Toegankelijkheid publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond

Ik ondervroeg minister van Welzijn Jo Vandeurzen over de uitvoering en in werking treding van het decreet houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond (goedgekeurd op 20 maart 2009).

Ik ondervroeg minister van Welzijn Jo Vandeurzen over de uitvoering en in werking treding van het decreet houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond (goedgekeurd op 20 maart 2009).

Vraag om uitleg van mevrouw Ann Brusseel tot de heer Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond – 593 (2010-2011)

De voorzitter: Ik wil u en al uw dierbaren een gezond 2011 toewensen.
Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Ook ik wil iedereen een goede gezondheid en veel werkvreugde toewensen.

Op 20 maart 2009 werd het decreet houdende toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond door het Vlaams Parlement bekrachtigd en afgekondigd.

Tot op de dag van vandaag kan dit decreet niet in werking treden omdat de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten nog niet klaar zijn.

Deze problematiek werd ook reeds besproken in de commissie Welzijn van 27 april 2010. Toen stelde de minister dat een van de knelpunten een verschillende visie is tussen de Cel Gelijke Kansen en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Het gelijkekansenbeleid gaat uit van overleg en samenwerking met het middenveld, terwijl het decreet houdende toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een handicap kiest voor bestraffing middels een administratieve geldboete. Knelpunt hierbij is de vraag of het toegangsrecht al dan niet binnen het Gelijkekansendecreet moet worden geïncorporeerd.

Minister, is er inmiddels al een consensus tussen de Cel Gelijke Kansen en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap? Zal het toegangsrecht worden geïncorporeerd binnen het Gelijkekansendecreet of zal het decreet hier los van staan? Welke argumentatie wordt hiervoor gehanteerd? Indien er werd gekozen voor een incorporatie binnen het Gelijkekansendecreet, wat is de stand van zaken met betrekking tot de decreetwijziging?

Graag krijg ik een overzicht van de te volgen procedure en het vooropgestelde tijdpad. Minister, indien er werd gekozen om het niet te incorporeren binnen het Gelijkekansendecreet, hoe ver staat de Vlaamse Regering met de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten van het decreet houdende toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond? Is er al een zicht op de timing? Welke zijn de mogelijke knelpunten?

De voorzitter: Mevrouw De Waele heeft het woord.

Mevrouw Patricia De Waele: Ook ik wens iedereen een gelukkig nieuwjaar. Laten we verder constructief samenwerken zoals we dat de afgelopen periode hebben gedaan.

Het is niet onlogisch dat ik me bij deze vraag aansluit. Op de commissievergadering van 27 april heb ik ook een vraag om uitleg gesteld over de publieke toegankelijkheid van de assistentiehonden. De minister heeft toen geantwoord dat er op 27 april 2010 een overleg was gepland om na te gaan in hoeverre die zaak kon worden opgelost.

Het is uiterst belangrijk dat het mechanisme van de assistentiehonden zou moeten worden opgenomen op de refertelijst. Een assistentiehond is een grote financiële last voor mensen met een beperking. Tot vandaag staan die niet op dezelfde lijn als mensen die van een blindengeleidehond kunnen genieten. Assistentiehonden gaan veel ruimer dan blindengeleidehonden. Het gaat dus niet alleen over de publieke toegankelijkheid van assistentiehonden, ook een financiële bijdrage voor mensen die daarop een beroep moeten doen is het overwegen waard.

Ongeveer een jaar nadat we in deze commissie de vraag hebben gesteld, zullen we misschien een geüpdatet antwoord krijgen.

De heer Tom Dehaene: Ik sluit me graag aan bij de vraag naar de stand van zaken. In 2009 hebben Vera Jans en ikzelf het voorstel van decreet ingediend. We zijn heel benieuwd naar de huidige stand van zaken in 2011 en of er een snelle uitvoering kan komen van dit decreet, met alle begrip voor de problemen die er geweest zijn.

De voorzitter: Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen: Ik wens iedereen het allerbeste voor het nieuwe jaar. Op 20 maart 2009 werd een decreet gestemd dat, onder voorwaarden, formeel toegang moet verlenen aan de persoon met een handicap vergezeld door een assistentiehond. In overleg met de hondencentra is in 2009 door het VAPH een ontwerp van uitvoeringsbesluiten voorbereid.

Er is tussen het VAPH en Gelijke Kansen een consensus dat noch het VAPH noch de Cel Gelijke Kansen beschikt over de middelen noch de kennis om de controle op de naleving van het toegangsrecht uit te oefenen. Het VAPH en Gelijke Kansen beschikken niet over de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen en in de inning ervan te voorzien.

Of er al dan niet administratieve geldboetes opgelegd zullen worden of het toegangsrecht geïncorporeerd zal worden in het decreet Gelijke Kansen is een keuze die verder door Gelijke Kansen gemaakt moet worden. Na analyse van dit ontwerp samen met Gelijke Kansen bleek het decreet niet overeen te stemmen met de filosofie van de antidiscriminatiewetgeving. Indien de uitvoeringsbesluiten op het toegangsrecht rechtstreeks zouden worden afgestemd op het decreet Gelijke Kansen van 10 juli 2008, wordt het decreet over het toegangsrecht de facto overbodig.

Wat de toegankelijkheid van publieke plaatsen betreft, is het VAPH ons inziens wel de meest geschikte instantie om uitvoering te geven aan artikel 4 van het decreet houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond. Dit artikel stelt dat de Vlaamse Regering de regels inzake de attestatie van de assistentiehonden bepaalt. Er moet dan uiteraard wel een besluit van de Vlaamse Regering gemaakt worden.

Het VAPH is daarentegen echter niet de meest geschikte instantie om de attestatie zelf uit te voeren. Een mogelijke, nader te onderzoeken piste is de creatie van een vzw die de verschillende hondencentra kan erkennen waardoor die centra zelf de honden kunnen attesteren. Als het VAPH die erkenning zelf zou doen, komen we immers in een situatie waar het VAPH de facto leveranciers van hulpmiddelen erkent, wat haaks staat op de huidige werkwijze met betrekking tot individuele en materiële bijstand. Het VAPH is ook van mening dat er geen koppeling tussen erkenning als assistentiehond en de terugbetaling ervan kan gebeuren. Het zou immers onwenselijk zijn als het VAPH om een of andere reden – bijvoorbeeld louter budgettaire redenen – geen tegemoetkoming doet in de kosten van een assistentiehond aan een met eigen middelen aangekochte assistentiehond waardoor die geen toegangsrecht zou hebben. Het VAPH zou bovendien verschillende petjes tegelijk op hebben: aan de ene kant als erkennende instantie voor de hondencentra, aan de andere kant als subsidiërende instantie voor de assistentiehonden via de persoon met een handicap.

Er bestaan op heden een tweetal internationale organisaties waar de hondencentra bij aangesloten zijn. Die internationale organisaties leggen een aantal regels op waar de hondencentra aan moeten voldoen om – internationaal gezien – een goed opgeleide assistentiehond af te leveren. Er zou geopteerd kunnen worden om de aansluiting bij een dergelijke internationale organisatie als voorwaarde te hanteren bij de erkenning van de hondencentra. Daarnaast moet de Vlaamse Regering ook eigen accenten kunnen leggen of bijkomende voorwaarden kunnen opleggen. Door via een vzw te werken die de hondencentra erkent, kunnen deze internationale regels makkelijk meegenomen worden in de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om erkend te worden en kunnen ook makkelijk bijkomende voorwaarden of eigen accenten gelegd worden door de Vlaamse Regering.

Ons inziens laat deze manier van werken ook toe om snel in te spelen op de steeds wijzigende situatie, bijvoorbeeld op het vlak van het diploma voor hondeninstructeur, gebruik van contracten door hondencentra, deontologische code, kwaliteitseisen, … Door via een vzw te werken kan ook de expertise van de hondencentra worden gehonoreerd. Dat is dus de piste die op dit moment bewandeld en onderzocht wordt. Er zijn natuurlijk nog knelpunten die verder overleg, zowel intern tussen het VAPH en Gelijke Kansen als extern met de betrokken sector, noodzaken. Gegeven dit feit en het feit dat een aantal te maken keuzes nog niet definitief zijn, is het ook moeilijk om een juist tijdspad aan te geven, maar de piste die op dit moment voorligt, is het creëren van een vzw met de genoemde taken.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Minister, dank u voor uw antwoord. Ik heb een kleine bijkomende vraag. U hebt het over het creëren van een vzw. Hebt u daarvoor een timing in gedachten?

De voorzitter: Mevrouw De Waele heeft het woord.

Mevrouw Patricia De Waele: Minister, eigenlijk ben ik een beetje verwonderd om te horen dat wij nog steeds pistes moeten onderzoeken, dat er dus nog geen concreet antwoord op komt en ik hoor in uw antwoord dat er nog steeds in voorwaardelijke zin gesproken wordt.

Er zou eigenlijk onderzocht worden of men niet tegemoet kan komen aan de internationaal erkende regels en dergelijke. Maar we zijn nu bijna drie jaar na de inwerkingtreding van dit decreet. Ik vind in ieder geval dat men vrij lang aan het onderzoeken is hoe men zoiets kan oplossen.

We vinden allemaal dat zelfredzaamheid één van de speerpunten moet zijn in het gehandicaptenbeleid, in het beleid voor Welzijn. Laat ons daar dan eens werk van maken. Het kan toch niet zo moeilijk zijn ervoor te zorgen dat mensen die daar echt nood en hulp aan hebben, daar dan ook tenminste een beroep op kunnen doen, dat zij tenminste ook kunnen komen waar ze willen en dat ze ook in staat kunnen zijn om een assistentiehond aan te schaffen. Minister, als ik uw antwoord van vorig jaar vergelijk met nu, zie ik daar niet echt een evolutie in. Dat bedroeft mij wel een beetje.

De voorzitter: Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen: Alle begrip daarvoor. Ik wil zeker nog eens aandringen om wat dingen vooruit te laten gaan. Maar het zal u ook duidelijk zijn, dat een en ander wel wat overleg vraagt, ook met Gelijke Kansen. Het is niet zo dat we dit allemaal maar kunnen doen. Nu, ik suggereer ook helemaal niet dat het niet kan dat er problemen zijn. Alleen, wat op dit moment op de tafel ligt, is de piste om daarvoor een vzw op te richten, en dat zal uiteraard ook wel wat overleg vragen, ook met de sector.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Mijnheer de minister, ik begrijp dat het niet zo evident is voor u om daar meteen een deadline op te plakken, maar ik deel wel volkomen de mening van mevrouw De Waele, dat het allemaal wat lang duurt. Ik krijg steeds meer berichten binnen van mensen die bedroefd zijn dat ze niet binnen mogen in winkels, cafés of openbare gebouwen. Het gaat niet simpel over een beetje comfort of plezier voor die mensen. Het gaat eigenlijk over iets essentieels: zelfredzaamheid, maar ook erkenning en respect voor mensen met een handicap.

Minister, u wilt wel, maar het duurt me inderdaad ook te lang. Ik zou met enige hoogdringendheid op dit vlak resultaat willen zien. Ik denk dat de collega’s die deze problematiek de voorbije jaren hebben gevolgd, er ook graag een gevolg aan zien. Het is geen kwestie van het standpunt van enkele partijen. Ik denk dat we allemaal vorderingen willen zien.

Ik vond het antwoord een beetje te vrijblijvend. Ik had gehoopt dat u al overleg zou hebben gepleegd met de minister van Gelijke Kansen. Soms moet ik mijn vragen over gelijke kansen in een andere commissie gaan stellen. Soms moet ik naar de commissie Gelijke Kansen. Ik zou met aandrang willen vragen dat er meer overleg zou zijn tussen bepaalde vakministers en de minister van Gelijke Kansen, want het staat me voor de geest dat minister Smet ambitieus is en dat hij op dit vlak ook dingen zou willen realiseren.

De voorzitter: Het incident is gesloten.