het eigenlijk over de loopbaan van de leerkracht moet gaan. Twee of vier jaar vroeger kunnen uitstappen verandert immers niets aan de kern van het probleem: de huidige werkdruk en het gebrek aan voorbereiding op nieuwe uitdagingen die volgen uit het M-decreet en de steeds diverser wordende klassen. Een veertigjarige leerkracht die op de rand van een burn-out balanceert heeft er niets aan dat hij of zij vervroegd op pensioen mag. Wel moeten we zorgen voor een werkbare loopbaan waarin lesgeven terug centraal staat en leraren meer dan vandaag eigenaarschap krijgen over zijn vak.

Het lerarenberoep moet aantrekkelijker worden. Daarom is de ‘framing’ van leraar als zwaar beroep geen goede zaak. Het moedigt jongeren niet bepaald aan om een stap in de onderwijswereld te zetten. Hetzelfde geldt voor de huidige leerkrachten. Keer op keer via de pers vernemen wat andere sectoren en beleidsmakers aan je leerplan en agenda willen toevoegen, werkt contraproductief. De leraar moet vooral zijn/haar kerntaak kunnen uitvoeren. Niet meer, maar minder taken dan vandaag. De leraar is geen verzorger, psycholoog, opvoeder of sociaal werker. Een leraar moet uiteraard de nodige empathie hebben en rekening houden met de noden van de leerlingen, maar hij moet niet al hun problemen kunnen oplossen en tegelijk ook armoede en de klimaatopwarming de wereld uithelpen. Laten we de leraar erkennen als expert in zijn of haar domein en meer vrijheid en comfort geven. Alleen zo zullen we opnieuw sterke en ambitieuze profielen aantrekken en gemotiveerd houden.

Ingrijpende hervormingen in loopbaan en schoolorganisatie zijn essentieel. Zo moeten we sterk inzetten op de aanvangsbegeleiding van jongere leerkrachten om de uitval zo sterk mogelijk te beperken. Eenmaal aan de slag zou onderwijspersoneel moeten kunnen rekenen op permanente en gevarieerde bijscholing, in functie van de noden maar ook de eigen belangstelling. Ook de vaste benoeming moeten we durven bespreken. Het is logisch dat je vandaag naar de benoeming toewerkt omdat er eenvoudigweg geen alternatieven zijn, er is geen contractueel statuut zoals in de ambtenarij. Het onderwijs moet stabiele en boeiende jobs bieden, waar goed werk op een andere manier beloond wordt dan met meer dan een ouderwets statuut. Specialisatie, promotie of gedifferentieerde verloning naar werklast of expertise vormen wat mij betreft belangrijke discussies die we moeten voeren. Meer mobiliteit tussen scholen, tussen onderwijs en andere sectoren staan eveneens in de reeks voorstellen die het leraarschap kunnen opwaarderen.

Overigens zie ik niet goed in hoe men kan stellen dat een beroep zwaar is zonder de werklast en andere parameters in rekening te brengen. Over de zware situatie van de kleuteronderwijzers is vrijwel iedereen het eens. Het lijdt geen twijfel dat lesgeven een veeleisend beroep is, maar het geheel van beschikbare data en onderzoek in onderwijsinnovatie toont aan dat een goede work-life balance wél mogelijk is. Daarom is het zo belangrijk een goed loopbaandebat te voeren over alle aspecten van het lerarenberoep en de schoolorganisatie. De vakbonden houden de focus nu al jaren teveel op benoemingen en een vervroegde pensioenregeling. Als we samen echter de loopbaan werkbaar, verscheiden en uitdagend maken, dan zit de leraar niet af te tellen naar het pensioen.