Potje breken is potje betalen, behalve voor jonge delinquenten en hun ouders?

Sedert de rellen in Molenbeek onze nationale pers beheersen heeft elke betrokkene zowaar een schuldige gevonden. De overheid zou de jongeren aan hun lot overlaten en nauwelijks geld investeren in de wijken van Molenbeek. Sommigen wijzen op een tekort aan straathoekwerkers om de jongeren een zinvolle invulling van hun vrije tijd te geven. Volgens straathoekwerkers is het de politie die de jongeren uitdaagt door een ‘onnodig machtsvertoon’. Dat bepaalde Brusselse wijken ook voor de politie te gevaarlijk zijn om er met twee agenten te patrouilleren, schijnt men niet te willen geloven. De politie heeft geen ‘afschrikeffect’ meer. De politie beschuldigt Justitie van een gebrek aan daadkrachtig optreden. Het parket beweert over onvoldoende middelen te beschikken om onmiddellijk en adequaat te reageren op de rellen. De minister van justitie hult zich in stilzwijgen.

Als inwoners van Brusselse ‘migrantenbuurten’ en vertegenwoordigers van het volk, kunnen wij echter niet zwijgen. De rellen zijn het topje van de ijsberg. Het is het protest van jongeren die hun ‘job’ kwijt zijn, hun job in de illegale economie welteverstaan, nu een aantal ‘vzw’s’ de deuren moesten sluiten. Al jarenlang wordt in bepaalde wijken van Molenbeek en andere Brusselse gemeenten de handel in drugs, auto’s en gestolen goederen gedoogd. Dat schimmige vzw’s jarenlang met overheidsgeld cafés uitbaatten waar drugs werd gedeald, hoor je alleen in de wandelgangen. Dat de burgemeester van Molenbeek al jarenlang aan de politie vraagt een oogje dicht te knijpen om geen rellen te veroorzaken, durft niemand te zeggen. Dat daders in het ‘beste’ geval een paar maand in de gevangenis doorbrengen wordt niet luidop gezegd. Dat de ‘preventiewerking’ vooral het dienstbetoon van een politieke partij moet dienen al evenmin. Dat er nog steeds honderden sociale woningen in onvervalste ‘brezjnevstijl’ worden bijgebouwd, is een publiek geheim. Niet de kwaliteit, maar de hoeveelheid woningen primeert. Wie daar beter van wordt, is een groot vraagteken.

Aan geld geen gebrek de voorbije jaren. Via de wijkcontracten wordt sinds ’94 door het Brussels Gewest geld geinvesteerd in de moeilijke wijken. In 2007 ging dat over 52 miljoen euro. De federale overheid doet haar duit in het zakje via de extra middelen voor politie en preventie plus het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid. Ook Europa investeert sinds ’94 in de moeilijke buurten via de Urban 1 en 2 projecten.

Aan preventie eveneens geen gebrek. Naast het politiekorps zijn er 87 parkwachters in Sint-Jans-Molenbeek. Een bemiddelingsdienst moet conflicten in de wijken vermijden. Er zijn 6 buurthuizen voor jongeren en een tiental verenigingen houden zich specifiek met de jongeren uit de verhitte buurten bezig. Sport, creativiteit, huiswerkbegeleiding, opvoedingsondersteuning, cursussen, jobbegeleiding, praten met jongeren… Noem het en het gebeurt al. We zijn op een punt gekomen dat praatjes en euro’s geen soelaas meer bieden.

De overheid heeft een opdracht: zorgen voor rechtvaardigheid, mensen op het rechte pad helpen en personen voor hun verantwoordelijkheid stellen. We zijn op deze drie fronten dik gebuisd. De jonge GSM-dief wordt eerder homejacker, dan dat hij via een alternatieve straf en schoolbegeleiding terug op het rechte pad terechtkomt. Wie slachtoffer is van criminaliteit in Brussel doet vaak zelfs geen aangifte meer. Bovendien is het taboe om de dader ter verantwoording te roepen. De ‘ongelukkige/ moeilijke jeugd’ is een juiste verklaring, maar mag geen straffeloosheid tot gevolg hebben. Nochtans moeten we de oplossing niet ver zoeken. Als je kind stout is en je straft het niet, dan leert het geen grenzen. Als je niet naar je kind omkijkt, dan gelden al vanaf zeer jonge leeftijd de wetten van de straat. Als ouders hierin in gebreke blijven, moet de maatschappij optreden, hen ter verantwoording roepen en trachten om zelf de jongeren op het rechte pad te brengen. De kostprijs hiervoor moet zowel door de delinquenten als door hun ouders gedragen worden. Als je een potje breekt moet je het potje betalen, middels een boete of een werkstraf. Naast preventie zijn werkstraffen nodig en daar wringt het schoentje. Hoewel er in Brussel in 2008 een 1500 –tal werkstraffen werden uitgesproken, stonden er in januari 2009 maar liefst 594 daders op de ‘wachtlijst’ voor een werkstraf.

Elke ouder ontvangt ook geld om zijn ouderlijke plichten uit te voeren: de kinderbijslag. Heeft een ouder die zijn ouderlijke plicht niet uitvoert -en daar hoort toch wel bij dat je een puber ’s nachts niet de straat op laat- nog recht op kindergeld? De overheid zou beslag moeten kunnen leggen op het kindergeld van ouders wiens kinderen misdrijven plegen en schade aanrichten. Dit is een eerlijke manier om de gelopen schade te vergoeden.

Iedereen kan fouten maken, iedereen heeft recht op een tweede kans, maar die moet je wel verdienen. Een maatschappij kan niet steunen op medelijden, afgunst of onverschilligheid. Politici moeten het ei van Columbus niet uitvinden. De maatregelen die nodig zijn bestaan: wijkwerking, investeringen in een leefbare openbare ruimte, preventie en straathoekwerk, politieoptreden, alternatieve straffen en administratieve boetes. Laten we deze taken dan ook doorlichten en naar behoren uitvoeren. Of om het liedje van Bart Peeters te parafraseren ‘Het is niet wat het is, het is wat je ermee doet.’

Ann Brusseel & Els Ampe