Voorrangsregelingen bij de inschrijving in Nederlandstalige Brusselse scholen.

Vraag om uitleg van de heer Willy Segers tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over voorrangsregelingen bij de inschrijving in Nederlandstalige scholen in Brussel
Vraag om uitleg van de heer Luckas Van Der Taelen tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het taalcriterium bij inschrijving in Nederlandstalige basisscholen

De voorzitter : De heer Segers heeft het woord.

Vraag om uitleg van de heer Willy Segers tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over voorrangsregelingen bij de inschrijving in Nederlandstalige scholen in Brussel
Vraag om uitleg van de heer Luckas Van Der Taelen tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het taalcriterium bij inschrijving in Nederlandstalige basisscholen

De voorzitter : De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers : Minister, collega’s, ik heb inderdaad een vraag betreffende de voorrangsregelingen die bij de inschrijvingen in Nederlandstalige scholen in Brussel momenteel een probleem opleveren. Meer bepaald geven bepaalde Nederlandstalige scholen in Brussel sinds kort bij de inschrijving voorrang aan kinderen die naar een Nederlandstalige crèche zijn geweest. Op het eerste zicht is dat uiteraard een duidelijk verdedigbare keuze gezien het soms ‘scheefgetrokken’ taalevenwicht waarmee deze scholen kampen. Aan de andere kant stellen we vast dat deze maatregel momenteel in zekere mate zijn doel voorbijschiet, omdat wegens een opvallend gebrek aan Nederlandstalige plaatsen in kindercrèches, ook heel wat Nederlandstalige ouders – om die reden maar ook om andere – verplicht zijn hun kinderen naar Franstalige kinderdagverblijven te sturen. Ze verliezen daardoor natuurlijk deze voorrangsmaatregel.

Bovendien werd deze voorrangsmaatregel pas in september 2009 gecommuniceerd, waardoor heel wat ouders zich plots getroffen voelden. Deze problematiek wijst nog maar eens op het fundamentele probleem van een tekort aan Nederlandstalige scholen en zeker ook aan kinderdagverblijven in Brussel. In uw beleidsnota, minister, raamde u het tekort aan gesubsidieerde opvangplaatsen op 520 plaatsen. Dat is wel een zeer hoog getal. Het lijkt ons dan ook nodig om, in het licht van deze voorrangsregel en de problemen die er momenteel zijn, hiervoor binnen de kortste termijn in een oplossing te voorzien. Want anders dreigen natuurlijk in de toekomst andere Nederlandstalige ouders en gezinnen uit de boot te vallen.

Daarom heb ik concreet de volgende vragen. Is de minister van plan om deze scholen over deze maatregel aan te spreken? Mocht dat het geval zijn, is er reeds overleg gepleegd? Ziet de minister binnen dit kader andere, bijkomende mogelijkheden om te streven naar een significante verhoging van het aantal Nederlandstalige kinderen in het Brussels Nederlandstalig basisonderwijs? Welke concrete initiatieven heeft de minister gepland om de Brusselnorm inzake opvangplaatsen te halen? Is hierover al overleg gepleegd, onder meer met de Vlaamse minister voor Welzijn? Binnen welke termijn ziet de minister zich met betrekking tot deze thematiek bepaalde doelen halen?

De voorzitter : De heer Van Der Taelen heeft het woord.

De heer Luckas Van Der Taelen : Mijn vraag is gelijklopend. We hebben inderdaad geconstateerd dat dit misschien een maatregel is die van een goede intentie vertrekt, maar die een paar nefaste bijwerkingen kan hebben. Niet het minst voor Nederlandstalige ouders die hun kind niet naar een Nederlandstalige crèche hebben gestuurd omdat er bijvoorbeeld geen plaats was, maar ook omdat ze hun kind niet naar een crèche wilden sturen. Naar verluidt vallen die ouders dus ook uit de boot. Ik denk dat dit nefast is, dat dit misschien een ongewilde bijwerking is. Maar het is toch een beetje absurd dat als een Nederlandstalig gezin zou besluiten om zijn kind niet naar een crèche te sturen, dit als gevolg heeft dat ze daarbij het recht verliezen om hun kind in een Nederlandstalige school in te schrijven.

Ik heb daarbij nog een bijkomende bedenking. Is het eigenlijk uw bedoeling, minister, dat men verwacht dat Nederlandstaligen of zelfs anderstaligen vanaf het begin een circuit moeten volgen dat begint in het Nederlands? Dat heeft natuurlijk veel consequenties. Als dat het beleid is, betekent dat dat er nagenoeg geen anderstaligen in de scholen kunnen worden ingeschreven. Dat zou volgens mij de jammerlijke bijwerking hebben dat al die anderstaligen die goed Nederlands leren in onze scholen, niet meer welkom zijn.

Dit criterium is recent meegedeeld waardoor bepaalde Nederlandstalige ouders een beetje voor voldongen feiten staan. Het is een beetje en cours de route, terwijl hun kinderen aan het opgroeien waren, dat die regel is ingevoerd, en ze zijn daar nu het slachtoffer van. Zou het niet beter zijn als u zich aan deze regel zou houden, om hem minstens toch een beetje te verfijnen zodat iedereen van in het begin weet waar hij of zij aan toe is?

De voorzitter : Mevrouw Michiels heeft het woord.

Mevrouw An Michiels : Eigenlijk komen we hier bij het grote pijnpunt dat al herhaaldelijk aangekaart is, zeker in deze commissie, en dat is dat het inschrijvingsonderdeel van het GOK-decreet toch niet werkt zoals het bedoeld was, zeker niet in Brussel. Er zijn al een heel aantal aanpassingen gebeurd aan het GOK-decreet sinds zijn ontstaan tot nu en de laatste was de mogelijkheid om lokaal te experimenteren. Het is dus echt wel lokaal: de scholen ­– in dit geval het lokaal overlegplatform (LOP) Brussel – kunnen kiezen om te experimenteren zowel met criteria voor inschrijving als met manieren van aanmelden. Dat heeft geleid tot een aantal neveneffecten, die nu naar boven komen met het centraal aanmeldingssysteem. We hebben het daar al over gehad, en ik denk dat we daar nog niet aan het einde van de lijdensweg zijn. Voor de ouders die daarin ingestapt zijn, is het einde nog altijd niet in zicht. Ik ga daar niet verder over uitweiden. Dat zal waarschijnlijk nog wel eens ter sprake komen in deze commissie.

Wat betreft de inschrijvingscriteria die gehanteerd werden, is in Brussel gekozen voor twee criteria. Zo is er de afstand. Daar valt uiteraard iets voor te zeggen, maar ik denk dat het nog veel te vroeg is om nu te kijken of dat criterium zijn beoogde doel bereikt heeft of niet. Ik hoop, minister, dat er een grondige evaluatie zal gebeuren van dat criterium afstand tot de school. Heeft dat nu het beoogde doel? Zijn die kinderen inderdaad meer ingeschreven in de buurt of zijn ook daar neveneffecten, die we nu nog niet zo snel kunnen inschatten als bij het tweede criterium?

Dat tweede criterium is de voorrang voor kinderen die naar een Nederlandstalige kribbe zijn geweest voor ze naar school gingen. Hier zijn een aantal perverse neveneffecten die niet zo bedoeld waren, maar die beide vorige sprekers al hebben aangehaald. We hebben vanuit onze fractie altijd gepleit voor een absolute voorrang voor Nederlandstalige kinderen in de Vlaamse scholen en ik blijf erbij dat dit toch wel de meest eenvoudige oplossing zal zijn. Op de vraag hoe dat concreet moet worden uitgewerkt, kan ik nu onmiddellijk geen duidelijk antwoord geven. We hebben daarover in de vorige legislatuur een voorstel van decreet ingediend. Dat is toen niet aanvaard, met als voornaamste argument dat men door ons voorstel zou kiezen voor subnationaliteit, wat niet de keuze was van dit parlement. Ik blijf er toch bij dat dit een spoor tot oplossing zou kunnen bieden om dit soort neveneffecten te vermijden. Dat moet in mijn ogen absoluut geen afbreuk doen aan de keuze van die scholen die er niet voor kiezen om een volledig Vlaamse school te worden. Ik denk trouwens dat het in Brussel niet meer zal kunnen dat men een school heeft die uitsluitend met Vlaamse leerlingen is bevolkt. Iedereen is het erover eens dat zoiets niet mogelijk is. We moeten er wel voor zorgen dat de Vlaamse kinderen in die school terechtkunnen die de ouders kiezen.

Onze vraag is nog altijd om het inschrijvingsgeld voor een groot deel of zelfs volledig terug te geven aan de scholen. Zolang dat niet gaat, omdat men het GOK-decreet niet wil afschaffen, blijven we pleiten voor de absolute voorrang voor Nederlandstaligen bij de inschrijving. Maar die is er nu niet. Minister, net zoals de twee voorgaande sprekers, ben ook ik dus benieuwd hoe u het probleem dat nu toch wel opgedoken is, in de komende weken gaat oplossen.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik heb een aantal bedenkingen bij deze maatregel, die me zeer kafkaiaans lijkt. Hij is uiteraard goedbedoeld, in die zin dat het Nederlandstalige ouders meer kans geeft op een vlotte inschrijving in een Nederlandstalige kleuterklas. Maar ergens is de regel niet bepaald realistisch, want u weet ook dat er in Brussel onvoldoende aanbod is wat betreft Nederlandstalige kinderopvang. Veel ouders zien zich dus gedwongen om hun kinderen naar Franstalige kinderopvang te brengen, en die zijn op die manier het slachtoffer van de maatregel.

Daarom heb ik tijdens de bespreking van de beleidsnota ook gevraagd om de uitbreiding van het aanbod niet-gesubsidieerde Nederlandstalige kinderopvang te stimuleren. Dat was een van de grootste bekommernissen bij mijn bespreking gisteren in de plenaire vergadering. De vraag is of het met dit soort regel uiteindelijk de bedoeling is om het Nederlandstalig onderwijs zodanig taalzuiver te houden dat de anderstalige kinderen – die spijtig genoeg al te vaak als last beschouwd worden – eigenlijk naar de Franse Gemeenschap gestuurd worden, ofschoon ze daarom thuis niet altijd Franstalig zijn. Ik heb daar toch wel een probleem mee.

Als u in uw beleidsnota en hier vaak in het parlement in het algemeen stelt dat de Vlaamse Gemeenschap Brussel niet mag loslaten, dat het Nederlands sterk aanwezig moet blijven in Brussel en als u dat een belangrijk punt vindt in uw beleidsnota, dan rijmt dit soort maatregel, die zeer praktisch is en waarschijnlijk goedbedoeld is, daar niet mee. Als u een coherent beleid wilt waarmee u de Vlaamse Gemeenschap in Brussel wil gaan versterken, dan moet u die Vlaamse Gemeenschap ook openstellen, en deze regel rijmt niet helemaal met een openstelling van die Vlaamse Gemeenschap.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Het is een heel interessant debat dat we vandaag voeren, het maakt deel uit van een groter debat. Eigenlijk gaat het over de schaarse plaatsen in ons onderwijs in Brussel, dat wordt gewaardeerd door onze Nederlandstalige maar zeker ook door onze anderstalige medeburgers.

Ik vind dat we in het debat van vandaag toch goed moeten opletten dat we geen fout debat voeren of geen foute tegenstelling gaan opvoeren. Want wat hoor ik hier? En ik heb daarover ook al een aantal elementen gelezen in de pers. We zitten met twee grote groepen mensen. Enerzijds zijn er Nederlandstalige ouders die hun kind naar een Franstalige crèche hebben gestuurd of niet naar een crèche hebben gestuurd, wat de reden ook is. Het kan zijn dat die ouders geen plaats vonden voor hun kind in een Nederlandstalige crèche. Het kan ook zijn dat die ouders er vanuit een bepaalde filosofie voor gekozen hebben om hun kind vanaf de vroegste leeftijd al kennis te laten maken met een andere taal. Dat is één groep. Een tweede groep bestaat uit anderstalige ouders die hun kind naar een Nederlandstalige crèche hebben gestuurd en die eigenlijk op zeer jonge leeftijd van het kind kiezen voor een Nederlandstalig traject. Dat zijn dikwijls heel bewuste keuzes.

Ik vind dat we die twee groepen nooit tegenover elkaar mogen zetten, want elk van beide groepen handelt vanuit een bepaalde logica en elk van beide logica’s zijn waardevol. Fundamenteel voor ons is dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel open moet zijn voor iedereen, maar dat iedereen – dus Nederlandstalige maar ook Franstalige kinderen – erbij gebaat is dat er een minimumaantal Nederlandstalige of Nederlandskundige kinderen in de scholen zitten. Ook anderstalige kinderen uit moeilijkere milieus hebben daar baat bij. We zitten hier eigenlijk met twee interessante groepen. Aan de ene kant Nederlandstalige ouders die hun kind in het Nederlands opvoeden, maar die kiezen – gedwongen of niet – voor een anderstalige crèche, en aan de andere kant anderstalige ouders die op vrij jonge leeftijd van hun kinderen een bewuste keuze maken om de kinderen in een Nederlandstalig circuit te plaatsen.

Ik vind persoonlijk dat elk van beide groepen voorrang zou moeten krijgen: in ieder geval de Nederlandstalige ouders, ook al zitten hun kinderen in een anderstalige crèche, en ook anderstalige ouders die vroeger de keuze maakten om hun kind in een Nederlandstalige crèche te plaatsen.

Het debat overstijgt ruim de vragen van beide vraagstellers, die op zich interessant zijn. Het gaat natuurlijk over het inschrijvingsonderdeel van het GOK-decreet en het gaat erover dat we ons verliezen in regels. Elk met een eigen logica, maar waarvan de coherentie tussen al die regels soms moeilijk te vinden valt. Al die regels hebben geresulteerd in een elektronisch inschrijvingssysteem van 300.000 euro dat crasht vanaf het ogenblik dat het in werking wordt gesteld. De rechtszekerheid van de ouders is dan ver te zoeken. Ik blijf ervan overtuigd dat het een heilloze weg is waarin we ons jaar na jaar verder verdiepen, in een moeras verzinken en waar de horizon niet meer zichtbaar is.

Een laatste element dat ik nog zou willen aanbrengen, is de afstand tussen de school en de thuisomgeving van een kind, een van de criteria waarover veel wordt gesproken. Ook daarover moeten we goed nadenken. Ik ken ouders uit moeilijkere milieus die hun kind zeer bewust ’s morgens vroeg naar een andere school sturen in een wijk zonder concentratie­school, ook al kost hen dat een uur. Ze doen dat bewust om hun kind in een gemixte school les te laten volgen. Die bewuste ouders die goede en overdachte keuzes maken, worden eigenlijk benadeeld door dat criterium afstand school-thuisomgeving. Al die regels die we allemaal over ons krijgen, die soms niet coherent zijn, leiden ons volgens mij nergens naartoe. Ik blijf ervan overtuigd dat op de lange termijn de allerbeste oplossing is om op dat vlak opnieuw een veel grotere autonomie te geven aan de schooldirecties zelf.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Het is ook niet de eerste keer dat we hierover spreken. We moeten goed weten dat we nu spreken over het LOP in het basisonderwijs en het is dat LOP dat wordt ondersteund door de VGC. Mevrouw Brusseel geeft een beetje de indruk – bewust of onbewust – dat het een maatregel is die door de Vlaamse Gemeenschap is genomen. Laat me heel duidelijk stellen dat de Vlaamse Gemeenschap hiermee niets te maken heeft. (Opmerkingen van de heer Sven Gatz en mevrouw An Michiels)

De heer Gatz wordt ineens zenuwachtig als ik begin te spreken. Ik wil dit wel even uitleggen en het kader schetsen waarin we zitten. Ik ben niet geïnteresseerd in politiek gehakketak. Daar hebben de ouders ook geen boodschap aan. En ik wil perfect verantwoordelijk zijn voor de dingen die we doen. Ik heb de uiteenzetting van mevrouw Brusseel goed gehoord en ze wekt de indruk dat het een maatregel is die ik of de Vlaamse Gemeenschap of mijn voorganger zou hebben genomen. Neen. Wat is hier gebeurd? De Vlaamse Gemeenschap heeft aan de LOP’s de mogelijkheid gegeven om te experimenteren met de inschrijvingen. In Brussel, Antwerpen en Gent worden de LOP’s heel sterk ondersteund door de lokale overheden. In Antwerpen was dat de stad Antwerpen, in Gent de stad Gent en in Brussel was dat de VGC, onder leiding van de heer Jean-Luc Vanraes. Die laatste heeft samen met het LOP Brussel trouwens een gezamenlijke persconferentie georganiseerd om de criteria en de procedure aan te kondigen. Ik was daar ook niet bij. Ik heb daar wel de heer Vanraes samen met het LOP gezien. Dat is het kader waarin we nu zitten: het LOP Basisonderwijs ondersteund door de VGC, binnen een experiment dat mogelijk gemaakt is door de Vlaamse Gemeenschap.

Maar in de mogelijkheid tot experiment heeft men gekozen voor de ordeningscriteria afstand tussen de verblijfplaats of werkplaats en de school én het aantal dagen verblijf in een Nederlandstalige voorschoolse opvang. De keuze voor deze ordeningscriteria door het LOP is het resultaat van een grondig debat dat lokaal gevoerd werd in Brussel en waar de Vlaamse Gemeenschap als dusdanig niet tussenbeide gekomen is. De ordeningscriteria werden met een dubbele meerderheid in het LOP goedgekeurd: een meerderheid binnen de onderwijspartners en een meerderheid binnen de niet-onderwijspartners.

U moet wel goed weten dat ordeningscriteria in het online aanmeldingssysteem alleen maar een rol spelen als een school meer aanmeldingen krijgt dan ze plaatsen heeft. Het gaat om een ordeningscriterium. Men heeft eigenlijk rangordes, en dan een ordeningscriterium. Het klopt dat veel betrokken instanties de ouders hebben aangemoedigd om meerdere scholen op te geven.

Ik ga me vandaag dan ook niet uitspreken voor of tegen de gekozen ordeningscriteria. Er zijn de rangordecriteria: broertjes en zusjes, 45 percent Nederlandstaligen, 30 percent kinderen met GOK. Die ordeningscriteria spelen binnen de rangordecriteria wanneer er meer aanmeldingen zijn om een bijkomende keuze te kunnen maken.

Ik spreek me vandaag niet echt uit op basis van de gekozen criteria. Ik stel ook vast dat Brussel, Antwerpen en Gent niet dezelfde ordeningscriteria kiezen. De ordeningscriteria zijn tot stand gekomen door een decretaal voorzien experimenteel artikel waarover een evaluatie zal gebeuren, in eerste instantie door de betrokken LOP’s. Ik moet die evaluaties ten laatste kennen in oktober 2010.

Het feit dat ik als minister niet betrokken ben bij het uitwerken van de verschillende experimenten in Brussel, wil niet zeggen dat we de commotie die er bestaat, niet au sérieux zouden nemen of dat we die niet opvolgen. Ik kan op dit moment niet tussenbeide komen in de lopende procedure, maar ik heb me wel voorgenomen dat we moeten nagaan of de krijtlijnen waarbinnen er op dit moment geëxperimenteerd wordt, niet versneld herbekeken moeten worden. Dit in het belang van de ouders, de scholen en de LOP’s.

Dat is nog iets anders dan de afspraken die we in het regeerakkoord hebben gemaakt om het hele inschrijvingsbeleid en de aanmeldingsprocedure te herbekijken. Hier gaat het erom of we het hele experimentele kader niet sneller moeten herzien.

Er wordt gevraagd of het ordeningscriterium ‘aantal dagen in Nederlandstalige kinderopvang’ wel wijs is. Ik herinner me dat de meeste politici in Brussel de keuze voor dit criterium wel een goede beslissing vonden omdat dat in de logica lag van de leerlijn waarin een kind zit. In een Franstalige omgeving vindt iedereen het heel belangrijk dat men zo snel mogelijk – als kleintje in de crèche, dan in de kleuterklas en in het lager onderwijs – met het Nederlands in aanraking komt. Vandaar dat men dat criterium in het LOP Brussel gekozen heeft. Men zegt altijd dat het heel belangrijk is dat men vanaf jonge leeftijd met het Nederlands in contact komt. Als men moet ordenen, geeft men de voorkeur aan mensen die in een Nederlandstalige crèche hebben gezeten. Daar zit een hele logica in.

Men komt dan inderdaad in problemen met mensen – het is op dit moment nog niet duidelijk om hoeveel mensen het gaat – die inderdaad hun kind wegens plaatsgebrek of een andere reden in een Franstalige crèche hebben geplaatst en die nadien naar het Nederlandstalig onderwijs willen laten gaan. Men gaat er bij het LOP wel van uit dat de meeste Nederlandstalige ouders hun kind in Nederlandstalige crèches proberen te plaats.

Laat me heel duidelijk zijn. Ik vind het nogal evident dat in het Nederlandstalige onderwijs in Brussel Nederlandstalige ouders hun kind in een school naar keuze moeten kunnen plaatsen. Het kan niet dat een Nederlandstalige ouder geen plaats in een school kan vinden, terwijl veel andere niet-Nederlandstalige kindjes er wel zitten. Dat klopt niet. Als we Nederlandstalig onderwijs in Brussel aanbieden, is dat voor Nederlandstalige ouders en staat dat onderwijs ook open voor anderen die een geëngageerde keuze voor het Nederlands onderwijs willen maken. Het kan nooit zijn dat Nederlandstalige ouders geen plaats meer vinden in het Nederlandstalig onderwijs, want dan is er toch wel een fundamenteel probleem.

Wat betreft de vragen die gesteld worden over de capaciteitsproblemen in de kinderopvang, klopt het dat ik het cijfer 520 heb genoemd, dat door collegelid Grouwels in het VGC-college is opgesteld. Ik heb al contact gehad met minister Vandeurzen, die bevoegd is voor welzijn en die daar in eerste instantie verantwoordelijk voor is, samen met collega Grouwels uit de Brusselse regering. Eventueel kan een gerichte scholenuitbouw in Brussel gekoppeld worden aan een gerichte Nederlandstalige kinderopvang. Beide zijn mogelijk. Ik denk dat we de komende maanden en jaren dat spoor duidelijk moeten bevoordelen in Brussel. Uiteraard volgen we dat verder op.

Ik vat samen. We zitten in een experiment waarover het LOP heeft beslist, niet de Vlaamse Gemeenschap. Dat experiment loopt en we gaan bekijken of we dat niet sneller moeten herinpassen in een decreet. We kunnen niet tussenkomen in lopende procedures. Verder wil ik ook dat er heel snel zekerheid komt voor de ouders in Brussel. Er zijn nogal veel ouders die niet weten in welke school hun kind al dan niet ingeschreven is. Die onzekerheid is geen goede zaak. Ten slotte moet toch de vaststelling gemaakt worden dat de problemen met de experimenten zich vooral in Brussel voordoen. Dat is helemaal niet het geval in Gent en ook niet in Antwerpen.

De voorzitter : De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers : Mocht de verkeerde indruk ontstaan zijn dat ik u verantwoordelijk stel, dan is dat zeker niet het geval.

Ik wil even reageren op de bijdragen van een aantal collega’s. Ik stel deze vraag precies omdat N-VA achter die maatregel staat. We hebben dat ook gedaan in het kader van het beleid over de Vlaamse Rand. Kinderopvang is voor ons een speerpunt. Het is het eerste contactpunt. De vorige minister had het vooral over het onderwijs als eerste contactpunt, maar kinderopvang en zeker georganiseerde kinderopvang is een nog vroeger contact. We staan er inderdaad achter dat dit ook in het Nederlands gebeurt voor al die bevolkingsgroepen die de heer Delva opsomt, zowel de Nederlandstaligen in Brussel als de niet-Nederlandstaligen die kiezen voor het Nederlandstalige traject. In die context staan we zeker achter die maatregel. Een aantal collega’s vrezen dat dit zou leiden tot eentalige Nederlandstalige scholen in Brussel. Dat lijkt me, als we de bevolkingsaantallen kennen, uit den boze. Laat ons eerlijk zijn.

Wat we zeker willen vermijden, is dat de voorrang die we willen geven aan Nederlands­taligen of mensen die kiezen voor het Nederlandstalige traject in Brusselse scholen, teniet zou worden gedaan door dergelijke maatregelen. Uiteraard is iedereen welkom in die Nederlandstalige scholen in Brussel. Dat is nogal evident.

Minister, ik onthoud uit uw antwoord dat u zeker openstaat voor het versneld herbekijken van die krijtlijnen van die procedure. Het tweede element van mijn vraag was dat de maatregel plots is afgekondigd, in september 2009. Ik hoop dat minstens daaraan iets kan gebeuren en dat dit in de toekomst vermeden wordt. Voor de rest staan we achter het principe. We hopen dat dit juist mensen zal aanzetten om zich proactief naar de Nederlandstalige kinderopvang te richten, precies omdat dit een maatregel is waar ze dan later rekening mee moeten houden als ze hun kinderen naar het basisonderwijs sturen. Dan blijft natuurlijk het probleem van de kinderopvang in Brussel. Ik neem aan dat u als minister bevoegd voor Brussel – en we zullen u daarin zeker steunen – samen met uw collega’s voor Welzijn het probleem versneld zult aanpakken.

De voorzitter : De heer Van Der Taelen heeft het woord.

De heer Luckas Van Der Taelen : Ik ben blij te horen dat de minister bereid is om een en ander te evalueren. Een experiment is een experiment. Daar haalt het ook zijn naam vandaan: men probeert iets uit. Bij het bepalen van die criteria kan men soms – met een goede intentie – een verkeerd resultaat bereiken.

Ik denk dat het toch wel nodig is dat we hierover een uitgebreider debat hebben. Waar gaan we heen met het Vlaams onderwijs? De bevolkingsaangroei en de capaciteitsproblemen zijn thema’s die ik graag aanhaal. We staan op een belangrijk kruispunt. Wat gaan we nu doen met het Vlaamse onderwijs? Gaan we daar een onderwijs van maken voor de overblijvende Vlamingen in Brussel, of gaan we ons heel bewust openstellen voor nieuwe bevolkingsgroepen? Dat heeft natuurlijk geweldige consequenties, maar ik denk dat we daar in alle openheid een debat over moeten hebben. Als u spreekt over Vlaamse ouders, wil ik erop wijzen dat er een heel grote groep is – waartoe ik zelf behoor – die bestaat uit een Vlaamse ouder met een Franstalige echtgenoot. Dat gebeurt hier vaak in Brussel.

Minister Pascal Smet : Ik heb het niet over Vlaamse ouders, maar wel over Nederlandstalige ouders. Ik heb het woord Vlaams niet gebruikt. Er is een verschil.

De heer Luckas Van Der Taelen : Er zijn heel veel taalgemengde gezinnen.

Minister Pascal Smet : Natuurlijk, maar een van de twee moet Nederlands spreken.

De heer Luckas Van Der Taelen : Ja, dat is al een onderdeel van debat.

Minister Pascal Smet : Om onder de definitie van Nederlandstalige ouder te kunnen vallen is het belangrijk dat een van de twee Nederlands spreekt. Dat wil ik zeggen.

De heer Luckas Van Der Taelen : Hoeveel Vlamingen in Brussel die heel slecht Frans spraken, hebben vroeger hun kinderen niet naar een Franstalige school gestuurd? Dat is een van de fundamentele mechanismen geweest van de verfransing. Ik wil hier helemaal geen pleidooi houden voor een vervlaamsing. Maar ik ken heel veel Franstaligen die Nederlands­onkundig zijn – ik vrees dat dit niet direct een uitstervende soort is –, maar die hun kind niet zo gehandicapt willen opvoeden en het graag tweetalig zien worden. Als we aan die mensen zeggen dat dit niet kan, missen we wel een historische kans. Ik weet dat het een debat is en dat het geld gaat kosten. Ik zeg niet dat we de knop moeten terugdraaien. Dat kan niet, maar ik zou het toch wel heel spijtig vinden als we die mensen zouden afwijzen. Het is een mentaliteit die de laatste jaren bij veel Franstaligen is gegroeid. Als we daar niet op inspelen, zouden we heel stom zijn. We moeten dat debat vandaag niet voeren, maar graag morgen als het kan.

De voorzitter : Op 25 februari is er vergadering van de gemeenschappelijke commissie. We hopen op massale aanwezigheid, ook van deze commissie. We rekenen erop dat u er ook bij bent.

Mevrouw Michiels heeft het woord.

Mevrouw An Michiels : Minister, u zegt dat de ordeningscriteria pas een rol spelen als er meer aanmeldingen zijn dan plaatsen. We weten allemaal dat dit in het verleden voor een heel aantal scholen wel degelijk het geval was, als we kijken naar de kamperende ouders.

Minister Pascal Smet : Het gaat om een beperkt aantal scholen.

Mevrouw An Michiels : Toch wel een aantal in Brussel. Het speelde een rol in het verleden en het zal nu wellicht ook een rol spelen, wellicht voor dezelfde scholen. Gelet op de huidige problematiek in het basisonderwijs veronderstel ik dat u er momenteel nog geen zicht op hebt of die criteria beslissend zijn geweest of niet. Ik hoop dat u dat toch wel gaat evalueren. Ik heb u horen zeggen dat u overweegt om deze zaak sneller te evalueren dan voorzien was. Dat vind ik een heel goede zaak. U hebt me al gezegd dat ik houd van evaluaties, hier dus ook. Ik zou dit dan ook heel snel zien gebeuren zodat de ouders in Brussel tegen volgend jaar weten waar ze aan toe zijn.

U pleit ervoor dat alle Nederlandstalige kinderen toch wel een plaats moeten vinden in de school van hun keuze. Ik knoop dat heel goed in mijn oren. Misschien ben ik daar iets te optimistisch over. Ik meen toch wel een opening te zien, in tegenstelling tot uw voorganger die daar absoluut niet in meeging, naar een grotere – misschien wel absolute – voorrang voor Nederlandstalige kinderen in de Vlaamse scholen. Dat hoeft helemaal niet in tegenspraak te zijn met wat de heer Van Der Taelen daarnet vertelde. Het mag niet tot gevolg hebben dat we op die manier de deur sluiten voor de anderstalige kinderen. We moeten er wel over waken dat de Nederlandstalige kinderen toch zeker een plaats hebben in het Brussels onderwijs.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik kan me daar alleen maar akkoord mee verklaren. U weet dat ik een zeer kritisch oog heb en dat ik altijd zeer voorzichtig ben. Ik vind uiteraard ook – net als alle collega’s – dat de Nederlandstalige kinderen zich moeten kunnen inschrijven in een Nederlandstalige school als ze dat zelf wensen. Dat spreekt voor zich.

Daarnet zei u dat u me goed verstaan had, maar dan begon u toch weer over indrukken.

Minister Pascal Smet : Ik wou vriendelijk zijn voor u. (Gelach)

Mevrouw Ann Brusseel : Ik hoed me voor de dag dat u beslist onvriendelijk tegen mij te zijn.

Het is interessant dat u uitlegt hoe dit alles is ontstaan, maar om het straf uit te drukken – en het is uiteraard zo niet bedoeld – interesseert het me niet wie de zwartepiet heeft. Echt niet. U kunt zeggen: het was de VGC, het was die of het was die. Dat interesseert mij niet. Er is een probleem dat wordt aangekaart door twee collega’s. Ik uit ook mijn bezorgdheid: er is een probleem en het probleem moet worden opgelost.

Het probleem is niet zo eenvoudig. Er zijn verschillende taalgroepen. Er zijn een beperkt aantal plaatsen, niet alleen in het onderwijs, maar ook in de kinderopvang. Het is dus een redelijk complex probleem. Al wat ik uit de grond van mijn hart vraag, is dat u ten volle uw medewerking zou verlenen aan de oplossing van het probleem en dat u de criteria die in het verleden zijn vastgelegd, met een zeer kritisch oog zou evalueren. Dat is wat ik eigenlijk vraag.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Voorzitter, ik heb nog een drietal slotbedenkingen. Ik denk dat het debat van vandaag van het grootste belang is. Ik denk ook dat Nederlandstalige ouders – maar ook anderstalige ouders – in Brussel zeker naar ons kijken, naar hun vertegenwoordigers in het Vlaams Parlement. Ze verwachten ideeën en initiatieven van ons. We mogen ons niet vergissen: mensen verhuizen niet zo gemakkelijk, maar als het gaat over het welzijn en het onderwijs van hun kinderen, dan verhuizen ze wel. Als het dus gaat over de Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel – waar we toch met z’n allen voor gaan en voor blijven gaan –, dan bevindt dit debat zich in het centrum van onze bekommernissen.

Voor alle duidelijkheid – en ik kijk even naar de collega’s van Open Vld en Groen! –: het Nederlandstalig onderwijs in Brussel heeft maar één optie en één toekomst: een open onderwijs zijn voor anderstaligen. Laat me het zo stellen: ofwel zal ons onderwijs in Brussel open zijn, ofwel zal het niet meer zijn. Het is een van de twee. Waarom zeg ik dat? Omdat het aantal Nederlandstaligen in Brussel vandaag veel te laag is, gezien het aantal Nederlands­talige scholen in onze hoofdstad. Die tendens zie ik de komende jaren niet omkeren. Ik voeg er een positief punt aan toe, namelijk dat de aanwezigheid van anderstalige kinderen in ons onderwijs ook een verrijking vormt voor ons onderwijs en voor de Nederlandstalige kinderen in dat onderwijs. De openheid, waar ik absoluut achtersta, is geen noodgedwongen openheid. Het is een openheid waarvan ik denk dat ze ten goede zal komen aan iedereen die in die scholen zit.

Ik herhaal nog even wat ik daarstraks heb gezegd: ik weiger te discussiëren over een vals debat, met valse tegenstellingen. We zitten in Brussel in een carcan. We zitten vast. We zitten vast aan een aantal regels van het GOK-decreet. We zitten vast aan een reglement dat is goedgekeurd in het LOP. Daardoor dreigen we te discussiëren over twee groepen die wat tegenover elkaar zouden worden gezet en die allebei onze uiterste aandacht en belangstelling verdienen, namelijk Nederlandstalige kinderen die – wat ook de reden is – in een anderstalige crèche terechtkomen en anderstalige kinderen die op vroege leeftijd in een Nederlandstalig circuit worden gestuurd. Ik wil niet debatteren over deze twee groepen en ze in een tegenstelling tegenover elkaar plaatsen. Dat is absurd. Ik weiger om die discussie aan te gaan binnen het carcan waarin we vandaag zitten. Dat heeft geen enkele zin. Ik ben blij als er zich Nederlandstalige kinderen aanbieden voor de Nederlandstalige scholen. Ik ben ook blij als anderstalige kinderen vanaf zeer jonge leeftijd, in het Nederlandstalig circuit terechtkomen. Ik vind dat ze die weg moeten voortzetten.

Een keuze voor die twee groepen, is geen bekrompen of gesloten keuze. Er zijn daarnaast nog duizenden plaatsen over voor anderstalige kinderen die niet zeer jong in het Nederlandstalig circuit stappen. Ik kan het niet genoeg herhalen: ook die anderstalige kinderen blijven welkom in ons onderwijs, en ze zijn er een verrijking voor.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Mevrouw Brusseel, ik ben al blij dat u geen zwartepiet wilt toekennen, want ik wou het ook niet doen. Het is wel belangrijk om te weten in welk kader je speelt. Het is wel heel essentieel om te weten waar je in zit. Als beleidsmaker moet je ook heel goed weten wat je kunt doen en wat je niet kunt doen. Als je weet dat dit een beslissing is van het LOP dat zwaar is ondersteund door de lokale overheid, de VGC, in Brussel, dan is het nu aan hen om die problemen op te lossen. Ik hoop dat ze ze ook goed oplossen. Voor ze van start zijn gegaan, heb ik heel duidelijk aan het LOP en de VGC gevraagd of ze wisten wat ze aan het doen waren. Het is heel duidelijk gecommuniceerd. Ze hebben gezegd dat ze wisten wat ze deden. Ik stel vast dat er problemen zijn. Ik stel ook vast dat die problemen in Brussel veel groter zijn dan in Antwerpen of in Gent, waar er helemaal geen problemen zijn. Dat moeten we ook mee evalueren.

Wat ik vandaag duidelijk heb gecommuniceerd, is dat we de globale evaluatie, die in mijn beleidsnota staat, ook zullen doen, maar dat we momenteel onderzoeken of het geëxperimenteer niet beter in een ander kader kan in het belang van kinderen en ouders. In Brussel is het toch wel heel problematisch verlopen.

De voorzitter : Het incident is gesloten.

Tussenkomst VOU 948 W. Segers & VOU 998 L. Van Der Taelen – inschrijving in Nederlandstalige basisscholen Brussel