Problematiek inteelt, erfelijke aandoeningen en gedragsstoornissen bij de fokkerij van rashonden

Problematiek

Er wordt teveel gefokt met zogenaamd “sterke honden” van een bepaald ras, waardoor teveel honden rechtstreeks verwant zijn met elkaar. Dit zorgt voor een verhoogde kans op verschillende aangeboren erfelijke aandoeningen, afwijkingen en ziekten.

Problematiek

Er wordt teveel gefokt met zogenaamd “sterke honden” van een bepaald ras, waardoor teveel honden rechtstreeks verwant zijn met elkaar. Dit zorgt voor een verhoogde kans op verschillende aangeboren erfelijke aandoeningen, afwijkingen en ziekten.

Onderzoekers erkennen reeds het probleem, maar de overheid moet nu voor een doeltreffende oplossing zorgen. De Europese Unie vaardigde al een richtlijn ter zake uit. In Zweden, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bestaat al aangepaste regelgeving, met de bedoeling duidelijkheid te creëren voor fokkers en de dieren te beschermen.

Regelgeving

In ons land is de regelgeving door toedoen van de bevoegdheidsverdeling niet duidelijk. Terwijl het lot van landbouwdieren (runderen, varkens, paarden, schapen, …) zogenaamd een Vlaamse bevoegdheid is, worden gezelschapsdieren zoals honden en katten beschouwd als een verantwoordelijkheid van de federale overheid, bevoegd voor dierenwelzijn en -dierengezondheid.

In zijn antwoord stelt minister-president Peeters het als volgt:

"De gewesten zijn krachtens artikel 6, §1, V van de bijzondere wet tot Hervorming der Instellingen bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, voor zover men o.m. niet op het domein van de dierengezondheid en het dierenwelzijn komt. Beide laatste materies zijn een uitdrukkelijk voorbehouden federale bevoegdheid.
Dit betekent dat de fokkerij van voor de landbouw nuttige huisdieren geregionaliseerd is. Als een bepaald beleidsinitiatief echter betrekking heeft op de dierengezondheid of het dierenwelzijn is de federale overheid nog steeds bevoegd.
Op basis hiervan werd door de Vlaamse Regering op 19 maart 2010 een besluit uitgevaardigd dat de fokkerij van de voor de landbouw nuttige huisdieren organiseert (hierna: fokkerijbesluit).
Het fokkerijbesluit bevat een restcategorie waar gezelschapsdieren (zoals honden en katten) onder zouden kunnen vallen, doch slechts in theorie. Het besluit beperkt zich immers tot de fokkerij van landbouwhuisdieren. De fokkerij van gezelschapsdieren en de handel in gezelschapsdieren is immers geen landbouwmaterie en dus bijgevolg in alle redelijkheid geen landbouwbevoegdheid van de gewesten."

Het strekt ook niet tot de bevoegdheid voor de gewesten om organisaties of verenigingen van fokkers te erkennen voor het bijhouden van registers of stamboeken van raskatten en rashonden.

Onder welke wetgeving zal vanaf 1 januari 2011 de invoer uit derde landen van rashonden en raskatten met stamboom vallen?

Het koninklijk besluit van 25 mei 1992 betreffende de zoötechnische en genealogische voorschriften voor de handel in rasdieren en het koninklijk besluit van 31 januari 1997 betreffende de zoötechnische en genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van dieren, sperma, eicellen en embryo’s werd inderdaad door het fokkerijbesluit opgeheven. Aangezien de Vlaamse Regering een besluit dat zowel federale als Vlaamse bevoegdheden bevat slechts voor wat zijn bevoegdheden betreft kan opheffen, zijn deze Koninklijke besluiten slechts opgeheven voor wat de Vlaamse (gewestelijke) bevoegdheden betreft en niet voor wat de federale bevoegdheden betreft.
Voor wat de federale bevoegdheden betreft, bestaat dit KB dan ook nog steeds."

Een hele juridische boterham!

Ann Brusseel: "Vermits de huidige wetgeving uiterst complex en verwarrend is zou het misschien een goed idee zijn om naast het fokkerijbesluit voor landbouwdieren ook een fokkerijbesluit voor gezelschapsdieren met stamboom (zoals bvb. rashonden en raskatten met stamboom) uit te werken."

Inteelt en erfelijke aandoeningen

Momenteel worden er overlegvergadering (kabinet Peeters met alle betrokkenen uit de sector) gehouden (8 november, 16 december) rond de problemen van inteelt en erfelijke aandoeningen in de fokkerij van rashonden met stamboom met alle betrokkenen uit de sector.

Ann Brusseel: "Het is uiteraard positief dat inteelt bij rashonden de nodige aandacht en erkenning krijgt. Maar ik hoop dat het geen match bureaucratische pingpong wordt. In zijn antwoord stelt minister-president Peeters immers letterlijk dat de bestrijding van inteelt bij rashonden en raskatten omwille van dierengezondheids- en dierenwelzijnsredenen  een federale bevoegdheid is. Zou het niet veel nuttiger zijn indien alle regeringen samen de strijd aan zouden gaan om wantoestanden in de fokkerij tegen te gaan? 
Ondertussen worden veel dieren en hun “baasjes” getroffen door de gevolgen van de werkwijze van de fokkers die winst boven de gezondheid van de dieren stellen. De mate waarin een samenleving dierenleed wil beperken is immers de mate waarin ze volwassen en beschaafd geworden is."

In de commissie landbouw van 12 januari 2011 kwam de problematiek van erfelijke aandoeningen en gedragsstoornissen ten gevolge van inteelt opnieuw aan bod. Inmiddels werd er kabinetsoverleg gehouden, maar een oplossing en een aanpak van het probleem zijn nog lang niet in zicht.

Vraag om uitleg van de heer Dirk Peeters tot de heer Kris Peeters, minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, over de problematiek van inteelt, erfelijke aandoeningen en gedragsstoornissen bij rashonden – 815 (2010-2011)

De voorzitter: Geachte leden, ik heet u hartelijk welkom op de eerste commissievergadering van 2011. Voor iedereen de allerbeste wensen voor een goed 2011, op persoonlijk en ook op politiek vlak.

Om elk misverstand naderhand te vermijden: zoals eerder afgesproken, heeft de commissiesecretaris de commissieleden het verslag van de vergadering met de deskundigen die op het kabinet heeft plaatsgevonden, via e-mail bezorgd.

De heer Peeters heeft het woord.

De heer Dirk Peeters: Ook ik wil iedereen mijn beste wensen overmaken voor een voorspoedig, gezond en veilig 2011.

Voorzitter, minister, geachte leden, de problematiek van rashonden en erfelijke aandoeningen is hier in oktober al eens ter sprake gekomen, op aangeven van mevrouw Eerlingen. Toen werd er overleg op kabinetsniveau in het vooruitzicht gesteld. Dat heeft ondertussen plaatsgevonden. We hebben dat verslag kunnen krijgen via het secretariaat, waarvoor dank.

Ik kan me echter niet van de indruk ontdoen dat we niet echt dicht bij een oplossing zijn gekomen. Dat heeft mede met ons ingewikkeld staatsbestel te maken. Voor de landbouwdieren hebben we een Vlaamse oplossing, via het Fokkerijbesluit, maar rashonden blijven een federale aangelegenheid, aangezien Dierenwelzijn niet naar de gemeenschappen of de gewesten is overgeheveld. Toch moet er zeer dringend aan een oplossing worden gewerkt, want de problematiek van inteelt, erfelijke ziekten en de daaraan gerelateerde gedragsproblemen kan generaties lang nadelige effecten veroorzaken bij de dieren zelf, maar mogelijk op termijn ook gevaren voor de mens veroorzaken.

Het lijkt me dat een oplossing kan worden gezocht in samenwerking met wetenschappelijke instellingen, dierenartsen en de stamboomhouders, zoals de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus. Specifiek de stamboomhouders kunnen worden aangesproken om bijkomende informatie te geven over DNA-gegevens van de honden. Sint-Hubertus kan ook worden betrokken bij het herzien van de rol voor de keurmeesters, die op schoonheidswedstrijden niet alleen raskenmerken moeten controleren, maar daarnaast ook meer aandacht zouden kunnen schenken aan dierenwelzijn en dierengezondheid.

Minister-president, kunt u verduidelijking geven en een stand van zaken na het gevoerde overleg op het kabinet? Wat zijn de volgende stappen die zullen worden gezet? Welke wetenschappelijke instellingen zijn tot nu toe betrokken? Met welke opdracht, welke financiering en binnen welk tijdsperiode worden ze aangespoord resultaten te hebben? Op welke wijze kunnen die wetenschappelijke instellingen, dierenartsen en stamboomhouders door de Vlaamse overheid worden aangestuurd om bij te dragen aan een oplossing voor dit probleem? Heeft Vlaanderen ook al inspanningen geleverd om de federale overheid actiever te betrekken en te mobiliseren? Hoewel het een federale bevoegdheid is, heb ik immers de indruk dat er federaal niet zo veel beweegt ter zake.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Minister-president, ook ik heb hierover al met u van gedachten gewisseld in de commissie. Ik heb er ook een schriftelijke vraag over gesteld. Ik deel dus de bekommernissen en vragen van de heer Peeters. Ik wil u ook een vraag stellen in verband met de antwoorden die ik heb gekregen op mijn schriftelijke vraag.

Ik wil nog even terugkomen op de bevoegdheidsverdeling en datgene dat is vastgelegd in een KB en vervolgens in een Vlaams Fokkerijbesluit. In uw antwoord hebt u toen duidelijk gesteld dat het KB niet meer van toepassing is als het gaat over voor landbouw nuttige dieren, maar wel voor andere dieren. U hebt dus gesteld dat er geen probleem meer was. In uw antwoord op mijn derde vraag gaf u echter toe dat er knelpunten zijn, die moeten worden weggewerkt.

Ik wil het daar even met u over hebben. Uiteindelijk heeft men bij het kabinetsoverleg lang stilgestaan bij die knelpunten. Men heeft acht grote knelpunten afgebakend. Onder meer is er de afbakening van de federale en regionale bevoegdheden met betrekking tot de hondenfokkerij. Op het overleg heeft men zelf gesteld dat die onduidelijk is. Ook wordt gesteld dat de overheid onvoldoende instrumenten heeft om de problematiek aan te pakken, en dat de achtergrond en afkomst van 80 procent van de honden die jaarlijks op de Belgische markt komen, onbekend zijn.

In uw antwoord hebt u ook gesteld dat het gaat over bepaalde dieren in de landbouw en de zeevisserij, en dat de gewesten bevoegd zijn voor zover ze niet de domeinen van de dierengezondheid en het dierenwelzijn betreden. Dat zijn immers federale materies. Nu zitten we wel met een probleem. Als fokkerijen voor gezondheidsproblemen zorgen, dan vraag ik me af – en velen met mij – of dit nu Vlaams of federaal is, vooral als het over bepaalde dieren gaat. Wat de landbouw betreft, lijkt dat duidelijk, maar dat zal het niet altijd zijn. Ik pleit ter zake voor een grondigere en meer efficiënte opdeling, niet alleen van de bevoegdheden, maar eigenlijk ook van de taken die de overheid moet vervullen. Misschien zijn sommige taken nog niet aan bod gekomen. We moeten nadenken over de controlemechanismen en de bestaande instrumenten. Minister-president, bent u nagegaan, in overleg met de federale overheid, hoe een meer efficiënte bevoegdheidsverdeling kan worden ontworpen? Klopt het dat de Vlaamse overheid de federale overheid kan bewegen tot het nemen van actie, of zal er worden gewacht?

Dan heb ik nog een specifieke vraag met betrekking tot de invoer. Men heeft het immers over de fokkerijen in België en Vlaanderen, maar er is ook de invoer van spermacellen, eicellen en embryo’s. Wordt die nog altijd wettelijk geregeld door de KB’s van 25 mei 1992 en 31 januari 1997, of niet?

Hebt u ook de dierenartsen betrokken bij het kabinetsoverleg? Hoe ziet u hun rol met betrekking tot deze problematiek?

Ook zou ik graag willen weten of de werkzaamheden van het Vlaams Fokkerijcentrum door de overheid worden gefinancierd. Van ingewijden verneem ik immers dat dit centrum niet steeds efficiënt organiseert en dat de werkzaamheden van de diverse commissies die inteelt bij landbouwdieren zouden moeten aanpakken, stilaan zouden verwateren. Ik zou daar dus graag meer informatie over krijgen.

In het verslag van het kabinetsoverleg hebben we gelezen dat er op 16 december een nieuw overleg zou plaatsvinden. Daarvan heb ik, denk ik, geen verslag ontvangen, maar misschien kunt u ons meedelen wat daar eventueel is beslist en of er deadlines zijn opgelegd. In het verslag van het overleg worden er immers een aantal interessante mogelijkheden geopperd, maar is er ook al een tijdspad vastgelegd?

De voorzitter: Mevrouw Eerlingen heeft het woord.

Mevrouw Tine Eerlingen: Voorzitter, ook van mijn kant de beste wensen aan iedereen die ik nog niet had gezien.

Ik wil me hier graag bij aansluiten. In het verleden heb ik inderdaad een vraag gesteld over de fokkerij van rashonden en -katten. Ook ik heb mijn twijfels over de vooruitgang van die werkgroep die federaal zou zijn opgericht. Ik heb eveneens het gevoel dat daar niet veel animo bestaat om dat echt grondig aan te pakken, dat dit veeleer iets is dat op de lange baan zal worden geschoven. Daarom wil ik vragen dat Vlaanderen meer zou ondernemen.
Minister-president, u stelt dat dit moeilijk is, omdat er zo aan een federale bevoegdheid zou worden geraakt. Ik denk echter dat die grens niet zo heel duidelijk te trekken is. Misschien bestaat er dus toch een mogelijkheid om ter zake het heft wat meer zelf in handen te nemen. Wat is volgens u de volgende stap in deze zaak?

De heer Jos De Meyer: Minister-president, ik zou graag hebben dat het verslag van 16 december, wanneer het is goedgekeurd, wordt overgemaakt aan de secretaris, zodat wij het aan alle leden kunnen overhandigen.

Inhoudelijk is de fundamentele vraag: wat kunnen we verwachten of wat mogen we eisen van de fokkerij- en stamboekverenigingen, en hoe kunnen we dit afdwingbaar maken?

De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters: Voorzitter, collega’s, eerst en vooral ook mijn beste wensen. Een goede gezondheid. Ik ga ervan uit dat wij ook in het kalenderjaar 2011 op een vruchtbare manier kunnen samenwerken en dat de vragen die u stelt, zoals in het verleden afdoende worden beantwoord, dat wij het beleid inzake Landbouw, Visserij en Platteland hier kunnen bespreken en dat wij verder aan een doortastend beleid kunnen werken. De vragen die hier zijn gesteld, tonen aan dat dit zeker ook uw intentie is.

Er zijn meerdere vragen over de verschillende niveaus. De eerste betreft de discussie welke bevoegdheden nu Vlaams zijn en welke federaal. Bij dat laatste wordt verwezen naar de verschillende koninklijke besluiten. Een van de discussiepunten in het kader van de zesde staatshervorming is de hele sector van het dierenwelzijn. Men vraagt om dit te regionaliseren.

Sommige partijen verzetten zich daartegen. U weet dat het triumviraat nu aan het verdiepen en mogelijk aan het versmallen is. Wat er met Dierenwelzijn zal gebeuren, is mij op dit moment niet duidelijk. Het stond niet in de beruchte nota van Johan Vande Lanotte. Eerst wel, maar men zegt mij dat bepaalde partijen – en ik weet welke – ervoor hebben gezorgd dat Dierenwelzijn een federale materie zou blijven.

Deze discussie toont aan dat dit geen grote homogeniteit van de bevoegdheden inhoudt. Er kunnen discussies zijn over wie wat doet – of die zijn er al. Ik heb in de schriftelijke antwoorden die ik u heb bezorgd, getracht om te komen tot een werkzame oplossing en om niet vast te lopen in de discussie over de staatshervorming en de bevoegdheden. Ik heb getracht om tot aanvaardbare en praktisch uitvoerbare werkmethoden en werkafspraken met het federale niveau te komen.

U hebt gelijk dat er nog vragen bij te stellen zijn. U hebt heel goed opgemerkt dat de experts zelfs zeggen dat er geen reglementering bestaat voor de invoer, de intracommunautaire handel, van honden met ongewenste kenmerken enzovoort. Ik kan dat alleen samen met u vaststellen. De conclusie is dat er, wat de verdeling van de bevoegdheden betreft en de manier waarop we dat invullen, toch nog elementen zijn die discussies veroorzaken. Ofwel gaat men Dierenwelzijn homogeniseren en regionaliseren, zodat het één pakket is, ofwel zullen wij sowieso een uitklaring moeten krijgen van een aantal pertinente juridische vragen. U hebt daarin gelijk.

Een van de knelpunten is dat die knelpunten in juridisch opzicht nog niet volledig zijn. Wij moeten daar nog een aantal aanvullingen doen. Ik begrijp de vraagstellers: wij moeten de problemen oplossen en tot heel duidelijke afspraken komen, niet alleen tussen de verschillende niveaus maar ook voor diegenen die daarmee worden geconfronteerd. Ik heb ook die overtuiging en de intentie om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen.
We zullen alle verslagen opsturen zodra ze zijn goedgekeurd. Dat zorgt voor volledige transparantie. U hebt een aantal verslagen gekregen waarin die knelpunten zijn opgenomen.

De laatste stand van zaken is dat er is afgesproken dat er met de betrokken universiteiten een groep wordt gevormd die het onderzoeksluik verder zal bekijken. Er wordt ook een samenwerkingsverband opgezet, dat alle andere knelpunten zal behandelen en oplossen, en dat voorstellen zal uitwerken. Dat is dus een dubbel spoor. Op het samenwerkingsverband kom ik nog terug.

Op dit moment zullen de UGent en de K.U.Leuven samen nagaan welke wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn en waar eventueel onderzoek noodzakelijk is. Er is nog geen opdracht geformuleerd en er is ook nog geen financiering. Ze zijn op dit moment aan het bekijken wat de scope kan zijn en of het effectief noodzakelijk is daar bijkomend onderzoek te verrichten. Dus kan ik niet het tijdspad geven van dat eventuele bijkomende onderzoek.

In verband met de betrokkenheid van het een en het ander moet ik herhalen wat ik een vorige keer al heb gezegd. De knowhow om inteeltproblemen aan te pakken, werd ontwikkeld voor de fokkerij van rundvee, varkens, paarden en andere sectoren die worden aangestuurd door de Vlaamse overheid. De knowhow bestaat enerzijds uit het vaststellen en registreren van kenmerken en afstamming van de dieren, anderzijds uit het berekenen van verwantschapsgraden en paringsadviezen. De verenigingen van fokkers, dat zijn ook de organisaties van stamboekhouders, spelen daarin natuurlijk een zeer cruciale rol. Zij winnen de informatie in bij de fokkers en leggen de procedures vast voor het registreren en verwerken van de gegevens. Dierenartsen kunnen een rol spelen bij het vaststellen van de kenmerken. Zij kunnen in overleg met de verenigingen van fokkers genetisch materiaal bij fokdieren nemen en overmaken aan onderzoeksinstellingen. Het resultaat van dit onderzoek kan gebruikt worden voor berekeningen die ten behoeve van fokkersverenigingen worden uitgevoerd door de wetenschappelijke instellingen.

Ik heb vermeld dat de sector zelf ervoor heeft gekozen om een samenwerkingsverband te starten en om zo oplossingen uit te werken die gedragen zijn door de betrokken actoren. Ik begrijp dat sommige collega’s vinden dat dit te lang duurt. Maar iedereen is het erover eens dat we tot een gedegen en gedragen oplossing moeten komen. Dat vraagt misschien iets meer tijd dan u maar ook ik graag zouden hebben. De sector zal in een samenwerkingsverband oplossingen uitwerken. Deze worden dan ook door iedereen erkend en gedragen.

Bepaalde actoren hebben de overtuiging dat de regelgeving niet meteen de problematiek zal oplossen. Men zegt dat er in elk geval nood is aan gepast onderzoek, motivering en sensibilisering. Ik kan dat begrijpen. Het enige wat we in de gaten moeten houden, is dat er hier geen vertragingsmanoeuvres in zitten en dat men de bal zo ver mogelijk weg wil shotten. Ik ben daar ook bezorgd over. De universiteiten zeggen echter terecht dat zij nog wat wetenschappelijk onderzoek moeten verrichten. Wij moeten dit probleem aanpakken en niet onder de mat vegen.

Welke actoren zijn er betrokken? De fokkersverenigingen, de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus, de hondenfederatie Vrienden Onder Eén (VOE), de Belgische Kennel Club, de handelsverenigingen Andibel en Ani-zoo, en de wetenschappelijke instellingen UGent en K.U.Leuven. De administratieafdeling Duurzame Landbouw en Ontwikkeling coördineert dat alles.

Omdat het nadrukkelijk werd gevraagd, is het wel de bedoeling om tegen juni 2011 een evaluatie van de werkzaamheden te maken. We proberen de druk hoog te houden zodat er niet een paar jaar overheen gaan. We moeten midden dit jaar heel duidelijk weten waar we staan.

De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid is betrokken bij dat overleg en zal ook deelnemen aan het samenwerkingsverband. Ook de Raad voor Dierenwelzijn volgt die werkzaamheden op. De verslagen van de vergaderingen worden hier overgemaakt. Ik hoop dat de juridische problematiek over wie wat doet, zeker met betrekking tot de invoer, zeker bekeken wordt. Ik zal de bevoegdheden die ik me kan toe-eigenen om vooruitgang te boeken, ook opnemen. Het is niet zo dat ik de bal naar de federale overheidsdienst tracht te kaatsen. Maar ik wil niet dat deze problematiek ontaardt over bevoegdheden en dat er een spanning ontstaat tussen de federale en de Vlaamse overheid in afwachting van de staatshervorming. Dat helpt de zaak niet vooruit.

Het samenwerkingsverband is nu gerealiseerd. De universiteiten zijn het aan het bekijken en doen onderzoek. Er is een heel duidelijke afspraak dat we tegen juni heel wat verder moeten staan in deze materie.

Sta me toe dat ik de vraag naar de financiering over de Vlaamse fokkerij later geef. Ik ken die cijfers niet uit het hoofd. Ik zal dat nakijken.

De voorzitter: De heer Peeters heeft het woord.

De heer Dirk Peeters: Minister-president, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben ook blij dat u een engagement aangaat om tegen juni 2011 vooruitgang te boeken en dat we er nog eens op terug kunnen komen.

Het is natuurlijk weer een Belgisch probleem. Het is een probleem van staatshervorming of geen staatshervorming. Daarbij komt dan nog dat we verschillende adviezen krijgen. Sommigen zeggen dat het een federale bevoegdheid is en blijft. Anderen zeggen dat voor een deel een oplossing mogelijk is via het Fokkerijbesluit.

Uit uw antwoord kan ik niet opmaken hoe het nu precies zit. Wat dat betreft, blijft u op de vlakte. Ik wil nog wel wachten tot juni. Zo dringend is het niet. Het blijft toch wel een pingpongspel tussen Vlaanderen en de federale overheid. Het is misschien geen probleem dat op de eerste lijn staat. Het is BHV niet. Toch is het een probleem waarbij veel mensen betrokken zijn. Voor hen is het wel belangrijk dat er een oplossing wordt gevonden. Maar ik noteer juni. Dan kom ik er wel nog eens op terug.

De voorzitter: Mevrouw Eerlingen heeft het woord.

Mevrouw Tine Eerlingen: Minister-president, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dat het een zeer complexe materie is, ook vanwege de bevoegdheden. Ik ben blij dat u daar een maximale invulling aan wilt geven. Ik hoop ook dat u dat zo ver mogelijk zult doen, zonder de zaken op de spits te drijven en in afwachting van, hopelijk, de overheveling van de bevoegdheid inzake dierenwelzijn naar het regionale niveau.

U stelt dat de regelgeving niet voldoende is om de zaak op te lossen. Ik vermoed dat die zeer complex zal zijn. Ook sensibilisering en controle zullen nodig zijn. Er moet natuurlijk heel grondig bekeken worden hoe dat wordt uitgewerkt.

Ik wacht ook de evaluatie van juni 2011 af. Ik kijk er met spanning naar uit. Ik hoop dat er dan iets meer duidelijkheid bestaat over wie welke acties kan ondernemen.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Minister-president, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben enigszins gerustgesteld dat u inziet dat er een groot probleem is. Zonder wie dan ook te beschuldigen van een foute aanpak, is dit toch de georganiseerde onverantwoordelijkheid.

De vraag wanneer het is gebeurd en wie het heeft gedaan, die doet er niet toe. Dit kan gewoon niet. Dit is kafkaiaans. Dit is compleet absurd. Het is niet in het belang van dieren.

Ik ben het er niet noodzakelijk mee eens dat als alles geregionaliseerd is, het beter zal verlopen. We moeten een houding ontwikkelen waardoor er meer aandacht is voor pragmatiek. Ik ben blij dat er een samenwerkingsverband zal komen met alle actoren en dat de universiteiten zullen samenwerken en betrokken worden in de discussies.

Wat vooral uitgeklaard moet worden, is wat nu eigenlijk door wie zal worden uitgevoerd, gecontroleerd, bepleit. Als de fokkerij- en de landbouwmaterie op een ander niveau wordt behandeld dan de gezondheid van dieren, dan verstaat een kind dat dat niet gaat. Daar moet heel snel een oplossing voor worden gevonden. Daar dring ik toch wel op aan.

Ik sluit af met een iets vrolijker noot, hoewel het eigenlijk helemaal niet vrolijk is. Ik riskeer een beetje cynisch te zijn, maar dat is niet zo. Er wordt gesproken over bepaalde dieren, zoals paarden die nuttig zijn voor de landbouw. Maar het paard waarop ik vaak rij, is dat helemaal niet. Dat is geen landbouwdier. Wat met de konijnen, met de herdershond, die ook nuttig is voor de landbouw? U kunt daarmee lachen, maar eigenlijk is het absurd. En er moet heel snel een oplossing worden gevonden. Daar reken ik toch op.

De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters: Voorzitter, er zijn veel situaties in dit kleine Belgiëland waarbij we de vraag kunnen stellen of we die niet beter kunnen organiseren. Dit is er een van. Gelet op de problematiek tracht ik een oplossing te vinden en niet in een situatie verzeild te raken waarbij we, als we bepaalde beslissingen zouden nemen over die rashonden enzovoort, het antwoord zouden krijgen dat het niet onze bevoegdheid is en dat de beslissingen niet wettelijk zijn. Dan zouden we nog verder van huis zijn. Dat zou helemaal het einde zijn.

Met dat samenwerkingsverband hebben we toch alle betrokken partijen, ook de federale overheid, rond de tafel gekregen. Wanneer we met het wetenschappelijk onderzoek en de inbreng van de beide universiteiten duidelijke afspraken maken, is het op dit moment niet mijn grootste zorg wie zorgt voor de controle, de federale of de Vlaamse overheid. In eerste instantie is de vraag of we met een goede methode het probleem kunnen aanpakken binnen de huidige verdeling van de bevoegdheden. Laten we hopen dat we op dit en op andere domeinen in de toekomst duidelijkere afspraken kunnen maken.

Mevrouw Brusseel, ik kan u verzekeren dat de politieke gevoeligheid op het federale niveau bij bepaalde partijen om dierenwelzijn absoluut bij de federale overheid te houden, zeer groot is. ‘Uw paard, dat gaat nog maar de hond niet meer’: die houding is nog sterk aanwezig. Ik zal de druk op de ketel houden om ervoor te zorgen dat we tegen juni het probleem bij de horens hebben gevat en werkzame oplossingen hebben uitgewerkt.

De voorzitter: Het incident is gesloten.
 

Lees hier het artikel naar aanleiding van de discussie in de commissie landbouw van 6 oktober 2010.

Lees hier het  volledige verslag van de parlementaire vraag (SV 23) over de fokkerij voor honden en katten met stamboom.