Kwaliteit van het doctoraat onder druk

Er is dringend nood aan meer omkadering voor doctorandi aan de Vlaamse universiteiten. Uit cijfers blijkt dat het aantal junior-onderzoekers de afgelopen jaren significant is gestegen. Vlaams volksvertegenwoordiger Ann Brusseel vraagt de Minister van Onderwijs om rekening te houden met de noden doctorandi.

In 1999 waren er ruim 5000 doctorandi; dit cijfer steeg naar 7000 in 2005 om in 2014 naar de 9700 toe te nemen. Ook het aantal post-doctoraatsmandaten nam toe, maar minder uitgesproken. Het aantal professoren bleef in verhouding echter stabiel. De kans dat de doctorandus, eens gedoctoreerd, kans maakt op een vaste aanstelling als zelfstandig academisch personeel is dalende. Studies van ECOOM maken duidelijk dat daarom ongeveer 80% van de doctoraatshouders, na afloop van hun tijdelijk mandaat als doctorandus of als doctor-assistent, de universiteit verlaat.

Stijging van het aantal doctorandi, niet van het aantal promotoren

‘Uit cijfers die ik bij de Vlaamse overheid opvroeg zien we inderdaad een stijging van het aantal doctoraatshouders aan de universiteiten,’ stelt Ann Brusseel. ‘Op vijf jaar tijd noteren we bijvoorbeeld aan de KU Leuven een toename van bijna 28%. Aan de VUB is dat 25% en aan de UGent bijna 20%. Voor deze drie universiteiten alleen gaat het in totaal om 7.686 doctoraatshouders, die in 2014-2015 aan slag waren. Maar als we daar de tijdelijke betrekkingen uit weglaten is dit nog maar 4.247. En van die overblijvers bezit zeker niet iedereen een voltijds mandaat als docent of hoogleraar.’

Het begeleiden van doctorandi is slechts één van de vele opdrachten van een professor. Deze heeft vaak een uitgebreide lesopdracht en moet studenten opvolgen in de richting van bachelor- en masterpapers. Meestal worden deze taken voor een groot stuk overgenomen door de assistenten. Publiceren, deelname aan wetenschappelijke en academische activiteiten en vertegenwoordiging in allerhande raden vormen een aanzienlijk deel van de tijdsbesteding. ‘Door het buitensporig belang dat wordt gehecht aan publicaties en onderzoek bestaat het gevaar dat de professor nauwelijks nog tijd heeft om zijn doctoraatsstudent op behoorlijke wijze te begeleiden. Het aantal doctoraatshouders aan de universiteiten is ook vooral toegenomen om het groeiend aantal universiteitsstudenten op te vangen,’ stelt Brusseel.

Nood aan omkadering

Ann Brusseel vraagt aan Vlaams Minister van Onderwijs Hilde Crevits om rekening te houden met de noden van de doctorandi. ‘Het percentage doctoraatsstudenten in Vlaanderen is hoger dan het OESO- en Europees gemiddelde en ze zijn van groot belang voor zowel innovatie als de voortzetting van wetenschappelijk onderzoek. Maar de kwaliteit van een doctoraat wordt voor een belangrijk deel bepaald door de expertise van de promotor. Ik maak mij eveneens zorgen over het welzijn van de doctorandi want ook daarover trok ECOOM vorig jaar al aan de alarmbel.’

Ann Brusseel hoopt op een mindswitch, waarbij de kwaliteit van het doctoraat en de begeleiding daartoe opnieuw prioriteit wordt. ‘We moeten daarom het huidig model durven herzien. Nu worden promotoren beloond voor het aantal doctorandi onder zijn of haar vleugels, en ontvangt de universiteit bijkomende subsidies per neergelegd proefschrift. Het is waanzin dat alleen daarom een professor soms meer dan tien doctorandi tegelijk opvolgt.’