Uit de kast in de klas

Vorige week laaiden de reacties hoog op toen bleek dat het Brussels stadsonderwijs een redelijk achterlijke pedagogische kijk heeft op homoseksualiteit. Onder het mom van neutraliteit werd een kandidaat-leerkracht door de schooldirectie verzocht om in zijn functie toch maar niet ‘uit de kast’ te komen. In alle kranten doken opiniestukken op: over het onderscheid tussen levensbeschouwelijke neutraliteit en je seksuele identiteit, over de noodzaak om open te zijn over geaardheid op school, over de belangrijke rol van het onderwijs in een zeer diverse maatschappij. Elk artikel kon gelezen worden als een strenge vingerwijzing aan het adres van de directie en de inrichtende macht, in het bijzonder aan Charles Huygens en de politiek verantwoordelijken van de stad Brussel. Iedereen was het erover eens dat het Brussels onderwijs de bal wel heel erg misslaat en dat om het even welke vorm van homohaat omwille van religieuze overtuigingen niet mag getolereerd worden.

Nu, dat was vorige week. Deze week was er ander nieuws. Volgende week start het schooljaar en weldra raakt het ‘zomernieuws’ stilaan door de vallende bladeren bedekt. Het incident met het Brussels onderwijs dreigt er eentje in de rij van vele te worden. Het zal dus zaak zijn dit thema hoog op de agenda te houden deze herfst. Niet dat er nog niets ondernomen werd de voorbije jaren, integendeel. Bij elk incident wordt een stap verder gezet, worden initiatieven gelanceerd. Maar ondanks de talrijke acties en een publieke opinie die sterk evolueert, is homofobie in Brussel en daarbuiten nog een gigantisch probleem, niet in het minst op school. Denk maar aan de ontluisterende getuigenissen van holebi-jongeren over hun coming-out, hun angst voor pesterijen. Daarom moet deze discussie over het Brussels debacle wat mij betreft voor de definitieve etappe zorgen in een volwassen aanpak van de thema’s seksuele geaardheid, relaties en seksualiteit in ons onderwijs. Met andere woorden, het is tijd voor een integrale en vooral sluitende aanpak. Gedaan met het geklungel voor de klas.

We hebben lang geleden van overheidswege eindtermen en ontwikkelingsdoelen uitgevaardigd die correcte en tolerante lessen over de thema’s seksualiteit en relaties opleggen aan scholen. Er zijn ondertussen lesmappen en veelzijdig didactisch materiaal ontworpen, zowel over eerder technische aspecten van seksualiteit, als over relationele aspecten. Daarin wordt ook aandacht geschonken aan seksuele geaardheid. De leerkrachten kunnen alle mogelijke ondersteuning krijgen van instanties zoals Sensoa, Jong & Van Zin en de organisatie çavaria. Ook op de site van Klasse vindt men tonnen tips en informatie. Hoewel de eindtermen afdwingbaar zijn en al lang de nodige resultaten hadden moeten opleveren, werd de vorige onderwijsminister aangepord bijkomende maatregelen te treffen. Zo ondertekenden alle onderwijsactoren in oktober 2012 een bijkomende gemeenschappelijke verklaring voor genderbewust en holebivriendelijk onderwijs, waarin duidelijk te lezen staat dat actief werken aan openheid en verdraagzaamheid hoogdringend is en de plicht van elke school. Smet maakte de middelen vrij voor bijkomend onderzoek en voor de ontwikkeling van lesmateriaal. Ook voormalig Brussels staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Bruno De Lille, liet een grondige studie uitvoeren, getiteld ‘Beyond the box’.

Je zou denken dat dit pakket aan maatregelen volstaat. Uit een onderzoek van het tijdschrift Klasse (2013), blijkt echter dat veel ouders vinden dat de school tekort schiet op vlak van seksuele en vooral relationele opvoeding. De voorbije jaren doken getuigenissen op van ouders wiens kinderen op school seksuele opvoeding kregen van de rondtrekkende vrijwilligers die zichzelf ‘Het wonder van leven’ noemen. Niet alleen bevat hun discours gevaarlijke desinformatie (‘voorbehoedsmiddelen helpen niet’), bovendien zijn ze vreselijk homofoob. Helaas hebben veel onderwijzers schroom om over seksualiteit en liefde te praten met de leerlingen en daarom nodigen sommigen liever de (gratis) fanatiekelingen van de Pro Vita-beweging uit om de bewuste les te geven. Daarna kunnen ze dat onderwerp rustig als ‘behandeld’ beschouwen en doorgaan met de ‘echte’ lessen. Een gemiste kans.

Om die redenen moeten we nauwer toezien op de realisatie van de genderverklaring. We moeten kordaat optreden tegen onderwijsverstrekkers die het holebiplan en de verschillende concrete eindtermen aan hun laars lappen, uit conservatisme of door een gebrek aan moed. Wat Charles Huygens verder blijft eisen van (kandidaat-)leerkrachten in Brussel is onaanvaardbaar. Die man moet uit zijn functie ontzet worden. Voorts is het de rol van de onderwijsinspectie erop toe te zien dat alle eindtermen gehaald worden, niet alleen deze die nodig zijn om ooit burgerlijk ingenieur te kunnen worden. Leerkrachten die het thema seksualiteit en relaties voor de klas brengen, moeten voorbereid zijn op vragen van kinderen en jongeren. Daarom moet de lerarenopleiding aandacht besteden aan dit thema. Wie al voor de klas staat en het echt niet ziet zitten, kan zich bijscholen. Moeilijk is het allemaal niet, het vergt alleen een beetje moed, van de directeur en de leerkrachten. Moed om los te komen van stereotypen en vooroordelen en moed om je leerlingen te leren nadenken en eerbied te hebben voor de mensen rondom hen. Moed om werk te maken van verdraagzaamheid. 

Deze column verscheen op de ZiZo website.