Visie op Armoede

Aanpakken van armoede: wat doet de overheid en wat kan ze beter doen?

Aanpakken van armoede: wat doet de overheid en wat kan ze beter doen?

Armoedebestrijding gebeurt vanuit alle overheidsdepartementen (horizontaal) en in dialoog met de armen zelf, via het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen. Ervaringsdeskundigen worden ingezet om initiatieven en adviezen te formuleren met betrekking tot het beleid van elk departement en agentschap (verticaal). Dat zijn positieve stappen die gezet zijn binnen de Vlaamse overheid waardoor het fenomeen armoede en zijn tentakels voor elk van de verschillende beleidsdomeinen geleidelijk aan in kaart is kunnen gebracht worden.

Waar we echter veel minder zicht op hebben is het reële effect van de armoedebestrijdingsmaatregelen van de overheden. We kunnen namelijk geen daadkrachtig armoedebestrijdingsbeleid voeren, wanneer we geen of onvoldoende zicht hebben op de resultaten van dat beleid. Er zijn aandachtsambtenaren in departementen en agentschappen en we nemen ervaringsdeskundigen in dienst, maar werd al geëvalueerd wat dit heeft opgeleverd in de praktijk? Welke maatregelen werpen vruchten af, welke niet? Bij wie werken welke strategieën? Hoe geraken mensen in de armoede en geraken ze er ook opnieuw uit? En op welke manier dan? Is het gevoerde beleid doelmatig?

Meten is weten. Vele jaren na het eerste armoederapport zijn we toe aan het geven van een antwoord op die vragen. Het zou dus goed zijn om ook de effecten en resultaten te gaan meten van het gevoerde beleid en de genomen initiatieven. Het beginpunt van een goed armoedebestrijdingsbeleid bestaat dan ook uit het uitwerken van meetinstrumenten die op basis van objectieve parameters de effectiviteit van de beleidsmaatregelen kunnen meten en dus ook kunnen bijsturen.

Daarbij moet men beseffen dat armoede zich niet laat vatten in één facet. Armoede heeft vele gezichten en manifesteert zich in verschillende bevolkingsgroepen op verschillende manieren. Een maatregel die werkt voor de ene doelgroep kan niet werken voor de andere. Men moet de kritische factoren in beeld brengen die maken dat iets voor een bepaalde groep werkt of niet werkt. Eén maatregel zal nooit effectief zijn voor iedereen.

Denken we maar aan de kindarmoede en generatiearmoede. We weten dat als kinderen opgroeien in een gezin in armoede, dat ook meestal een hypotheek legt op hun eigen toekomstkansen. We zien dat zij ook dikwijls in de armoede belanden éénmaal ze als volwassenen op eigen benen moeten staan. Dat geldt zeker voor éénoudergezinnen, die voor de oplopende kosten van kinderopvang, onderwijs, energie en levensonderhoud niet langer rond komen met hun maandinkomen.

Maar meer en meer zien we ook gezinnen met modale inkomens uit de middenklasse terechtkomen in financiële problemen. Schulden stapelen zich op en kunnen uiteindelijk niet meer afbetaald worden. Er is ook de toenemende armoedeproblematiek bij ouderen die vereenzaamd thuis achterblijven of de armoede bij vele zelfstandigen die na een faling van hun zaak met een schuldenberg achterblijven. Ook de plattelandsarmoede wordt dikwijls vergeten.

Het is duidelijk dat een cruciale rol zal weggelegd blijven voor de OCMW’s die via de mogelijkheden van budgetbeheer, schuldbemiddeling en collectieve schuldenregeling financiële en menselijke drama’s moeten voorkomen, maar ook moeten remediëren. Het moet immers ook de bedoeling zijn om mensen, vooral jongeren, te responsabiliseren in het beheer van hun financiën. De OCMW’s moeten dan ook voldoende ondersteuning krijgen om deze taken op zich te kunnen blijven nemen.

Armoede schaadt de gezondheid en het welzijn.

Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die in armoede leven ook meer gezondheidsproblemen ervaren. Men kan bepaalde medische behandelingen, consultaties of medicatie niet langer betalen, waardoor de gezondheidsproblemen uiteindelijk alleen maar toenemen en veel problematischer worden. Vandaag zijn mensen in armoede ook dikwijls het minst geïnformeerd over hoe zij hun gezondheid kunnen op peil houden. Gezondheidsboodschappen bereiken in mindere mate of soms zelfs helemaal niet deze doelgroep (maar ook andere groepen zoals éénoudergezinnen, ouderen, personen met een handicap of mensen van allochtone herkomst).

Het is dan ook van groot belang om de preventieve gezondheidszorg voor mensen in armoede te verbeteren. In eerste instantie kunnen specifieke communicatiekanalen en –methodes ontwikkeld worden om gezondheidsboodschappen veel beter mensen in armoede te laten bereiken. In tweede instantie moet de participatiegraad van mensen in armoede aan de preventieve gezondheidsprogramma’s verhoogd worden. Denken we maar aan screenings en vaccinaties die zij dikwijls mislopen omdat ze er niet van op de hoogte zijn. Hoe kunnen we de gezondheidsdoelstellingen zoals gezond eten en voldoende bewegen ook behalen in deze doelgroep? Op deze punten is nog veel werk aan de winkel.

Ook moeten we in kaart brengen welke factoren ertoe leiden dat mensen die voorzieningen voor bijzondere jeugdzorg, voor personen met een handicap of voor geestelijke gezondheidszorg verlaten (als ze er uiteindelijk ooit al een plaats hebben kunnen bekomen), vervolgens in de thuisloosheid belanden. Het komt erop neer om via voldoende nazorg te vermijden dat de persoon (opnieuw) terecht komt in de thuisloosheid en armoede en hervalt in zijn problemen waardoor de maatschappelijke kost alleen maar groter wordt.


Armoede wordt nog te vaak doorgegeven van generatie op generatie. Alleen goed onderwijs kan de negatieve spiraal doorbreken.

Vóór de democratisering van het onderwijs lag de toekomst van elk kind al vast bij de geboorte. Wie in de lagere sociale klasse geboren werd, stierf ook arm. Wie geen goed onderwijs geniet, kan nooit echte vrije keuzes maken in het leven als volwassene. Onderwijs kan en moet alle kinderen kosteloos de kansen en instrumenten geven om hun leven op te bouwen. In België en de meeste EU-landen slaagt het onderwijs vrij goed in haar emancipatieopdracht. De Vlaamse Gemeenschap werkte de voorbije jaren ook aan een Gelijke Kansenbeleid. Maar het kan beter.

Nog teveel kinderen, vooral in de stedelijke centra, verlaten de school zonder diploma. Statistieken van de Vlaamse overheid tonen aan dat leerachterstand onvoldoende wordt ingehaald, dit wil zeggen dat veel kinderen die vanaf de lagere school leerproblemen hebben, niet de juiste begeleiding of zelfs geen hulp krijgen. Het betreft dikwijls leerlingen uit een kansarm milieu waar de ouders niet over de financiële middelen beschikken om hun kinderen extra privélessen te geven of die in het slechtste geval niet veel geven om de schoolresultaten van hun kroost. De overheid heeft echter de morele plicht voor een remedie te zorgen, zodat alle kinderen dezelfde startkansen krijgen.
Een eerste stap voor het creëren van gelijke startkansen is de verlaging van de leerplicht. De kleuterklas is een essentiële stap in het leerproces, omwille van de talrijke vaardigheden die de peuters en kleuters er opdoen, niet in het minst op vlak van taal. Daar wordt dus de basis gelegd voor een succesvolle lagere schoolcarrière, zeker voor kinderen die thuis te weinig intellectuele en communicatieve stimuli kennen. Helaas gaan arme kinderen minder vroeg en minder frequent naar de kleuterklas dan kinderen uit de middenklasse. Dit probleem moet dringend aangepakt worden. Zowel op de basisschool als op het middelbaar moeten kinderen met leerproblemen kunnen rekenen op kosteloze huiswerkbegeleiding en bijlessen.

Alle activiteiten die in schoolverband georganiseerd worden, moeten toegankelijk zijn voor alle kinderen, ook deze uit arme gezinnen. De invoering van de maximumfactuur was een nobele poging om aan dit probleem tegemoet te komen, maar de maatregel dient verfijnd te worden. Er moet een beleid op maat van de leerlingen komen, zodat een waaier aan interessante pedagogische activiteiten betaalbaar blijft voor de school en de ouders. Om sport en recreatie toegankelijk te maken voor alle kinderen, moet de overheid de nodige middelen vrijmaken. Elk kind heeft immers recht op ontspanning en voldoende lichaamsbeweging.
 

Armoede bestrijden betekent perspectief bieden. Een job is de beste garantie tegen armoede. Een job biedt opnieuw toekomstperspectief.

Werk is hét middel tot zelfontplooiing, om zich los te maken van armoede. Daartoe is een nieuwe organisatie van onze arbeidsmarkt nodig en moet de werknemer met de hulp van de overheid én de vakbonden (die prioritair moeten bijdragen om werklozen en (her-)intreders op de arbeidsmarkt zo snel mogelijk te helpen activeren), zijn lot in handen nemen, aan zijn competenties werken en meer mobiel worden op de arbeidsmarkt. Wie zijn job verliest moet zo snel mogelijk aan een nieuwe job worden geholpen.

De werkloosheidsverzekering moet worden omgevormd tot een activerend instrument. Wie werkloos wordt, moet onmiddellijk via outplacement naar een job begeleid worden. Tijdelijk werklozen moeten extra vorming krijgen om gewapend te zijn mocht het alsnog fout lopen. De resterende financiële en niet-financiële armoede- en werkloosheidsvallen moeten worden weggewerkt, onder andere via voldoende en betaalbare huishoudelijke hulp en kinderopvang.

Bijzondere aandacht moet gaan naar kansengroepen, zoals ouderen, allochtonen, mensen met een arbeidshandicap, maar ook gefailleerde zelfstandigen. Die gefailleerde zelfstandigen willen we onmiddellijk het statuut van leefloner toekennen, ook als ze geen recht hebben op uitkering als leefloner, zodat ze gevat kunnen worden voor opleiding en arbeidsbemiddeling, en in aanmerking komen voor de activeringsmaatregelen om weer aan de slag te gaan, maar dan als werknemer.

Ook gezonde mensen die tijdens hun loopbaan een blijvende handicap oplopen door een arbeidsongeval, worden vandaag geconfronteerd met een ‘alles-of-niets’-verhaal. Zij moeten mogelijkheden tot (graduele) herintreding krijgen en toegeleid worden naar een aangepaste job. Trajectbegeleidingen en tewerkstellingsmaatregelen moeten ook openstaan voor leefloners en herintreders. De VDAB en de OCMW’s moeten actief samenwerken om te voorkomen dat leefloners na een activering in de werkloosheidsverzekering terecht komen zonder perspectief op een nieuwe job. Voor niet-toeleidbare werknemers die mislukken in een poging om aan de slag te gaan, moet een alternatief worden gezocht, bijvoorbeeld in het kader van de sociale economie, zodat ze niet veroordeeld worden tot het OCMW.

Jobs met maatschappelijk nut, in buurt- of nabijheidsdiensten, eventueel zelfs vooraf gegaan door een tijdelijke, welomschreven inloop via vrijwilligerswerk, moeten de competenties van kortgeschoolden en langdurig werkzoekenden verbeteren zodat ze kunnen doorstromen naar een nieuwe, reguliere job. Ze moeten hierbij een beroep kunnen doen op de juiste begeleiding op hun maat. Het systeem van dienstencheques biedt een enorm potentieel aan jobkansen voor kortgeschoolden. Daarom bepleiten we, in plaats van de PWA’s, voor de uitbreiding van het stelsel naar klusjes en klein tuinonderhoud, evenals een passende begeleiding en vorming van de dienstenchequewerknemers.

Ondanks de vele werklozen blijft een groot aantal vacatures hardnekkig openstaan. Er is nood aan een meerjarenplan voor de aanpak van knelpuntberoepen via het activeren van onze eigen arbeidsreserve, interregionale mobiliteit en economische migratie. Vooral voor armen liggen hier kansen op een duurzame job, maar ook op vorming én een bovengemiddeld loon. Schaarse werknemers worden nu eenmaal beter betaald.


Vera Van der Borght
Ann Brusseel