Tweede fase inschrijvingsprocedure in Brusselse scholen

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de tweede fase van de inschrijvings­procedure in Brussel

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de tweede fase van de inschrijvings­procedure in Brussel

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Voorzitter, minister, dames en heren, de huidige inschrijvingsprocedure voor Nederlandstalige scholen in Brussel bestaat uit twee stappen. Eerst konden ouders hun kinderen online aanmelden voor het basis- en secundair onderwijs in Brussel. Deze ouders kregen enkele weken de tijd om hun kinderen op een website aan te melden. Ze gaven de school van hun voorkeur op. Als een school meer aanmeldingen krijgt dan ze plaatsen heeft, bepaalt een rangorde op basis van ordeningscriteria welke leerlingen worden ingeschreven.

Eind februari – na enkele malen uitstel – kregen de ouders het nieuws in welke school ze zich mochten aanmelden voor de inschrijving van hun kind. Na een intakegesprek met de directeur, zou die beslissen of het kind al dan niet ingeschreven wordt, of de aanmelding kan uitmonden in een inschrijving. De directeur krijgt dus de verantwoordelijkheid over het al dan niet correct zijn van een aantal in het onlinesysteem ingebrachte gegevens, op het vlak van het gebruik van de talen.

Tot nog toe waren de directeurs met handen en voeten gebonden aan de verklaringen op eer en het principe ‘eerst komt, eerst maalt’. Een ouder kon zich bij de directeur aanmelden en meedelen dat hij of zij met het betrokken kind Nederlands sprak. De directeur moest dat noteren, hij had geen interpretatiemarge, zelfs al had hij of zij zware twijfels over de oprechtheid van de verklaringen van de betrokken ouders. We hebben het al heel lang moeilijk met dat systeem. Met de huidige aanmeldingsprocedure verlaat men dat systeem. Men rekent op het oordeelvermogen van de directeurs om de ouders die foutief hebben verklaard dat ze met hun kind Nederlands praten, eruit te halen.

Ik heb de voorbije tijd een grote ongerustheid en bezorgdheid opgevangen van directeurs die ouders, die gedurende vele weken onterecht dachten dat hun kind welkom zou zijn in de betrokken school op grond van onjuiste informatie, alsnog zullen moeten weigeren. Sommige directeurs vrezen agressieve conflicten met afgewezen ouders. Enkelen vrezen zelfs voor hun fysieke integriteit. Vele ouders van aangemelde kinderen gaan er immers verkeerdelijk van uit dat de inschrijving zelf nog slechts een formaliteit zal zijn.

Minister, ik haal dit punt aan omdat heel wat ouders van Nederlandstalige kinderen op dit punt van de procedure enige hoop stellen. Hun geweigerd kind zou inderdaad alsnog in een school kunnen worden ingeschreven, indien de directeur van de betrokken school plaatsen vrijmaakt door ouders die zich onterecht als Nederlandstalig hadden opgegeven, te weigeren.

In de nasleep van de aanmeldingsprocedure kwamen er berichten dat vele honderden kinderen die zich hadden aangemeld op de website, geen school toegewezen hadden gekregen. Tijdens de plenaire vergadering van 24 februari hebben we hierover uitgebreid gedebatteerd, maar u kon toen nog geen antwoord geven op mijn vraag hoeveel van die leerlingen als Nederlandstaligen in het onlinesysteem werden aangevinkt. In deze discussie is dit fundamenteel. Het onderwijssysteem in Brussel is heel open. We ontvangen er heel veel anderstalige kinderen. Toch moeten Nederlandstalige kinderen in de Nederlandstalige scholen in Brussel het eerste doelpubliek blijven. Ik had cijfers opgevraagd, maar u had die toen nog niet. Ik had ook tevergeefs gevraagd naar de aanmeldingen van de andere voorrangsgroepen, waaronder de kinderen uit kansarme gezinnen.

Minister, hebt u ook berichten opgevangen van ongeruste directeurs die kinderen alsnog zouden moeten weigeren omwille van foutieve verklaringen op eer? Worden deze directeurs bijgestaan? Hebben de directeurs bepaalde richtlijnen gekregen? Wordt hieraan gewerkt?

Ik heb het belang hiervan aangetoond. Heel wat ouders hopen dat er toch nog plaatsen vrijkomen via dat systeem voor hun kind. Op zich juich ik de autonomie toe, maar ik betreur sterk dat ze slechts zo laat in de hele procedure een plaats krijgt. Dat is een beslissing van het LOP, dat weet ik, maar in hoeverre druist deze aan directeurs toegekende autonomie in tegen het starre inschrijvingsluik van het GOK-decreet, waarbij directeurs elke interpretatiemarge kwijtspeelden?

Minister, het totale aantal aanmeldingen heb ik ondertussen gevonden op de website, maar kunt u de aanmeldingen specificeren naar de verschillende voorrangsgroepen? Hoeveel aanmeldingen betreffen kinderen die als Nederlandstalig werden opgegeven, hoeveel aanmeldingen betreffen kinderen die als kansarm werden opgegeven enzovoort? Hoeveel aangemelde kinderen hebben nog geen plaats toegewezen gekregen? Kunt u dit eveneens specificeren volgens de verschillende voorrangsgroepen?

De voorzitter : Mevrouw Michiels heeft het woord.

Mevrouw An Michiels : Voorzitter, minister, collega’s, ik wil me aansluiten bij de zeer terechte vragen van de heer Delva. Over de verklaring op eer is al veel gesproken in deze commissie, en zeker over het probleem van het Brussels inschrijvingsbeleid. Als we het hebben over de verklaring op eer, wordt daar bijna automatisch fraude aan gekoppeld. Vroeger had een directeur geen mogelijkheid om daartegen iets te ondernemen. Minister, ook uw voorganger heeft al herhaalde malen gesteld dat hij daar geen sluitende oplossing voor had. Het nu aan de directeurs overlaten om hiervoor een oplossing te vinden, is heel creatief, maar of dat de problemen uit de wereld helpt, is hoogst twijfelachtig.

Minister, nu we de problemen kennen en iedereen die erkent, wordt er verder nagedacht over een manier om dit probleem aan te pakken en sluitend op te lossen? Indien wel, hoever staat het daarmee?

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Er zijn me tot vandaag nog geen berichten gemeld van ongeruste directies over het weigeren omwille van een foutieve verklaring op eer, toch niet rechtstreeks aan mij of aan mijn kabinet. De directies worden bijgestaan door het LOP en hebben ook richtlijnen gekregen vanuit het LOP over de mogelijkheid tot weigering omwille van foutieve verklaringen.

Deze richtlijnen, die ook op de website www.inschrijveninbrussel.be zijn te vinden, zijn de volgende: “Binnen het LOP werd de afspraak gemaakt dat indien ouders hebben aangegeven dat het Nederlands een thuistaal is, hen wordt gevraagd dat de ouder die Nederlands spreekt aanwezig is tijdens de inschrijving. Indien de Nederlandskundige ouder dus niet aanwezig is tijdens het inschrijvingsgesprek, kan de directie besluiten de hen toegekende rangordening ongedaan te maken. Indien blijkt dat ouders incorrecte informatie hebben verschaft op basis waarvan zij een ordening hebben verworven, dan vervalt de toegekende ordening en worden de ouders gevraagd zich opnieuw aan te melden in de school zelf in mei.” Dit staat op de website van het LOP.

Omwille van inschrijvingsdruk lijken er meer misbruiken van verklaringen op eer op te duiken. Binnen het LOP Brussel is gekozen om op een pragmatische manier en via een marginale toets controle uit te voeren op de verklaringen op eer door bij de inschrijving de aanwezigheid van minstens één Nederlandstalige ouder te vragen.

Er is voorzien in de monitoring van de cijfers die u vraagt, binnen de evaluatieprocedure van het LOP Brussel. Hierover zijn momenteel nog onvoldoende cijfers beschikbaar, ik kan die dan ook niet geven. Als ik cijfers geef, wil ik over correcte, gevalideerde cijfers beschikken. Ik heb aan de LOP’s gevraagd mij deze gegevens zo snel mogelijk te bezorgen, ook al begrijp ik dat ze op dit moment eerst bezig zijn met het oplossen van de problemen en dan met het geven van de cijfers. Deze gegevens bevatten relevante informatie met het oog op een doelgericht beleid. Er is trouwens een permanente opvolging door een projectgroep en door de stuurgroep van de beide LOP’s.

Het is duidelijk dat we volop aan oplossingen aan het werken zijn. De verklaring op eer lijkt een probleem te zijn, toch wat de prioriteitsinvulling bepaalt van die 45 percent. We moeten naar een objectiveerbaar systeem evolueren dat de grondwettelijke en wettelijke toets kan doorstaan. We zijn volop aan het kijken wat wel en niet kan. Die opdracht heb ik aan mijn administratie gegeven. Zodra we daar zicht op hebben en de regering daarover een akkoord heeft, zullen we niet nalaten daarover te communiceren. Een zaak is duidelijk: we moeten de controlelast niet volledig bij de directeurs leggen, omdat dat ongewenste situaties kan geven. Ik deel uw bezorgdheid hierover. We moeten af van die verklaring op eer en een controleerbare en objectiveerbare regeling vinden.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Minister, ik werp u geen steen, maar ik begrijp geenszins waarom men van de enkele duizenden aanmeldingen – in IT-termen is dat minimaal – na weken nog altijd niet weet hoeveel er als Nederlandstalig zijn aangevinkt. Dat interesseert mij en het interesseert de ouders. Het feit dat het LOP geen cijfers beschikbaar heeft, versterkt de indruk van amateurisme en intransparantie van het LOP. Ouders begrijpen er niet veel meer van, en ik begrijp hen. Als men niet kan antwoorden op zulke evidente vragen – misschien wil men niet antwoorden, maar dan schort er ook iets – dan gaat dat mijn petje te boven en dat van veel ouders. Het versterkt het gevoel van onrust, onvrede, ongemak en onbegrip bij de betrokken ouders.

Minister, uw uitleg over de marginale toetsing met één Nederlandstalige ouder heb ik niet goed begrepen. Wil dat zeggen dat wanneer de directeur een ouder of ouderpaar ondervraagt, er een Nederlandstalige ouder bij moet zijn?

Minister Pascal Smet : Het LOP heeft afgesproken dat als iemand heeft aangeduid dat hij of zij Nederlands spreekt, een van de twee Nederlandstalige ouders bij het effectieve intakegesprek aanwezig moet zijn. Als die er niet is, kan de rangorde ongedaan worden gemaakt.

Ik ben heel vastberaden om ervoor te zorgen dat Nederlandstalige ouders hun kind in de buurt waar ze wonen, in een Nederlandstalige school kunnen inschrijven. Dat lijkt me de basisopdracht te zijn van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Het is totaal absurd dat we in een toestand zijn gekomen dat dit niet meer kan.

De heer Boudewijn Bouckaert : Dat is ook gebleken op die studiedag met de commissies.

De heer Paul Delva : Ik veronderstel dat de directeurs verklaringen die zijn aangevinkt in het systeem, kunnen nagaan, bijvoorbeeld de al dan niet aanwezigheid van broers en zussen. Ik hoor dat er ook foutieve verklaringen ingegeven zijn in dat systeem, waardoor men een belangrijke voorrang krijgt die gewoon vals is. Ik hoop dat directeurs dat kunnen nagaan bij de ouders, en als de ouders niet kunnen aantonen dat het betrokken kind een broer of zus heeft, dat dit uit de rangorde wordt genomen.

Minister, ik begrijp dat u een alternatief zoekt voor de verklaring op eer. We zoeken er met z’n allen al lang naar, ook ouders en directeurs. Ik begrijp dat u nog geen tip van de sluier wilt lichten. Misschien kan ik u een tip geven. Wat ouders en directeurs een interessant criterium vinden, is de taal van het diploma van de ouders. Dit kan een mogelijkheid zijn, hoewel niet de enige.

Ik begrijp dat u niet de volledige autonomie wilt geven aan de directeurs om te oordelen over bepaalde elementen, zoals het Nederlandstalige karakter enzovoort. Bepleit u in de toekomst een grotere autonomie dan vandaag het geval is in het GOK-decreet, met name: nul? Vandaag staat een directeur er voor spek en bonen bij. Nu ineens niet meer in Brussel omwille van de aanmeldingstoestand. Vindt u dat de directeur toch over een bepaalde autonomie moet kunnen beschikken om verklaringen van ouders na te gaan?

De voorzitter : Mijnheer Delva, u gaat nu wel erg ver met uw vragen. De minister mag erop antwoorden, maar moet niet.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik deel de ongerustheid van de heer Delva. Een en ander is inderdaad fout gelopen met de aanmeldingsprocedure. U hebt het over het LOP, de heer Delva ook, en over wat er fout is gelopen. In IT-termen blijft het tot op heden fout lopen. In IT-termen zijn we dus niet erg tevreden over het LOP. Die cijfers had u moeten kunnen krijgen.

Minister, u hebt het ook over het criterium in plaats van verklaring op eer. Daar zijn zaken over te zeggen. Als het LOP intransparant en amateuristisch is, dan verwacht ik dat u daarop reageert en ingrijpt, want u hebt een decretale bevoegdheid over het LOP. In uw antwoorden doet u alsof het LOP totaal onafhankelijk is, waarover u niets te zeggen hebt en waarop u geen greep hebt? Ik ben het daar niet mee eens. U hebt wel iets te zeggen over het LOP als minister van Onderwijs. Dat is uw bevoegdheid. Ik zou van u wat meer actie verwachten.

Er was een suggestie over de taal van de ouders als criterium in de plaats van een verklaring op eer. In theorie lijkt dat interessant, maar er zijn ook ouders die geen diploma hebben. We kunnen ons dat niet veroorloven. We zullen hierin een beetje creatief moeten zijn. Minister, ik reken erop dat u dat oplost.

De voorzitter : Het incident is gesloten.

Tussenkomst VOU 1314 P. Delva – Tweede fase inschrijvingsprocedure Brussel