Investeer in jonge, kwetsbare kinderen

Enige tijd geleden bracht Liesbeth Homans een weinig subtiele boodschap over kinderopvang voor kinderen die opgroeien in gezinnen met een vervangingsinkomen. Ter herinnering geef ik u de beknopte samenvatting: kinderopvang is er in eerste instantie voor werkende ouders, voor kinderen uit kansarme gezinnen (voor wie de prijzen recent opgetrokken werden) kan gedacht worden aan initiatieven die de OCMW’s moeten organiseren. U leest het goed: aparte initiatieven. Pittige afsluiter: de minister weet – naar eigen zeggen – dat het beter is voor kinderen uit kansarme gezinnen dat ze ook naar de crèche kunnen, in ieder geval is het beter dan mee op café te gaan. Een kwetsende uitschieter die veel mensen choqueerde, arm en rijk.

Over de uitschieter wil ik twee dingen zeggen. Ten eerste is af en toe te fors communiceren een handige manier voor politici om zich te profileren in de media. Je zorgt voor een pak felle reacties, waarna je vervolginterviews moet geven om je uitspraak te nuanceren en om je visie toe te lichten met wat meer voorbeelden. Ten tweede, op café kan je alle soorten mensen aantreffen. Ook politici die in enkele zinnen de tweedeling van de samenleving uitleggen: er zijn de mensen die werken (voor hen biedt de overheid voorzieningen aan zoals crèches) en er zijn de profiteurs die ploeteren en op café gaan (voor die groep zien we nog wel wat het OCMW kan doen). Die eenvoudige tweedeling slaat bij veel Vlamingen aan. De stigmatiserende beeldvorming van de steuntrekker is dan een verkooptruc voor een politieke visie. Objectief gezien – los van beledigende retoriek – kan een regering kiezen voor dergelijke visie op kinderopvang en andere sociale voorzieningen voor kinderen: alleen ouders die voldoende bijdragen, mogen ervan genieten.

Wat mij betreft, is die visie te simpel. Uiteraard is het begrijpelijk dat bij een gebrek aan plaatsen in crèches de werkende mensen rekenen op een plaats voor hun kind. Maar de vraag zou niet mogen gaan over wie voorrang krijgt voor een plaatsje. Laten we dus ten gronde het thema ‘zorg voor het jonge kind’ onder de loep nemen en de fundamentele vragen stellen, zowel de pedagogische vragen als de politieke. Wat is de meerwaarde van de kinderopvang in de ontwikkeling en voor het welzijn van kinderen? Maakt kinderopvang een belangrijk verschil voor bepaalde sociale groepen? Beschouwt de overheid de ondersteuning van (werkende) ouders en hun jonge kind(eren) als haar taak? Beschouwt de overheid de bescherming van kinderen uit kwetsbare milieus als haar plicht?

Over de pedagogische vragen lijkt mij een vrij grote consensus te bestaan, zeker vanaf een bepaalde leeftijd. Een goed georganiseerde kinderopvang, met opgeleide verzorgers, die betrokkenheid tonen en de juiste pedagogische vaardigheden hebben, wordt door ouders als een grote steun ervaren. De kinderen doen er sociale en communicatieve vaardigheden op. Voor kinderen die in armoede opgroeien is het verschil tussen thuisblijven en naar de kribbe gaan nog een pak significanter. Eén van de pijlers in een degelijke, structurele aanpak van armoede is een sterk uitgebouwde – reeds voorschoolse – zorg van het jonge kind, dat hebben tal van experten (in de VS, in ons land) aan de hand van wetenschappelijke onderzoeken vastgesteld.

Eén van de concrete vaststellingen luidt als volgt: “Een impulsarme omgeving leidt tot een minder ontwikkelde hersenstructuur die haast niet meer goed te maken is.” (1) De impact van slechte behuizing, huiselijke conflicten, gebrekkige interactie, minder kwalitatieve voeding en stress zijn helaas zaken die vaker voorkomen in generatiearmoede. De kinderen die opgroeien in armoede hebben er dus nog meer baat bij om terecht te komen in een impulsrijke en gezonde omgeving zoals de kinderopvang en de peutertuin. Door een gebrek aan plaatsen of door een te hoge factuur zullen hun ouders eerder afhaken.

Dan zouden volgens de logica van minister Homans wel meer plaatsen vrijkomen voor de kindjes van de ouders die werken. Maar laten we de demografische cijfers van Brussel, Antwerpen en Gent bekijken: er is een dermate tekort aan plaatsen, dat ook werkende ouders een lange omweg maken van de crèche naar het werk, of erger nog: dat één van de ouders (veelal de moeders) stoppen met werken of zich beperken tot een deeltijdse job. Wat dan weer in tegenstrijd is met de doelstellingen van de Vlaamse regering inzake tewerkstelling en gelijke kansen. Er zijn met andere woorden een pak plaatsen tekort in de kinderopvang.

Als de Vlaamse regering stelt dat de zorg van het jonge kind geen kerntaak van de overheid is, moet ze een lagere tewerkstellingsgraad aanvaarden, of jonge grootouders die babysitten, in plaats van aan de slag te blijven tot 67. Goed idee? Bovendien, als zowel de Vlaamse als de federale regering stelt dat ze op een structurele manier armoede wil bestrijden (en niet aan de hand van projecten en uitkeringen), dan moet ze ook voor ouders met een zeer laag inkomen plaatsen in crèches creëren. Alle begrip voor een kritische blik op het ‘gratis-beleid’ van vorige regeringen, maar de grote investering in jonge, kwetsbare kinderen is er één die dubbel en dik rendeert, voor iedereen.
(1) Bevindingen van onderzoekscentrum Oases, Universiteit Antwerpen, interview met Jan Vranken in Weliswaar (2009). Zie ook studie ‘The effects of poverty on childhood brain development, Joan Luby e.a. (Washington University of Medicine, St. Louis).
Ann Brusseel
Dit opiniestuk verscheen als column in de Liberales nieuwsbrief van 13 februari 2015.