Stop discriminatie zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer!

Vraag om uitleg van mevrouw Fatma Pehlivan tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, en tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer.
Vraag om uitleg van mevrouw Gerda Van Steenberge tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de verontrustende cijfers rond de discriminatie van zwangere vrouwen op het werk

Vraag om uitleg van mevrouw Fatma Pehlivan tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, en tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer.
Vraag om uitleg van mevrouw Gerda Van Steenberge tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de verontrustende cijfers rond de discriminatie van zwangere vrouwen op het werk

De voorzitter : Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan : Minister, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen stelt dat elke discriminatie op grond van zwangerschap, bevalling of moederschap op de arbeidsmarkt ontoelaatbaar is. Nochtans wees recent onderzoek naar discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer, uitgevoerd door de universiteit van Hasselt, uit dat de realiteit er enigszins anders uitziet.

Ruim een vijfde van alle klachtendossiers die het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen in 2008 behandelde, had te maken met zwangerschap, bevalling of moederschap. Ten opzichte van 2007 is dit een stijging van 44 percent. Zo ondervindt bijna een werk­neemster op de vijf problemen met het moederschapsverlof, werkt 18 percent in onaangepaste werkomstandigheden en krijgt 17,8 percent te maken met discriminatie op financieel of carrièrevlak. 5,1 percent van de werkneemsters zou zelfs ontslag hebben gekregen omwille van haar zwangerschap of zelf ontslag hebben genomen naar aanleiding van een slechte behandeling tijdens de zwangerschap. Opvallend is ook het gebrek aan risicoanalyses: 60 percent van de werkgevers laat na een dergelijke analyse uit te voeren die moet onderzoeken of de werkomstandigheden een risico inhouden voor de veiligheid van de moeder en haar ongeboren kind.

Deze bevindingen zijn bijzonder problematisch en stemmen tot nadenken. De negatieve reacties die zwangere werkneemsters krijgen, zorgen ervoor dat een aanzienlijk deel met tegenzin gaat werken. Aanstaande en jonge moeders worden ontmoedigd om hun profes­sionele loopbaan verder uit te bouwen en hun carrière wordt op deze manier al in een zeer vroeg stadium gehypothekeerd. Door deze discriminatie ontstaat een drempel voor volwaar­dige participatie van zwangere vrouwen op de arbeidsmarkt.

Er moet aandacht worden besteed aan een evenredige arbeidsdeelname en aan diversiteit op de werkvloer. Dit wordt alleen maar versterkt door de huidige maatschappelijke verwachting dat zoveel mogelijk mensen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Hoewel de werkzaamheidsgraad van vrouwen langzaam toeneemt, is er nog steeds een genderkloof van meer dan 11 percent. De bovenstaande bevindingen dragen enkel bij aan dit probleem.

Om deze genderkloof te bestrijden, is bijzondere aandacht nodig voor de discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer. Ook de verantwoordelijkheid van de werkgevers is hier van groot belang. Daarom had ik mijn vraag in eerste instantie aan minister Muyters gesteld. De werkgevers kunnen instaan voor een vrouwvriendelijk klimaat en voor het verschaffen van meer informatie over de rechten van zwangere werkneemsters.

In de beleidsnota Werk 2009-2014 kan ik niet meteen iets vinden over een visie op en een aanpak van deze problematiek. In de beleidsnota Gelijke Kansen 2009-2014 worden maatschappelijke problemen als de loopbaankloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, het glazen plafond en de loonkloof vermeld. De bovenstaande discriminaties van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer dragen enkel bij tot deze problematiek.

In het kader van het gelijkekansenbeleid en antidiscriminatiebeleid moet dan ook aandacht worden besteed aan de discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders op de werkvloer.

Minister, is er samenwerking en overleg tussen beide ministers om discriminatie van zwangere vrouwen en jonge moeders te traceren, te voorkomen en weg te werken? Zo ja, zijn daar al effecten van zichtbaar? Zo niet, kan er binnen afzienbare tijd een gezamenlijk beleid worden gevoerd om discriminatie op grond van zwangerschap, bevalling of moederschap op de arbeidsmarkt aan te pakken?

Zijn er signalen dat de werkgeversorganisaties wel degelijk gevoelig zijn voor deze problematiek en de werkgevers daarover op passende wijze informeren en sensibiliseren?

Is er samenwerking en overleg van beide ministers met het maatschappelijke middenveld, in het bijzonder de vrouwenorganisaties, om zwangere vrouwen en jonge moeders te informeren over hun rechten en te ondersteunen en begeleiden in geval van discriminatie?

De voorzitter : Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Ik sluit me volledig aan bij deze vraag. Het is inderdaad zo dat zwangere vrouwen het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. Dat blijkt uit het groot aantal klachten dat het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen vorig jaar ontving. Het afgelopen jaar behandelde het instituut 239 dossiers die te maken hadden met allerlei vormen van discriminatie: op het werk, bij het leveren van goederen en diensten en in de gezondheidszorg. Daarvan leidden 101 dossiers daadwerkelijk tot een klacht.

Dat laatste cijfer ligt dubbel zo hoog als het jaar voordien. Ruim de helft van alle klachten zijn dus terug te voeren tot de werksfeer. Personen, vooral vrouwen, klagen over intimidatie, het plots stopzetten van een tijdelijk contract, promoties die uitblijven. Opvallend is dat in een op de zeven dossiers de klaagster kort daarvoor kenbaar heeft gemaakt dat ze een kind wil of al zwanger is.

Hoewel de Belgische wetgeving beschikt over een arsenaal aan beschermende maatregelen voor zwangere vrouwen en moeders, lappen sommige werkgevers die regels aan hun laars. De problemen komen vooral in kleinere bedrijven voor. Men ziet op tegen de kosten van een tijdelijke vervanging en men gaat ervan uit dat een vrouw zich later per definitie met de kinderen bezighoudt, waardoor ze minder aandacht zal hebben voor haar job.

Minister, deze discriminatieproblematiek wordt in uw beleidsnota nogal stiefmoederlijk behandeld. Wij hebben er tijdens de bespreking van de beleidsnota meermaals op gewezen dat de gelijkheid van vrouwen en mannen moet primeren. Dat mag niet gaan ten koste van andere minderheidsgroepen. Ik bedoel daarmee niet dat zij geen aandacht mogen krijgen. Ik heb echter de indruk dat de gelijkheid van vrouwen en mannen steeds meer op de achtergrond verdwijnt.

Minister, wat is uw reactie op deze berichtgeving van het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen? Hebt u specifiek over deze problematiek al maatregelen genomen?

Vanmorgen hoorde ik uitredend federaal minister Vanackere zeggen dat in het kader van het Europees voorzitterschap van België niet zozeer grote verklaringen afgelegd zullen worden, maar dat veeleer taken zouden worden afgewerkt die op de agenda staan. Een van de voorbeelden was de veiligheid van zwangere vrouwen op het werk. Is het niet aan te raden om in het kader van deze problematiek niet alleen de veiligheid van zwangere vrouwen op het werk, maar ook de discriminatie van zwangere vrouwen op het werk onder de aandacht te brengen?

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik ben het volledig eens met beide collega’s. Er is meer aandacht nodig voor deze problematiek. Het gaat immers om een diepgeworteld probleem dat niet met één maatregel kan worden aangepakt. Het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen heeft een zeer lijvig rapport samengesteld. In het eerste deel wordt de Europese situatie beschreven. Het rapport bevat onder meer gegevens van België, maar ook onderzoeken uit Italië, Groot-Brittannië enzovoort. Het resultaat is overal ongeveer hetzelfde. Zwangere vrouwen en jonge moeders worden op velerlei wijzen gediscrimineerd door hun werkgever. Het gaat niet altijd over gemakkelijk aantoonbare discriminatie, maar ook over pesterijen en intimidatie. Deze zaken zijn ook strafbaar. Dat wordt niet altijd benadrukt. Veel vrouwen zijn daar trouwens niet van op de hoogte.

Minister, men het oog op het Europees voorzitterschap wil ik u vragen om deze thematiek hoog op de agenda te plaatsen. Zodra er een federale regering is, moet er ook overleg worden gepleegd met het federale niveau. Er is een minister voor werk, voor kmo’s, voor gelijkheid van kansen enzovoort. Het zal dan ook een werk worden voor een team aan ministers die moeten inzien dat er een groot probleem is. Niet alleen moeten de werkgevers worden gesensibiliseerd, ook de jonge ouders moeten beter geïnformeerd worden. Velen blijken niet op de hoogte te zijn van de Belgische wetgeving en van de Europese richtlijn.

Meer flankerende maatregelen zouden kunnen helpen. Verder wil ik ook pleiten voor meer betaalbare en flexibelere kinderopvang, want ook daar wringt het schoentje. Veel werkgevers vrezen niet alleen dat ze 3 maanden niet kunnen rekenen op een moeder in zwangerschapsverlof, maar ook dat het absenteïsme groter zal zijn als de baby geboren is. Ik vraag dan ook een aanpassing van de Barcelonanorm. 33 percent voor kinderopvang is immers bijzonder weinig. Dat betekent dat er een oplossing is voor een derde van de baby’s. Zo kunnen we niet alle moeders aan het werk houden.

De voorzitter : Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis : Voorzitter, minister, ik sluit me bijzonder graag aan bij de twee collega-vraagstellers. Het is een problematiek die al jaren meegaat, het is een oud zeer. Ik zou moeten teruggaan naar de jaren 50, toen vrouwen in het onderwijs verplicht werden om hun job op te geven als ze huwden. Wanneer dat exact werd afgeschaft, dat weet ik niet, maar het bestond in elk geval in de generatie van mijn moeder. Nu zijn we dus al een heel stuk verder en nog altijd is die ongelijkheid daar.

Nu gaat het om de specifieke problematiek van de zwangere vrouwen. Mevrouw Brusseel verwijst onder meer naar de federale overheid, waar maatregelen kunnen worden getroffen. Mevrouw Pehlivan verwijst naar overleg op Vlaams niveau. Ik wil u dienaangaande toch graag een suggestie doen. Wij hebben in ons programma het volgende opgenomen: “In de maanden volgend op de aankondiging van een zwangerschap is de werkgever geen RSZ-bijdrage verschuldigd op het loon van de betrokken werknemer. Op die manier wordt de werkgever gecompenseerd voor het gemis van de werknemer de maanden nadien en verzekeren we jonge vrouwen gelijke kansen bij de selectieprocedure.” Dit is natuurlijk maar een suggestie, maar misschien kunt u, wanneer de volgende federale regering gevormd is, bij degene die de verantwoordelijkheid krijgt of iets te zeggen heeft over de RSZ, ‘een visje uitgooien’ en overleg plegen over de mogelijkheden, want ik denk dat de aangehaalde problematiek aantoont dat deze heel spijtige situatie nog bestaat.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Mevrouw Celis, ik zal dat zeker doen wanneer de volgende federale regering er is, maar ik denk dat u dat ook op tafel moet leggen bij de vorming van die federale regering.

Op basis van uw reacties meen ik dat we het er met zijn allen over eens zijn dat de resultaten van die studie inderdaad verontrustend zijn. Ik ben er sterk van onder de indruk.

Het is uiteraard geen toeval dat het federale Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen de opdracht heeft gegeven om dit onderzoek over zwangerschap op het werk te voeren. Het betreft hier immers en op dit moment overwegend een federale bevoegdheid. De Vlaamse bevoegdheden bij zaken van werkgerelateerde discriminatie beperken zich in hoofdzaak tot beroepskeuzevoorlichting, beroepsopleiding, loopbaanbegeleiding en arbeids­bemiddeling. Met andere woorden, deze Vlaamse bevoegdheden betreffen niet zozeer de relaties op de werkvloer zelf, maar eerder het voor- en zijtraject. De werkvloer zelf en de beëindiging van de arbeidsrelatie zijn, op dit moment, een zaak van de federale overheid. Misschien verandert dat wel de komende maanden, daar zijn toch veel mensen voorstander van, maar in elk geval is dat op dit moment niet het geval, en het is dus ook in eerste instantie de federale overheid die tegen de vastgestelde discriminaties acties moet ondernemen.

Uiteraard wil ik niet lijdzaam toekijken en zal ik een aantal initiatieven nemen die inspelen op het bestrijden van zwangerschapsdiscriminaties. Zo heb ik me in het kader van de open coördinatiemethode, samen met onder meer collega-minister Muyters, geëngageerd om de loopbaankloof te bestrijden. We zullen in nauw overleg met onder meer de SERV en de werkgeversorganisaties een breed actieplan ontwikkelen. Uiteraard zullen we hier ook heel de problematiek van de zwangerschapsdiscriminaties thematiseren. Ik zal eerstdaags, wanneer ik met minister Muyters overleg heb over het intensifiëren van onze samenwerking, ook op de agenda zetten.

Uiteraard zal ik binnen het eigen functioneel beleid werkgevers en werknemers sensibiliseren over het belang van een haalbare combinatie van arbeid en zorg voor vrouwen en mannen. Het is heel belangrijk dat de combinatie arbeid en zorg, zeker wanneer mensen langer zullen moeten werken, nog aan belang zal winnen. We zullen daarbij initiatieven uitwerken zowel gericht tot de werknemers als tot de werkgevers.

Zo is er voor 2012 een brochure voor de werkgevers in opmaak waarin de wetgeving op het vlak van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het vermijden van mogelijke discriminaties en het toepassen van gezinsvriendelijke maatregelen worden opgelijst en verder toegelicht.

Op dit moment is er ook een brochure in opmaak, gericht tot jonge ouders en in het bijzonder tot de mannen, want ook die mogen best ouderschapsverlof opnemen, om alle combinatie­mogelijkheden goed uit te leggen en hen te sensibiliseren. Deze brochure is momenteel in ontwikkeling.

De bevoegdheid van de Vlaamse overheid bestaat vooral uit het sensibiliseren en informeren, en dat zullen we ook doen. Het optreden tegen discriminaties is tot nader order een federale bevoegdheid en uiteraard kunnen natuurlijk mensen ook bij onze meldpunten voor dis­criminatie terecht wanneer ze vaststellen dat ze gediscrimineerd worden. We kunnen mensen alleen maar aanmoedigen om daarover klachten in te dienen, want op die manier beginnen de knipperlichten te branden en kunnen we de problemen ook oplossen. Als de heer De Witte, de voorzitter van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, samen met mij meldpunten opent, zegt hij altijd: “A complaint is a gift.” En eigenlijk is dat wel waar, want dan komt aan het licht wat er verkeerd loopt in de samenleving en kunnen we de problemen oplossen.

De voorzitter : Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan : Minister, u merkt aan de betogen van mijn collega’s dat dit een problematiek is die over de grenzen van de meerderheid en minderheid gedragen wordt, vandaar het belang van het aankaarten van dit probleem hier.

Het klopt natuurlijk dat het de federale overheid is die de sancties moet opleggen, maar ik meen dat we ook op Vlaams niveau, binnen onze bevoegdheden, iets kunnen doen. Het gaat trouwens niet over uw bevoegdheden alleen, en daarom had ik deze vraag eerst ook gesteld aan minister Muyters. Hij heeft immers ook een verantwoordelijkheid op het vlak van informatie ten aanzien van werknemers en de werkgevers. Zolang de bevoegdheden op deze manier verdeeld zijn, moeten we zo werken. We moeten natuurlijk de vorming van de federale regering afwachten, misschien komen de bevoegdheden volledig naar Vlaanderen en kunnen wij ook sancties invoeren, dat zal wellicht meer effect hebben.

Men zegt dat we langer moeten werken, maar we moeten elke discriminatie van bepaalde groepen bestrijden: hier betreft het de vrouwen, maar er zijn ook discriminaties op de werkvloer ten aanzien van andere groepen. Discriminatie op de werkvloer, van om het even welke groep, mogen we niet tolereren. De heer Gatz had het over een andere groep die op de werkvloer wellicht ook wordt gediscrimineerd. We moeten elke vorm van discriminatie bestrijden, indien nodig met sancties.

De voorzitter : Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Ik dank u voor uw antwoord, minister.

Ik ben in de eerste plaats blij om te ontdekken dat mevrouw Pehlivan misschien wel zou willen dat deze bevoegdheid naar Vlaanderen komt. Dat zou mij enorm plezieren.

Minister, ik vind uw antwoord nogal kort. Het is inderdaad een federale materie. U verwijst vooral naar een brochure waar ik met ongeduld op wacht. Ik ben blij dat u daar een uitgebreide brochure van wilt maken en daar ook de vaders in opneemt. Ik verneem van vaders die ouderschapsverlof willen nemen dat ze worden uitgelachen. Het is schandalig wat daar soms over wordt gezegd.

Ik heb echter niets gehoord over het Europese voorzitterschap. Wij hebben gevraagd om dat mee te nemen. Vandaag zijn de regeringsleiders dat al aan het bespreken. Deze namiddag komt het ook aan bod in deze commissie. U hebt daar niet op geantwoord.

Minister Pascal Smet : Dat is iets dat wij gewoon bij ons moeten regelen. Dat moeten we niet op Europees niveau regelen, op basis van het subsidiariteitsbeginsel. Het is gewoon een mentaliteitswijziging die in onze samenleving moet plaatsvinden. Ik neem aan dat mijn federale collega – wie dat ook mag zijn, maar op 1 juli zal het nog wel minister Milquet zijn – dat op de agenda zet. Zij is de hoofdpiloot voor Gelijke Kansen, ik ben de assessor. Ik zal dat aankaarten in de gesprekken, maar op dit moment zie ik niet onmiddellijk de toegevoegde waarde van Europa. Het is de regelgeving en de mentaliteit bij ons die moeten veranderen.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Mevrouw Brus seel heeft dat correct gezegd. Het eerste deel van het rapport van het instituut omschrijft de situatie in heel Europa.

Minister Pascal Smet : We kunnen beginnen met voor eigen deur te vegen. We moeten de andere landen geen les geven.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Men kan toc h op meer dan één plaats vegen?

Minister Pascal Smet : Dat klopt, maar dat is meer geloofwaardig als men de zaak zelf al heeft aangepakt. Dan kan men goede raad geven.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik dank u voor uw antwoord, minister. Het is inderdaad een kwestie van organisatie van het beleid. Voor men gaat dialogeren, kan men het best een initiatief promoten of een oplossing naar voren schuiven.

Er is op Europees niveau een probleem. U kunt het wel degelijk op twee niveaus tegelijk bespreken. U kunt het in Vlaanderen bespreken. U kunt het binnen België bespreken met minister Milquet. Vervolgens kunt u het op de agenda zetten tijdens het Europees voor­zitterschap. Dat is een uitgelezen kans, ook voor u, om een progressieve stem te laten klinken, en om aan de kar te trekken. U gaat daarvoor toch niet wachten op minister Milquet of op een staatshervorming? De vrouwen die worden gediscrimineerd, ondervinden daar dagelijks last van. Het zou echt wel getuigen van al te veel bureaucratie om het probleem nog niet op die agenda te plaatsen omdat we eerst voor de eigen deur moeten vegen. U weet even goed als ik dat er telkens veel tijd verloren gaat. De studies zijn er, de gegevens zijn er. Ik zou u willen vragen om in te grijpen, en op Vlaams niveau kunt u meer doen dan u daarnet in uw antwoord liet uitschijnen. Uiteraard moet u met minister Muyters gaan samen zitten, maar waarom ook niet met minister Vandeurzen, bevoegd voor kinderopvang en voor Kind en Gezin. Hij zou kunnen zorgen voor flankerende maatregelen. (Opmerkingen)

We kunnen daar zeker nog vaak over praten, minister. Ik wil u dat toch al zeggen.

De Barcelonanorm, ik blijf erbij, dat is een lachertje. Men is overeengekomen dat er een werkzaamheidsgraad van 70 percent moet zijn, ook bij vrouwen. Als die echter moeder worden, moeten ze het zien te redden met een kinderopvang die op zijn best 33 percent haalt. Daar zit een ontoelaatbare discrepantie in. Al wie progressief is, wil daar toch tegen optreden, hoop ik. Minister, ik wil u nogmaals vragen om aan de kar te trekken.

De voorzitter : Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis : Voorzitter, het was bijzonder fijn om te horen dat over de partijgrenzen heen verwezen wordt naar de verschillende niveaus en hun bevoegdheden. Er zal moeten worden samengewerkt om verbetering te brengen. De suggestie om de bevoegdheid van het federale niveau over te hevelen naar Vlaanderen heb ik bijzonder goed gehoord. Dan zou 1 plus 1 misschien wel eens 3 kunnen zijn en de zaak vooruithelpen.

De voorzitter : Het incident is gesloten.

Verslag tussenkomst VOU 2179 G. Van Steenberge en VOU 2165 F. Pehlivan – Discriminatie zwangere vrouwen en jonge moeders op het werk