Het gelijkheidsbeginsel moet primeren

Het is een open deur intrappen te zeggen dat de vluchtelingencrisis leeft. Evident dat dit vaak voorwerp uitmaakt van zinvolle discussies, maar helaas ook op platte wijze politiek gerecupereerd wordt. De communicatie – zowel in de traditionele als op sociale media – is enorm geladen en heeft mij meer dan eens gechoqueerd. Nu de vreselijke en beklijvende beelden en tal van boude en koude uitspraken wat tijd hadden om te bezinken, wil ik een aantal zaken op een rijtje zetten. We konden vaststellen dat de Europese Unie niet half de daadkracht aan de dag legt die nodig is om dergelijke humanitaire crisis aan te pakken. Europa draalt besluiteloos terwijl Assad burgers bleef bombarderen, IS groeide en de stroom vluchtelingen op gang kwam. De vraag is echter hoe we nu verder gaan: welke aspecten van de vluchtelingencrisis vergen – hier en nu – maatregelen van de overheid?

Waar de ene opiniemaker in deze crisis een opportuniteit ziet om de vergrijzing in ons land aan te pakken, ziet de andere een bedreiging voor de sociale zekerheid. Beide visies kunnen waarheid worden, afhankelijk van de maatregelen die we de komende weken en maanden zullen nemen. Het zal erop aankomen het zogeheten verhaal van rechten en plichten snel concreet te maken, met respect voor grondrechten van elk individu en in het bijzonder voor elk kind. Werk, onderwijs, zorg en integratie zijn de pijlers. Het mag vreemd klinken, maar daarover maak ik me eigenlijk niet zoveel zorgen. Tijdens vele gesprekken met vrienden en kennissen kwam echter steeds een andere vraag terug: “Hoe zal Europa eruit zien over 10 jaar, over 20 jaar? Hoeveel zullen we moeten toegeven aan de moslims? Zal mijn kleindochter een hoofddoek moeten dragen?” Misschien denken de mensen in mijn omgeving een beetje anders dan de doorsnee Vlaming, maar ze lijken me niet zozeer wakker te liggen van de factuur van de komst van vluchtelingen. Ik heb eerder de indruk dat veel mensen best solidair willen zijn met zij die oorlogsleed meemaakten. De grootste zorg bij velen is dat onze samenleving wel eens drastisch zou kunnen veranderen. En ik deel die zorg. Ik stel immers vast dat we sneller een discussie over het kindergeld beslechten, dan dat we aangeven waar de grenzen van de godsdienstvrijheid liggen.

Ondertussen duiken berichten op van conflicten in Duitse opvangcentra over moslims die eisen dat christenen er zich schikken naar de regels van de sharia. De Brits-Iraanse mensenrechtenactiviste die ex-moslims ondersteunt, Maryam Namazie, werd vorige week bijna weg-gecensureerd op de universiteit van Warwick. Ik vernam gisteren dat de taallessen bij bepaalde inburgeringstrajecten (in Brussel) in gescheiden groepen verlopen, nl. mannen en vrouwen apart. Als er nu één ding duidelijk dient te worden tijdens zo’n inburgeringstraject, dan is het wel dat mannen en vrouwen in ons land net niet gescheiden aan de samenleving deelnemen. Dat lijkt me voorwaar nog belangrijker dan slagen voor een taalexamen. De berichtgeving over religieuze eisen zorgen voor ongerustheid en bemoeilijken tolerantie tussen mensen van verschillende levensbeschouwing.

Deze problematiek is niet nieuw, maar een degelijk antwoord blijft uit. De Belgische politiek lijkt al jaren te hopen dat het vanzelf in orde komt. Net zoals de secularisering in de vorige eeuw ook van onderuit is gegroeid. Ik denk niet dat problemen als deze zichzelf wel oplossen. En als we daarop moeten wachten, dan vrees ik dat de sociale cohesie die we zo nodig hebben – in scholen, op de arbeidsmarkt, in het dagelijkse leven – wel zou kunnen verdwijnen (voor zover er ooit veel cohesie is geweest). Momenteel komen twee houdingen op de voorgrond: oud-links consulteert voor elke kwestie liefst de islamtheologen en stelde tijdens de Interculturele Rondetafels (2010) ‘redelijke aanpassingen’ voor op diverse wetten, zodat in diverse sectoren meer rekening zou gehouden worden met religieuze – lees islamitische – eisen. De conservatieven houden van hun kant vast aan het Vlaanderen van weleer. Ze zien diversiteit als een tijdelijk gegeven en mikken op maximale assimilatie. Ze verdedigen belangrijke principes zoals de gelijkheid van man en vrouw, maar zijn bijzonder stil als het gaat over maatregelen om discriminatie en racisme te bestrijden. Ik ben van mening dat we zullen moeten aanvaarden dat onze samenleving gewoon divers zal blijven en dat individuen daar nu eenmaal in elke zin recht op hebben. De middenweg dus.

Maar de politiek zal duidelijker dan vandaag het geval is moeten grenzen trekken. We zullen het begrip godsdienstvrijheid sterker moeten definiëren. Zoals Claire Tillekaerts in haar opiniestuk schreef, betreft het de vrijheid te geloven zonder vervolgd te worden, niet om je geloof en de gevolgen ervan aan anderen op te dringen. De overheid moet overigens niet alleen de grenzen duidelijk maken, maar ze moet zich ook in elke situatie neutraal opstellen. Eind mei 2013 diende ik in het Vlaams parlement een resolutie in betreffende de neutraliteit van de overheid. We werden toen geconfronteerd met de hoofddoekenkwestie van de stad Gent, die na georkestreerde ‘burgeracties’ het verbod op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens aan het loket afvoerde. In de toelichting van mijn resolutie gaf ik een aantal voorbeelden van religieuze eisen in ons land en het Verenigd Koninkrijk. Mijn conclusie was dat ons land zich al op een hellend vlak bevond door in te gaan op aanpassingen van wetten en reglementen die democratisch tot stand gekomen waren.

Het zal echter niet gemakkelijk zijn de vragen over een belangrijk democratisch principe zoals de godsdienstvrijheid te beantwoorden. Niet alleen politici, maar ook het middenveld en juridische experten worstelen ermee. In de discussie over het dragen van de ‘boerkini’ in een openbaar zwembad stelt het Interfederaal Gelijke Kansencentrum dat de ‘godsdienstvrijheid’ primeert op de gelijkheid van man en vrouw (zich steunend op een arrest van het EHRM van 2013). Je moet de voorbije weken werkelijk onder een stolp doorgebracht hebben om te denken dat er nu enig draagvlak is voor dit soort beweringen. Het cultuurrelativisme als uitgangspunt nemen op een moment dat iedereen zich afvraagt of de integratie van ‘zoveel’ nieuwe moslims wel vlot zal verlopen, is ontzettend dom. We zouden van het IGK trouwens mogen verwachten dat het in zijn standpunten de gelijkheid van alle mensen en dus zeker de gelijkheid van man en vrouw als richtsnoer neemt. Eerst en vooral omdat artikel 10 van de Grondwet toch wel een essentieel punt is, wil je de helft van de bevolking niet schofferen. Ten tweede lijkt het mij mooi meegenomen dat je de bevolking die zich zorgen maakt over de aanwezigheid van een radicale islam kan geruststellen door het gelijkheidsbeginsel te erkennen. Als het centrum zich ooit nog wil voorstellen als een geloofwaardige instantie voor discriminatiebestrijding bij de doorsnee Vlaming, zal het toch dringend moeten beseffen dat religieuze dogma’s nooit kunnen voorgaan op het gelijkheidsbeginsel.

De voorbije jaren heb ik als lid van de commissie Gelijke Kansen van het Vlaams parlement steeds gepleit voor een sterk Gelijke Kansenbeleid, ondersteund door de expertise van een dergelijk centrum. Als je wil werken aan racismebestrijding, aan inclusie en een doeltreffende aanpak van alle vormen van discriminatie, zowel van minderheden als van vrouwen, dan heb je expertise nodig en een laagdrempelige organisatie die vlot mensen helpt (laat dit laatste nu net een moeilijke opgave zijn voor het gerecht). Wat we absoluut kunnen missen, is een instantie die zich permanent ten dienste stelt van radicale gelovigen, wiens eisen moeilijk verzoenbaar zijn met een seculiere samenleving. Want die seculiere samenleving is het enige mogelijke antwoord op de diversiteit, de enige die de grondrechten van elk individu waarborgt en op die manier sociale cohesie garandeert.

Deze column verscheen op liberales.