Visienota decreet Kinderopvang: vergeet Brussel niet!

II. VRAGEN VAN DE LEDEN

II. VRAGEN VAN DE LEDEN

Mevrouw Ann Brusseel zegt dat de visienota niet genoeg zegt over Brussel, ondanks zijn specifieke situatie. Belangrijke vaststelling is dat Brussel de Barcelonanorm niet haalt voor de Nederlandstalige kinderen. Als bovendien rekening wordt gehouden met de Brusselnorm, die overgenomen wordt in het regeerakkoord, zijn 5000 extra plaatsen nodig. Op zich maakt het voor de spreekster niet uit welk politiek niveau ervoor zorgt dat er voldoende aanbod wordt gecreëerd. Mochten de Franstalige crèches die aangesloten zijn bij Kind en Gezin wegvallen door gewijzigde vergunningsvoorwaarden zoals een taalvereiste voor de begeleiders, vallen nog eens 2900 vergunningen weg. De spreekster vraagt of de minister al overlegd heeft met bevoegd VGC-collegelid, mevrouw Grouwels.

Mevrouw Ann Brusseel wijst er nog op dat van veel kinderen uit gezinnen van nieuwe Belgen moeilijk te zeggen valt of ze voldoende Nederlands, Frans of om het even welke taal beheersen. Hoe belangrijk de kennis van de Nederlandse taal ook is in Nederlandstalige crèches, toch mag men zich in een stad als Brussel niet blindstaren op het taalcriterium. En dat geldt stilaan ook in Gent en Antwerpen.

Het LOP van het Nederlandstalige onderwijs in Brussel hanteert als voorrangscriterium bij inschrijving in de kleuterschool onder meer de duur van het bezoek aan een Nederlandstalige crèche, wat niet redelijk is als er Nederlandstalige plaatsen tekort zijn. De spreekster vraagt naar de mening van de minister. De Vlaamse minister van Onderwijs zegt dat hij niets kan veranderen aan een autonome beslissing van het LOP. Geen enkele
Brusselse burger is gebaat bij dat soort taalbureaucratie. De stadsvlucht wordt er nog meer door bevorderd, meent het lid. Zij wijst op het belang van jonge, werkende ouders voor het sociale weefsel van grootsteden, en dringt aan op een snelle aanpak van de behoefte aan kinderopvang.

Tot slot merkt zij op dat kwetsbare gezinnen zoals alleenstaande ouders meer behoefte hebben aan gesubsidieerde opvang en die is net in steden als Brussel het laagst. Zij betreurt nog dat in de visienota niets staat over het aanmoedigen van bedrijven om kinderopvang te organiseren. De overheidsdiensten zouden alvast het voorbeeld kunnen geven.

III. ANTWOORD VAN DE MINISTER

De minister begrijpt de Brusselanalyse van mevrouw Brusseel zeer goed, maar bekent dat de Vlaamse Regering nog niet duidelijk ziet welke kant zij op wil. Misschien zal in de definitieve versie aparte aandacht voor het multiculturele en meertalige Brussel nodig zijn. In 2010 komen er alvast 60 plaatsen bij in de hoofdstad. Op welke manier de problemen die voortkomen uit de toepassing van de Barcelona- op de Brusselnorm, moeten opgelost worden, kan hij nog geen antwoord geven.
Minister Jo Vandeurzen bevestigt dat hij al uitvoerig met mevrouw Grouwels sprak. Zij heeft hem gevraagd om kinderopvanginitiatieven van lokale besturen te steunen. Hij probeert samen met haar een traject op te stellen.

IV. REPLIEK VAN DE LEDEN

Mevrouw Ann Brusseel is blij dat de minister haar overwegingen over Brussel meeneemt. Zij onderstreept dat het regeerakkoord duidelijk is over de keuze voor de Brusselnorm. Zij ontkent het belang van het Nederlands als omgangstaal in de crèche niet. Net daarom is het belangrijk dat kinderen tijdig in een crèche terechtkunnen en niet uit de boot vallen door kansarmoede of omdat men thuis een andere taal spreekt dan Frans of Nederlands.

Haar aanklacht gold uitsluitend het bureaucratische effect, waarbij de taalregels zelf centraal staan in de plaats van de vraag van ouders en hun kinderen. Zij pleit voor voorzichtigheid met de taaleisen die men stelt aan verzorgers. Zij moeten in verhouding staan tot hun werk.

Verslag gedachtewisseling over de Visienota decreet Kinderopvang – stuk 600 (2009-2010) – Nr. 1

Dossierverloop