Respect voor transgenders vraagt veelzijdige aanpak

De transgenders in ons land krijgen de komende jaren meer respect en een betere erkenning van hun eigenheid. Dat is althans het doel van de plannen en maatregelen die nu op de agenda’s staan van de ministers van Gelijke Kansen. Wanneer we de analyse maken van de vele hindernissen en problemen waarmee transgenders geconfronteerd worden, kunnen we niet anders dan besluiten dat een veelzijdige aanpak noodzakelijk is. Het gaat om de meest fundamentele zaken, zoals de identiteitsbeleving en de bescherming van de fysieke integriteit. Daarom zullen acties van de ministers van Gelijke Kansen alleen niet volstaan, de voltallige regeringen (Belgische, Vlaamse en andere) moeten er hun schouders onder zetten. Als parlementsleden hebben we een stok achter de deur, onder de vorm van resoluties die aangenomen werden in het Europees Parlement. Die resoluties vragen aan de lidstaten ‘snelle en transparante gender-erkenningsprocedures in overeenstemming met het recht op zelfbestemming’. Het Parlement vraagt ook dat sterilisatie als een vereiste voor wettelijke gendererkenning uit de wetgeving geschrapt wordt en dat ‘transidentiteiten’ niet als een pathologie mogen beschouwd worden.

Op deze laatste punten die betrekking hebben op de identiteit zie ik een snelle vooruitgang wel mogelijk. Staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Elke Sleurs, wil de wetgeving aanpassen die uiterst strenge medische voorwaarden oplegt aan transgenders om op hun identiteitspapieren een ander geslacht te kunnen vermelden. Als we de individuele keuzes van transgenders om hun genderidentiteit in te vullen ten volle willen respecteren, zie ik trouwens geen noodzaak om mensen te verplichten een genderkeuze te maken in hun officiële identiteit. Op een dag zullen we vaststellen dat (m/v) een uitdrukking uit ver vervlogen tijden is. We zijn allen mensen en daaruit vloeien onze rechten voort, niet uit onze sekse.

Een ander paar mouwen is het aanpakken van de stigmatisering en het uitbannen van alle vormen van agressie tegenover transgenders. Genderstereotypen zitten in die mate sterk ingebakken in onze samenleving dat wie ze in vraag stelt, een bedreiging lijkt te vormen voor wie eraan gehecht is. Dit geldt uiteraard voor transgenders, maar ook voor holebi’s en voor vrouwen. Zeker mannen die afwijken van de verwachte strikte vorm van ‘mannelijkheid’, worden hard aangepakt. Vooroordelen, alle vormen van onbewuste en bewuste stigmatisering, van discriminatie en van geweld vinden hun oorsprong in dat stereotiep denken en het gebrek aan respect voor wie anders is.

Om dat probleem bij de wortel aan te pakken moeten we samenwerken. Ik denk aan de sectoren media, onderwijs, arbeidsmarkt en inburgering, die allen gebruik moeten maken van de informatie die het Transgender infopunt en çavaria verzamelden. Journalisten die tips krijgen over hoe ze het thema ‘transgenders’ kunnen behandelen zonder te schofferen of ongewild te stigmatiseren, beschouw ik als een eerste stap in de goede richting. Ook in het onderwijs hoop ik dat men de goede werking van experten blijft ondersteunen. Sinds enkele jaren vragen steeds meer Vlaamse scholen en lerarenopleiders aan çavaria hoe ze in hun team kunnen werken rond meer verdraagzaamheid voor holebi’s en transgenders, hoe ze een anti-pestbeleid op poten moeten zetten en hoe ze moeilijke onderwerpen zoals ‘van geslacht willen veranderen’ met hun jonge leerlingen kunnen bespreken. De wil is er, nu nog de kunde. De minister van onderwijs moet de werking van de experten op het terrein dus blijven ondersteunen. Ook de Holebifoon moet structureel verankerd en budgettair ondersteund worden.

Transgenders moeten ook op begrip kunnen rekenen op de werkvloer. Tot nog toe werd geen enkel diversiteitsplan afgesloten rond transgenders, zo blijkt uit het antwoord van minister Philippe Muyters op een van mijn schriftelijke vragen. In de toekomst is het belangrijk dat dit aspect mee geïntegreerd wordt in diversiteitsplannen. Bedrijven die een werknemer in transitie of een transgender in hun rangen tellen, hebben de plicht om de betrokken werknemer een aangename werkomgeving te verschaffen en bij de andere werknemers begrip te kweken voor deze bijzondere situatie. Personen in transitie worden bovendien geconfronteerd met hoge medische kosten. Ze kunnen het zich niet veroorloven om hun job op dat ogenblik te verliezen. Als dat wel gebeurt, dreigen ze te vervallen in armoede.

Het tussentijds rapport over geweld op transgenders dat een tijd geleden vrijgegeven werd, toont ontluisterende cijfers: bijna 4 op 5 ondervond verbaal of psychisch geweld, bijna 1 op 4 fysiek geweld en bijna 1 op 3 had ervaringen met seksueel geweld. Onderzoekster Heleen Huysentruyt, die het homofoob geweld in het centrum van Brussel onder de loep nam, noemde de non-conforme genderexpressies als een van de oorzaken van geweld. Vaak gaat men van de veronderstelling uit dat de daders allochtonen zijn en de slachtoffers blanke mannen, maar de realiteit is nog een stuk complexer. Bovendien werd vastgesteld dat de aangiftedrempel zeer groot is.

Om geweld tegen transgenders op een doeltreffende manier aan te pakken, moeten we een totaalaanpak hanteren: preventief en repressief. Ten eerste moet de angst om aangifte te doen weg bij de slachtoffers door een professioneler onthaal bij de politie. Ten tweede moeten politie en gerechtelijke instanties alle gevallen van geweldpleging steeds grondig onderzoeken en de daders moeten het signaal krijgen dat de samenleving hun houding niet aanvaardt. Het slachtoffer moet kunnen rekenen op een professionele opvang en goede zorgen, door een zorgteam dat ook ter beschikking is in het weekend. Het nieuw nationaal actieplan tegen geweld moet zorgen voor een daling van het aantal feiten, voor een echte kentering. In de parlementen moeten we erop toezien dat de beloftes en plannen door de regering waargemaakt worden. Want als we transgenders hun identiteit niet kunnen laten beleven, als we hun fysieke integriteit niet kunnen garanderen, dan falen we in onze opdracht om elk individu een plaats te geven in de samenleving.
 

Dit opiniestuk verscheen als column op ZiZo online.