Kleuterparticipatie: vroeg begonnen is snel bij de les

Keuzevrijheid in de tijd

In de tijdsgeest van de 19de eeuw speelde het terugdringen van kinderarbeid een grote rol. Zelfs het uithangbord van laissez faire economisch liberalisme, Gustave de Molinari, kwam in die tijd actief op voor de afschaffing van dit kwalijke fenomeen en voor het invoeren van de leerplicht. Het leverde de toen nog prille Liberale Partij de banvloek van de katholieken op.

Vandaag steunt het pleidooi voor leerplicht, meer bepaald voor het vervroegen ervan, niet langer op het gevaar voor economische uitbuiting van kinderen. Het vertrekt vanuit de vaststelling dat het niet succesvol doorlopen van onderwijs een te grote afname van iemands toekomstkansen tot gevolg heeft.

Keuzevrijheid van de ouders vandaag ligt vervolgens in de weegschaal met keuzevrijheid voor het kind later. Want kinderen beschikken niet over de autonomie om zelf deze afweging tussen heden en toekomst te maken.

Maar ook volwassenen (en dus ouders) slagen er niet altijd in om een evenwichtige kostenbaten-analyse te maken van de toekomstige implicaties van actuele keuzes. In de gedragseconomische wetenschap spreekt men desgevallend van hyperbolic discounting.

Kortom: voor liberalen is het vrijwaren van kansen op maximale zelfontplooiing té belangrijk om over te laten aan een concept van keuzevrijheid dat, toegepast op een dermate lange termijn, vrij irrationeel wordt toegepast.

De afwezigen hebben ongelijk (en hebben meest baat bij aanwezig zijn)

Een diploma secundair of hoger onderwijs draagt bij aan je kansen in het leven. Dat zullen weinig mensen tegenspreken. Maar geldt dat noodzakelijkerwijs ook voor deelname aan het kleuteronderwijs?

Cijfers van het departement Onderwijs beantwoorden die vraag. Amper 7% van de kleuters die vanaf de leeftijd van 2 voldoende aanwezig zijn in de klas, loopt risico op schoolse achterstand. Dat stijgt naar 11% bij de kleuters die onvoldoende naar de onthaalklas gaan. Van de kleintjes die daar afwezig blijven, loopt bijna 1 op 5 risico op schoolachterstand.

De kans op schoolse achterstand hangt samen met het tijdstip en de omvang van participatie.

Te laat begonnen is wel degelijk al een beetje verloren dus. Bovendien blijken net kleuters die al opgroeien in minder kansrijke omstandigheden sterk vertegenwoordigd in de groep die thuisblijft of (te) vaak afwezig is. Net wie meest baat heeft bij dat kleuteronderwijs blijft er dus vaker van weg.

Vlaams parlementslid Ann Brusseel (Open Vld) maakte de analyse glashelder tijdens haar inleiding. Ze wees er terecht op dat elke onderwijshervorming op zoek moet naar de wortels van de uitdagingen. En die liggen dus zeker deels bij een zo vroeg mogelijke start voor elk kind.

De kleuterklas: meer dan kinderspel

We zetten dus een wezenlijke stap naar het creëren van gelijke kansen voor elk kind door kleuterparticipatie aan te moedigen. Maar waar precies maakt het kleuteronderwijs dan zo’n wezenlijk verschil?

Emilie Breuer, directeur van BSGO De Stadsmus in Oudergem, kwam een tipje van de sluier oplichten. Want het verschil wordt uiteraard niet gemaakt door louter aanwezig te zijn. Kwaliteitsvol kleuteronderwijs stimuleert kleuters actief in de vroegste ontwikkelingsfases.

Breuer droeg voorbeelden uit de praktijk aan. Zo zijn de klasactiviteiten in de zandbak bijvoorbeeld de voorbereiding op de verdere motoriek die nodig is om te leren schrijven. Wat voor buitenstaanders vaak overkomt als “spelletjes” zijn in wezen dus gerichte en bewuste oefeningen die de basis leggen voor verdere vaardigheden, zoals lezen en schrijven.

Ze merkte ook op dat kleuters die onvoldoende aanwezig zijn moeilijkheden hadden met de vaste routines. De kleintjes vallen op deze manier vaak uit de boot en houden daar ook een negatief gevoel over zichzelf aan over omdat ze het “weer niet zelf wisten”. Een getuigenis van enkele leerkrachten ziet u hier.

Great Expectations

Professor Michel Vandenbroeck (UGent), ging dieper in op dergelijke en andere misverstanden. Volgens hem zijn om te beginnen erg veel mensen wel degelijk overtuigd van het belang van kleuterparticipatie – de vrij hoge inschrijvingscijfers lijken die stelling ook te bevestigen.

Wél gaapt er, zo stelt Vandenbroeck, een kloof tussen de verwachtingspatronen van ouders en leerkrachten. Ouders zitten nog vaak met vragen en bekommernissen die om zorg draaien: “Zal iemand erop toezien dat mijn kind haar boterhammetjes wel opeet?” bijvoorbeeld – maar even vaak gaat het hier om emotionele zorg, om voldoende aandacht voor de kleuter. Leerkrachten leggen de focus dan weer meer op het leren.

Hoe dan ook kan deelname aan kleuteronderwijs van goede kwaliteit een wezenlijk verschil maken voor het verdere verloop van de schoolloopbaan. Die impact is het meest opmerkelijk bij kinderen uit gezinnen met een zwakker sociaaleconomisch profiel.

Toch mogen we volgens Vandenbroeck niet de fout maken te denken dat een (vroege) deelname aan het kleuteronderwijs een enige en zaligmakende oplossing voor kansongelijkheid is. We moeten altijd voor ogen houden dat heel veel factoren een invloed hebben en kunnen hebben op schoolse leerprestaties.

Een transversaal en inclusief kansenbeleid blijft dus aangewezen. Kleuterparticipatie alleen volstaat niet, net zoals we ook moeten blijven waken over en investeren in de kwaliteit van het kleuteronderwijs in het algemeen.