Stand van zaken Vlaams Brusselfonds

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het Brusselfonds

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het Brusselfonds

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Voorzitter, minister, collega’s, de oorspronkelijke bedoeling van het Vlaams Brusselfonds bestond erin de Vlaamse Brusselaars een compensatie te bieden voor de afschaffing van het kijk- en luistergeld in het Vlaamse Gewest. Dat fonds moest zich, zoals opgenomen in het jaarverslag 2008 van het Vlaams Brusselfonds, initieel richten naar initiatieven “ter bevordering van de ontsluiting en de toegankelijkheid van instellingen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad die wegens hun activiteiten of hun organisatie worden beschouwd als uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap”.

Mettertijd evolueerde dat fonds naar een ‘impulsfonds’ dat projecten en initiatieven lanceerde rond gemeenschapsmateries in onze hoofdstad: welzijn, cultuur en onderwijs. Alle projecten moeten complementair zijn met het reguliere Vlaams gemeenschapsbeleid en moeten meehelpen in de uitbouw of de versterking van kwalitatieve, bereikbare en zichtbare Vlaamse gemeenschapsvoorzieningen en -instellingen in de hoofdstad. De bedoeling van de meeste projecten is dat ze na deze impulssubsidie worden ingebed in het reguliere beleid. Er zijn heel wat voorbeelden van projecten uit het Brusselfonds. Ik citeer er een paar: het goedkoop openbaar vervoer voor studenten in het Nederlandstalig hoger onderwijs, Pro Medicis Brussel, de uitbouw van de woonzorgzones, Muntpunt enzovoort.

In het Vlaams regeerakkoord wordt een passage gewijd aan het Vlaams Brusselfonds. Het wordt erin vermeld als “een belangrijk instrument dat functioneert in coherentie met een geïntegreerde visie voor het Brusselbeleid, ook op langere termijn.” Het gaat immers om grote bedragen die in dat fonds zitten. Ze kunnen redelijk wat impact hebben op het beleid in Brussel. Wat de laatste jaren altijd opnieuw terugkomt in de besprekingen in deze commissie, is de zorg om de coherentie met het Vlaamse beleid in Brussel of, negatief uitgedrukt, de angst voor een apart, parallel beleid. Dat is iets dat onderhuids in deze commissie geregeld naar voor wordt gebracht. Men heeft schrik dat men via die aparte pot andere dingen zou ontwikkelen dan wat eigenlijk de bedoeling is van de respectieve ministers van Onderwijs, Welzijn en Cultuur in Brussel.

Minister, in uw beleidsnota Brussel ontwikkelt u uw plannen voor dat fonds. Ik vind die plannen goed. Ik stel mijn vraag om na te gaan in welke mate u al hebt kunnen werken aan de uitwerking van uw plannen. Ik citeer een aantal dingen waar ik persoonlijk helemaal achter sta. U dringt erop aan dat “de mogelijke toekenning van middelen strikter gekoppeld zal worden aan de werkingscriteria die inherent zijn aan de betrokken beleidssector of – in het geval van de financiering van gemeenschapsinfrastructuur – aan de infrastructurele voorwaar­den die normaliter door een subsidiërende overheid worden opgelegd.” Ik vind dat goed.

U wilt ook “een analyse maken van het regelgevingskader en bevoegdheidskader van het Vlaams Brusselfonds, met als doel het ondersteuningskader van dit verticale Brusselbeleid overzichtelijker te maken. Hierbij gaat ook aandacht uit naar het bepalen van duidelijke, afgebakende toepassingsdomein(en) en uitvoeringscriteria om de tegemoetkomingen of budgettaire inspanningen vanuit het Vlaams Brusselfonds te concretiseren.” Dat zijn allemaal interessante plannen. Het is ook goed dat het Brusselfonds op die manier wordt benaderd en uitgewerkt.

Ten slotte – en dat heeft me getroffen – wilt u onderzoeken of de “uitbouw van een bijkomend administratief personeelskader en de installatie van een afzonderlijk geïntegreerde boekhouding voor de werking en het beheer van het fonds verantwoord zijn indien er geen discrepantie ontstaat tussen het in te zetten personeelskader en werkingsmiddelen enerzijds en de via het fonds te bereiken beleidsoutput anderzijds.” Ik heb die zin twee of drie keer moeten herlezen om te begrijpen waar men eigenlijk naartoe wil.

Minister, tijdens de bespreking van uw beleidsnota in het najaar van 2009 hebben we een zeer interessante discussie gehad over het fonds. Er werd onder andere de vraag gesteld naar een betere rapportering over de werking van het fonds aan de commissieleden van Brussel en de Vlaamse Rand. Kunt u aangeven of u al werk hebt gemaakt van of eventueel een stand van zaken geven over de striktere koppeling van de toekenning van middelen uit dat fonds aan de werkingscriteria van de betrokken beleidssector en de financiering van de infrastructuur zoals normaal opgelegd door de subsidiërende overheid? Hebt u daar al plannen voor ontwikkeld? In welk tijdspad voorziet u hiervoor? Welke eventuele knelpunten dienen er nog uitgeklaard te worden?

In uw beleidsnota stipt u aan dat u een analyse zult maken van het regelgevingskader, van het bevoegdheidskader van het fonds. Hebt u daar al werk van kunnen maken? Zo neen, wanneer wordt dit onderzoek opgestart en wanneer moet dit afgerond zijn? Zo ja, wat waren hiervan de resultaten? Hoe pakt u deze analyse aan? Hebt u eventueel al maatregelen genomen? Ik had daar graag een stand van zaken over gehad.

Ik heb ook een vraag over een zin die me blijft interesseren. Kunt u toelichten of er al werk is gemaakt van het onderzoek over de eventuele relevantie van “de uitbouw van een bijkomend administratief personeelskader en de installatie van een afzonderlijk geïntegreerde boekhouding voor de werking en het beheer van het fonds”? Zo neen, wanneer verwacht u hiervan resultaten?

Hebt u de werking van dat fonds al globaal kunnen evalueren? Welke resultaten kwamen voort uit deze evaluatie? Welke stappen hebt u al genomen om een heroriëntatie of nieuwe doelstellingen van het fonds vast te leggen? Hebt u beslist om hierover overleg te hebben met Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC)?

Mijn laatste vraag sluit aan bij wat we besproken hebben tijdens de discussie over de beleidsnota. Welke zaken hebt u ondertussen al kunnen beslissen om onze commissie meer, sneller en misschien uitgebreider op de hoogte te houden en te betrekken bij de activiteiten van het Brusselfonds?

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw An Brusseel : Voorzitter, collega’s, minister, ik stel vast dat er inderdaad wat vragen gesteld moeten worden over het Brusselfonds. De beschrijving van een aantal zaken, van bepaalde passages in de beleidsnota leken af en toen wat sibillijns. Mijnheer Delva, ik ben blij dat u die vragen nogmaals stelt. Een aantal ervan hebben we immers ook gesteld tijdens de bespreking van de beleidsnota. Minister, we willen al enkele maanden weten hoe u een bepaalde analyse zult aanpakken en wat u eigenlijk bedoelt met de uitbreiding van het personeelskader of administratie, gekoppeld aan bepaalde voorwaarden, die dan nog moeten worden geanalyseerd. Ik ben benieuwd naar uw antwoord.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Mijnheer Delva, d e vraag biedt een goede gelegenheid om nog eens de doelstellingen en de werking van het Vlaams Brusselfonds uiteen te zetten. U hebt terecht gewezen op de bijzondere voorgeschiedenis en het soort initiatieven dat het Vlaams Brusselfonds mogelijk maakt. Na bijna 10 jaar kan de structuur van het Vlaams Brusselfonds echter bij sommigen vreemd overkomen. Bij sommigen krijgt het fonds soms een mythisch karakter.

Vlaanderen investeert in Brussel en in zijn toekomst. Dat doen we als Vlaamse Regering op veel vlakken: cultuur, welzijn, onderwijs en alles wat de hoofdstad van Vlaanderen meer uitstraling kan geven. Ik durf te stellen dat deze Vlaamse Regering deze ambitieuze doelstelling blijft koesteren. In het Vlaams regeerakkoord werd al een globaal actieplan voor Brussel aangekondigd. De ontwikkeling van dit actieplan en de bijhorende strategische visie zal ook centraal staan in de Task Force Brussel, waarin zowel de verschillende beleidsdomeinen als de Vlaamse Gemeenschapscommissie zullen worden betrokken. In principe wordt het deze week door de Vlaamse Regering goedgekeurd.

Als we investeren in Brussel, moeten we echter ook bepalen hoe we dat zullen doen. U hebt verwezen naar het verticale en het horizontale beleid ten aanzien van Brussel. De Vlaamse Regering kan immers op verschillende manieren naar Brussel kijken. We zouden kunnen zeggen: laat iedere minister voor zijn eigen beleidsdomein de nodige initiatieven nemen en laten we ervoor zorgen dat in Brussel op dezelfde manier als de rest van Vlaanderen initiatieven kunnen groeien. Of we zouden kunnen zeggen: laten we Brussel vanuit zijn specifieke situatie afzonderlijk benaderen en enkel zo investeringen doen. Beide invalshoeken zijn onvolledig. Ons Brusselbeleid is integraal en dus een en-enverhaal.

Het Vlaams Brusselfonds is een goed voorbeeld van hoe we op een complementaire manier initiatieven in Brussel kunnen realiseren. Er is daarom bij de oprichting geopteerd om het fonds een ruime opdrachtomschrijving te geven, waardoor interferenties met de andere functionele beleidsdomeinen mogelijk zijn. Het onderscheid tussen het toepassingsgebied van het fonds en dat van de reguliere beleidsdomeinen en begroting ligt enkel in de afbakening van de doelgroep, namelijk de gebruikers van Vlaamse instellingen en organisaties in Brussel. Het vrije optreden van het Brusselfonds staat dus tegenover een duidelijk afgebakende opdracht. Het fonds moet worden gezien als een aanvullend financieringssysteem van initiatieven die duidelijk bijdragen tot de uitbouw van Vlaamse gemeenschapsvoorzieningen in de hoofdstad, in die zin dat ze via het fonds een ruimer bereik kunnen hebben.

Het is dus niet de bedoeling dat het Brusselfonds alles zelf financiert of blijft financieren. Evenmin is het de bedoeling, ook al kunnen er uitzonderingen op worden gemaakt, dat het fonds ter vervanging of ter vermindering wordt gebruikt van reguliere begrotingen. Indien de aanwending van de kredieten betrekking heeft op een bevoegdheidsdomein van een andere functioneel bevoegde minister en de initiatieven en projecten ook via andere reguliere basisallocaties in de algemene uitgavenbegroting kunnen worden gefinancierd, stelt er zich zeker een opportuniteitsvraag over het creëren van complementaire financieringscircuits om onduidelijkheid te vermijden binnen het regulier financieringskader, en over de samenwerking met andere bevoegdheidsdomeinen, waarvan de deskundigheid en administratieve opvolging bij andere collega’s-ministers en administraties ressorteert.

Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2003 tot regeling van het beheer en de werking van het Vlaams Brusselfonds stipuleert dan ook expliciet dat indien de kredieten worden aangewend voor initiatieven en projecten die gelieerd zijn aan een gemeenschapsbevoegdheid van een ander lid van de Vlaamse Regering en ook via andere reguliere basisallocaties kunnen worden gefinancierd, er een protocol moet worden afgesloten. Als ik dus via het fonds een welzijnsinitiatief wil ondersteunen, heb ik daarvoor het akkoord nodig van de Vlaamse minister bevoegd voor welzijn. In dat protocol wordt dan ook expliciet bepaald hoe de opvolging van de initiatieven plaatsvindt. Dat is ook logisch, omdat de expertise vaak bij de andere beleidsdomeinen zit. Op die manier is er automatisch afstemming met de bevoegde sector en moeten dezelfde criteria op het vlak van transparantie en kwaliteit worden gevolgd.

Niet alleen het bevoegdheidskader, maar ook de besteding van de middelen is zeer ruim omschreven. Zowel tegemoetkomingen, investeringen als subsidies aan sectoren, zowel binnen als buiten de overheid zijn mogelijk. Het fonds kan ook eigen opdrachten financieren. Dit ruime bestedingskader is toch in tegenstelling tot de aanwendingsmogelijkheden van de middelen van andere fondsen die veelal enkel zijn opgericht om aan de hand van voornamelijk één kredietsoort, bijvoorbeeld investeringen, de financiering van projecten in het kader van één specifiek beleidsdomein, bijvoorbeeld Cultuur of Welzijn, te garanderen.

Het is dan ook noodzakelijk dat er afgebakende toepassingsdomeinen en uitvoeringscriteria werden vastgesteld om de tegemoetkomingen of budgettaire inspanningen vanuit dit Vlaams Brusselfonds te concretiseren. Het Vlaams Brusselfonds hanteert daarom een aantal interne richtlijnen die een generiek kader bieden om aanvragen en initiatieven te beoordelen op hun financierbaarheid. Als het bijvoorbeeld over infrastructuurwerken gaat, dan eisen we principieel een beschikkingsmacht over de infrastructuur als eigenaar. Indien het initiatief huurder, erfpachter of gebruiker is van een bepaalde de infrastructuur, vereisen we beschikkingsmacht voor een minimum van 20 jaar indien het project onroerende werken betreft, en voor een minimum van 5 jaar indien het project roerende goederen betreft. Die termijnen kunnen eventueel worden verminderd indien de eigenaar zelf een inbreng doet.

Deze richtlijnen zijn geïnspireerd door de regelgeving die geldt voor andere gemeenschaps­infrastructuur. Ik denk aan het reglement van 16 maart 2001 voor subsidiëring van culturele infrastructuur met bovenlokaal belang, of de VIPA-reglementering (Vlaams Infrastructuur­fonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden). Voor het Vlaams Brussel­fonds zijn deze richtlijnen echter niet absoluut bindend. Dat zou trouwens ook niet wenselijk zijn. Ik vind niet dat ieder Brussels initiatief noodzakelijkerwijs tot in de details aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als een initiatief dat in het Vlaamse Gewest ontstaat. Er kunnen immers bijzondere omstandigheden zijn ten gevolge van de specifieke context die verantwoorden dat het Vlaams Brusselfonds ten aanzien van een bepaald initiatief optreedt.

Wanneer ik in mijn beleidsnota spreek over een nauwere aansluiting bij de criteria, dan betekent dat dat ik ervoor wil zorgen dat wij werk zullen blijven maken van deze afstemming. Het Vlaams Brusselfonds informeert systematisch bij de andere beleidsdomeinen in hoeverre bepaalde initiatieven voldoende garanties bieden dat de middelen doelmatig zullen worden aangewend. Dat is trouwens ook in het belang van het initiatief zelf indien het moet worden ingebed in het reguliere beleid. Die afstemming zorgt er ook voor dat bepaalde nieuwe mogelijkheden worden benut. Ik denk bijvoorbeeld aan verruimde mogelijkheden van pps-constructies (publiek-private samenwerking) die in sommige decreetgeving mogelijk is gemaakt. Deze opvolging en afstemming gebeuren permanent. Het is dus niet de bedoeling dat er een soort studie wordt uitgevoerd met een vaste deadline. De intentie is veeleer om met de verschillende beleidsdomeinen voortdurend en voortschrijdend het nodige overleg te plegen en ons richtlijnenkader bij te sturen of aan te vullen waar nodig.

Ik veronderstel dat het Vlaams Brusselfonds ook ter sprake zal komen in de Task Force Brussel, aangezien het net een van de beleidsinstrumenten is die vanuit een transversale visie op Brussel op specifieke noden in de hoofdstad kan inspelen. Het is dus mogelijk dat de Task Force Brussel mij voorstellen zal doen om het Vlaams Brusselfonds duidelijker te oriënteren. Die voorstellen zal ik grondig bestuderen en vervolgens mee opnemen in het kerntakendebat met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Ik denk overigens dat die samenwerking in de toekomst nog nauwer zal moeten gebeuren. Ik veronderstel dat we ook in deze commissie dan nog uitgebreid kunnen debatteren over de voorstellen van de taskforce dienaangaande.

Wat betreft het administratieve kader en de boekhouding van het Vlaams Brusselfonds, staat in mijn beleidsnota enkel dat een dergelijke hervorming enkel aan de orde is als dit een meerwaarde zou opleveren. Dat staat er niet toevallig in, mevrouw Brusseel. Bepaalde mensen hebben daar bepaalde dingen over gezegd of gesuggereerd, al of niet op het politieke of op het ambtelijke niveau. Ik heb me zelfs niet uitgesproken of die hervorming wenselijk is, ook al kan men daar vragen bij stellen. Ik heb een principe geformuleerd indien er opnieuw voorstellen in die richting zouden worden gedaan. Het lijkt me immers logisch om het Vlaams Brusselfonds een autonomie te geven, maar als dat uiteindelijk allemaal meer geld en tijd kost dan het eigenlijk oplevert, dan moeten we ons afvragen of dat wel aan de orde is. Het fonds heeft weliswaar de structuur van een parastatale, maar heeft momenteel geen eigen personeel of afzonderlijke administratie. Het beheer en de werking van het fonds worden integraal opgevolgd door het teamhoofd en een hoofddeskundige van het team Coördinatie Brussel van de Diensten van het Algemeen Regeringsbeleid.

We hebben dus eigenlijk een bepaalde richting aangegeven, namelijk dat het niet meteen de bedoeling is om daar met eigen personeel eigen dingen uit te werken. Het was maar een antwoord op al diegenen die daar af en toe eventjes op willen terugkomen. Ik denk dat het betaamt om in een beleidsnota het kader te geven wat de aftoetsing zal zijn als die vraag opnieuw op tafel ligt. Maar de vraag stellen, is ze misschien meteen ook beantwoorden.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. Ik heb eruit begrepen dat wat in de beleidsnota wordt aangegeven als een afzonderlijke analyse, niet de weg is die momenteel wordt bewandeld en dat men veeleer in een continue evaluatie zit van het Brusselfonds. Ik spreek me daar niet over uit. Dat kan even interessant zijn. Ik hoop alleen maar dat wat de achterliggende bedoeling is van wat in de beleidsnota staat, en waar we ook achter staan, niet ondergesneeuwd geraakt onder die continue evaluatie.

Ik zou nog graag een antwoord krijgen over de maatregelen die u neemt om de leden van de commissie beter op de hoogte te houden van de activiteiten van het Brusselfonds. Het gaat over grote bedragen. Het gaat over de kern van wat Vlaanderen in Brussel kan doen. Ik dacht toch dat de vraag bij een aantal collega’s leeft om op dat vlak iets of wat nauwer betrokken te kunnen worden bij de werking van dat fonds. Ik weet niet of u daarover wat meer informatie zou kunnen geven.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw An Brusseel : Minister, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord. De materie is natuurlijk niet eenvoudig. Ze valt dus niet eenvoudig uit te leggen. Dat begrijp ik uiteraard. Toch heeft de heer Delva een paar vragen gesteld die nuttig zijn voor het bepalen van het beleid. Ik denk aan de vraag over het tijdspad waarin u voorziet. Ik meen niet gehoord te hebben of u uiteindelijk in een tijdspad voorziet.

In uw beleidsnota is er sprake van analyses van het gevoerde beleid. Dat vind ik zeer belangrijk. We creëren regels, we maken plannen, maar we zijn ook mensen en dus feilbaar. Het is zeker nodig om op tijd en stond een analyse of een evaluatie te maken. Als ik u goed gehoord heb, hebt u gezegd dat u uiteindelijk geen studie ‘as such’ zou laten uitvoeren, maar dat u zich voor de analyse baseert op voortdurend overleg. We hebben al vastgesteld dat het in de politiek interessant is om op een bepaald moment toch eens een beslissing te nemen. Dat kan de zaak vooruit helpen. Het uitblijven van een beslissing blokkeert veel dingen in het leven, nietwaar? (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Uiteraard. Ik spreek alleen over mijn persoonlijke ervaringen.

Ik denk dat het voor Brussel en de Vlaamse instellingen in Brussel zeer nuttig zou zijn om op een bepaald moment een goede evaluatie te hebben van een doorlichting. Het zou ook goed zijn voor de commissie dat er een echte, grondige evaluatie zou gebeuren, die niet gebaseerd is op een aantal gesprekken, maar op ‘facts and figures’, zodat we hier een transparant overzicht zouden krijgen over het gevoerde beleid en over de ‘outcome’, het resultaat ervan op het terrein. We kunnen dan zien waar het beleid iets oplevert en waar het om een gevoerd beleid zonder meer gaat.

Ik pleit er dus voor dat u dus wel degelijk een grondige studie laat uitvoeren en dat het niet gaat om een studie die voortschrijdt. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Ik heb het over een studie over uw Brusselfonds, over de genomen beleidsopties, over het in kaart brengen ervan. In uw beleidsnota staat dat u een analyse laat maken van bepaalde zaken. Om het eenvoudig te stellen: ik zou die analyse graag zien. U hebt het over het voort­schrijdend overleg. Ik vraag me af hoe we in de commissie de analyse zullen bespreken als ze steeds voortschrijdt, als ze echt panta rhei is. Ik weet ook wel dat alles vloeit. Maar op een moment wil men een analyse zien om ze te kunnen beoordelen. Zo eenvoudig lijkt me dat.

De voorzitter : De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz : Ik wil kort nog een bezorgdheid uiten. Ze loopt parallel met wat de heer Delva en mevrouw Brusseel hebben gezegd. Het gaat over de toekomstige administratieve omkadering van het Brusselfonds. Vroeger was het niet allemaal beter, maar soms was het wel simpeler.

Als we heel ver terug gaan in de tijd – 15 à 20 jaar geleden – zagen we dat de Vlaamse Gemeenschap via haar gemeenschapsbevoegdheden rechtstreeks in Brussel opereerde. Dat doet ze nog altijd, laat daar geen onduidelijkheid over bestaan. Het was onder toenmalig minister van Cultuur Hugo Weckx dat destijds een apart budget is vrijgemaakt om de coördinatie voor Brussel ook financieel te ondersteunen. Ik denk dat het toen om een bedrag van 1 miljoen euro ging. Nu zijn we eigenlijk overgegaan van een tweeledige verhouding – de gemeenschapsministers met hun bevoegdheden voor Brussel en de VGC – naar een bijna drieledige verhouding. Het Brusselfonds is daartussen gekomen.

Let op, we moeten daarover niet hypocriet doen. We zijn allemaal blij dat het er is gekomen en dat er voor de ondersteuning van de coördinatie nu een veelvoud van 1 miljoen euro is. Zoals terecht is gezegd, is dat gebeurd ter compensatie van het kijk- en luistergeld.

Minister, de vraag is nu of het zinvol is om dat verder zwaar administratief te omkaderen. U had het niet over een zware omkadering. Maar er worden wel stappen gezet voor een verdere administratieve omkadering. Ik weet ook dat het kerntakendebat heel moeilijk is. Dat is geven en nemen. Dat heeft te maken met de politieke constellaties. Zelfs als alle ministers van één partij de minister voor Brussel in de Vlaamse Regering en de drie collegeleden leveren, dan nog zou het debat over de kerntaken niet zo gemakkelijk zijn.

Ik vrees echter dat, hoe verder we dat Brusselfonds administratief omkaderen en onder­steunen, hoe meer we met een drieledigheid zitten: de gemeenschapsministers in de Vlaamse Regering, die misschien – onbewust – daardoor ontslagen worden van een deel van hun verantwoordelijkheid, het Vlaamse Brusselfonds, dat daar stevig gebetonneerd tussen zit, en de VGC. Dat is de bezorgdheid die ik wil uiten. Ik hoop dat die ook de uwe is. We moeten daarmee voorzichtig zijn. We zitten nu in de politieke constellatie waarin we zitten. Maar zelfs los daarvan is dat iets dat ons de volgende 5 à 10 jaar moet bezighouden. Ik heb uw vraag ook zo begrepen. Laten we dat debat de volgende weken en maanden ook in de diepte verder voeren.

Minister Pascal Smet : Ik denk dat het antwoord wordt voorbereid door de taskforce. Als men een ambtelijke taskforce opricht, lijkt het me ook wenselijk dat ze zich daar eerst over buigt. Ze bestaat uit ambtenaren van de VGC en van de Vlaamse Gemeenschap. Het lijkt me ook logisch dat ze zorgt voor die analyse en evaluatie, en ze ook opneemt in een taakomschrijving.

Ik wil hier uiteraard uitleg komen geven over dat fonds. Er staat ook veel op het internet. Alles wat daarmee gebeurd is, kunt u terugvinden op brussel.vlaanderen.be/vlaams­brussel­fonds.html. In een Excel-tabel vindt u per jaar alle projecten die betaald en gefinancierd zijn, aan wie het bedrag gegeven is. Dat staat er allemaal op, soms verbazingwekkend gedetailleerd.

U kunt natuurlijk ook zeggen dat u wilt kijken naar de keuzes die in de toekomst zullen worden gemaakt om bepaalde projecten al of niet te ondersteunen. Dat is dan een beleidsvraag. Als ik dat doe, dan wordt dat in de meerderheid bekeken. Nadien wordt dan verslag uitgebracht in de commissie.

Alles uit het verleden is transparant beschikbaar op het internet. We kunnen dat bespreken. Ik heb er geen enkel probleem mee om daarover van gedachten te wisselen. Ik stel wel voor dat de analyse en de werking eerst door de taskforce gebeurt. Het lijkt me ook logisch dat we dat opnemen in het kerntakendebat en dat we daarna zien hoe we dat verder moeten doen. Dat lijkt me een heel duidelijke timing.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Wat u zegt, klopt, minister. Er staat veel informatie op de website. Maar dat is inderdaad op jaarbasis. De vraag tijdens de bespreking van de beleidsnota was om bijvoorbeeld twee keer per jaar een stand van zaken te krijgen van al die lopende projecten. Een jaar is natuurlijk een lange tijdspanne. Het gaat over grote bedragen en over funda­mentele dingen die ons, Brusselaars en sympathisanten van Brussel, allemaal aanbelangen.

Minister Pascal Smet : Ik heb daar geen probleem mee. Ik stel voor dat u dat organiseert met de commissie en dat er twee keer per jaar, bijvoorbeeld één keer bij het begin en één keer in het midden van het jaar, een stand van zaken wordt gegeven.

De voorzitter : Als we het daar allemaal mee eens zijn, graag.

Het incident is gesloten.

Tussenkomst VOU P. Delva 1764 – Brusselfonds