Organisatie levensbeschouwelijke vakken in het onderwijs verre van evident

Alle scholen ingericht door openbare besturen zijn conform de Grondwet (artikel 24) verplicht om, tot het einde van de leerplicht, de keuze te bieden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Alle scholen ingericht door openbare besturen zijn conform de Grondwet (artikel 24) verplicht om, tot het einde van de leerplicht, de keuze te bieden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Concreet wil dit zeggen dat het Gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs voor alle leerlingen een aanbod dienen in te richten met betrekking tot de zes erkende godsdiensten (rooms-katholieke godsdienst, anglicaanse godsdienst, protestants-evangelische godsdienst, orthodoxe godsdienst, islamitische godsdienst en israëlitische godsdienst) en de niet-confessionele zedenleer.
Het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt niet verplicht om meerdere godsdiensten aan te bieden. Het leerplan bepaalt voor deze onderwijsinstellingen of zij een confessioneel (één of meerdere der erkende godsdiensten) en/of een niet-confessioneel aanbod (niet-confessionele zedenleer) hebben. Bepaalde onderwijsinstellingen kunnen, afhankelijk van het leerplan, de levensbeschouwelijke vakken “cultuurbeschouwing” en “eigen cultuur en religie” inrichten. In het officieel onderwijs bestaat bovendien de mogelijkheid om een vrijstelling aan te vragen voor het volgen van een levensbeschouwelijk vak.

Een complexe situatie die in de praktijk nogal eens problemen oplevert (lessenroosters opstellen, lokalen vrijmaken, leerkrachten vinden,…). Daarom vroeg Ann Brusseel in een eerste vraag (SV 150) een cijferoverzicht van de evolutie van het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken in ons leerplichtonderwijs.

Evolutie levensbeschouwelijk onderwijs:

  • Meer dan 80% van de leerplichtigen volgt nog steeds katholieke godsdienst, maar dit aandeel neemt lichtjes af.
  • Niet-confessionele zedenleer wordt door 10% van de leerlingen basisonderwijs en 13% van de middelbare scholieren gevolgd.
  • Islamitische godsdienst neemt toe, vooral in de basisscholen (van 4,5% in 2007-2008 naar 6,5% in 2011-2012) en vooral in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (in 2011-2012 tot 28,4%). Ook in het secundair onderwijs is er een toename van 3,13% in 2007-2008 naar 4,21% in 2011-2012.
  • De Israëlitische godsdienst maakt 0,30% van het aanbod in het basisonderwijs en 0,20% in het secundair onderwijs uit, maar concentreert zich vooral in de Joodse scholen in Antwerpen.
  • De Protestantse godsdienst neemt lichtjes toe, zowel in het basisonderwijs (van 0,66% in 2007-2008 naar 0,81% in 2011-2012), als in het secundair onderwijs (van 0,32% naar 0,35%).
  • De Anglicaanse godsdienst beperkt zich jaarlijks tot een tiental leerlingen, zowel in het basis- als het secundair onderwijs.
  • Ook de Orthodoxe godsdienst gaat lichtjes vooruit (van 0,08% naar 0,13%), zowel in het basis- als het secundair onderwijs.
  • Cultuurbeschouwing neemt lichtjes toe in het basisonderwijs (van 0,64% naar 0,71%), maar stelt weinig voor in het secundair onderwijs 0,27%.

Een meer gedetailleerd overzicht van alle cijfers vindt u in bijlage (SV 150).

Inzet personeel en kost

Sedert het schooljaar 2008-2009 wordt aan het gemeenschapsonderwijs en het officieel gesubsidieerd onderwijs (OGO) in de werkingstoelagen een vast bedrag per leerling toegekend voor de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken. In 2011-2012 werd zo 4.857.890 euro toegekend aan het basisonderwijs (GO! + OGO) en 4.997.131 aan het secundair onderwijs, los van de loonkosten.

De loonkosten nemen globaal jaar na jaar toe. In het totaal bedroegen ze voor het schooljaar 2011-2012 voor alle netten samen 76.443.339 euro voor het basisonderwijs en 189.588.521 euro voor het secundair onderwijs

Ann Brusseel: “Eén van de zaken die mij opvielen is dat de kostprijs de pan uit swingt, vooral door de organisatie van de kleinere godsdiensten. Zo waren er bijvoorbeeld voor de Anglicaanse godsdienst in 2011-2012 over heel Vlaanderen 15 leerlingen in het basisonderwijs en 9 in het secundair onderwijs. Omwille van de geografische spreiding werden 4 leerkrachten aangesteld. Je kunt dan toch stellen dat een loonkost van 49.432 euro voor het onderwijzen van een geloofsovertuiging aan 24 leerlingen gedurende 2 lesuren per week duur is voor de gemeenschap. Bovendien is het voor de school ook praktisch moeilijk (leerkracht vinden, lokaal) om voor één of meerdere leerlingen een bepaald vak te organiseren.”

Organisatorische problemen

We leven in een multiculturele samenleving met een toenemende diversiteit in de leerlingenpopulatie, ook op levensbeschouwelijk vlak. Door die diversiteit in het gevraagde aanbod aan levensbeschouwelijke vakken wordt het voor de scholen moeilijk om alles ook goed geregeld te krijgen. In een tweede vraag (SV 253) ondervroeg Ann Brusseel minister Smet over het probleem dat kleinere scholen ondervinden bij de organisatie van meerdere levensbeschouwelijke vakken. Nu blijkt dat er in Vlaanderen 31 scholen voor gewoon basisonderwijs zijn die, omwille van hun beperkt leerlingenaantal, slechts recht hebben op één cursus van de meest gevolgde levensbeschouwing.

Dit betekent dat deze scholen, als er in alle leeftijdsgroepen leerlingen zijn die voor een andere levensbeschouwing kiezen, de leerlingen over alle leeftijdsgroepen dienen samen te plaatsen voor deze levensbeschouwing (en dit is zo per levensbeschouwing). Het gevolg is dat in een basisschool alle kindjes van 6 tot 12 jaar samen les krijgen, wat de kwaliteit van de lessen niet ten goede komt.

Ann Brusseel: “Het voor kleine scholen mogelijk maken dat ze voor de levensbeschouwelijke vakken de leerlingen niet van 6 tot 12 jaar in één klas zetten, betekent dat de overheid deze scholen meer omkadering zou moeten toekennen. Minister Smet antwoordde op die vraag onomwonden dat hij niet van plan is om de berekeningswijze van de omkadering voor de levensbeschouwelijke vakken te wijzigen. Begrijpelijk maar voor kleine scholen is het pedagogisch niet verantwoord.”

Toekomst?

“Het is duidelijk dat de complexiteit van de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken in de toekomst enkel nog zal toenemen. Bevolkingsgroei, multiculturele diverse samenleving, tekort aan schoolgebouwen… Wordt het dan niet hoog tijd om eens na te denken over de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken? Eén vak levensbeschouwing helpt alle problemen uit de weg. Meer nog, het voorstel van Patrick Loobuyck, LEF (levensbeschouwing, ethiek, filosofie), leert alle leerlingen elkaars tradities, overtuigingen en visies kennen. Samen denken en discussiëren is de intrinsieke waarde van een cursus als LEF. Nu worden leerlingen voor discussies over waarden en ethiek in groepjes ingedeeld volgens een geloof dat vaak door hun omgeving mee bepaald werd. Geen wonder dat de multiculturele samenleving niet zo’n succes is – dixit onder andere Marc Elchardus. Bovendien zou het onderwijs niet mogen dienen om te leren geloven, maar om te leren denken. Graag ook om elkaar beter te begrijpen, om wederzijds respect te doen groeien. Nu betaalt de gemeenschap echter disproportioneel veel voor het verkondigen van overtuigingen, terwijl de ‘return on investment’ nihil is, integendeel. Tijd voor beleid met Lef…

In bijlage kunt u de twee parlementaire vragen terugvinden (SV 150 en SV 253) en alle cijfers.