Oproep minister Turtelboom om radicalisering tegen te gaan

Tussen Kerst en Oudejaar deed Annemie Turtelboom, Minister van Binnenlandse Zaken, via de media (artikel De Standaard 29/12/2010) een oproep om scholen, jeugdverenigingen en sportclubs in te schakelen in de strijd tegen radicalisering en terrorisme. Zij vraagt hen om in te grijpen als jongeren dreigen te radicaliseren. Radicalisering ligt immers aan de basis van terrorisme, maar is vaak moeilijk aantoonbaar.

Tussen Kerst en Oudejaar deed Annemie Turtelboom, Minister van Binnenlandse Zaken, via de media (artikel De Standaard 29/12/2010) een oproep om scholen, jeugdverenigingen en sportclubs in te schakelen in de strijd tegen radicalisering en terrorisme. Zij vraagt hen om in te grijpen als jongeren dreigen te radicaliseren. Radicalisering ligt immers aan de basis van terrorisme, maar is vaak moeilijk aantoonbaar.

Deze oproep kon op heel wat kritiek rekenen, zowel vanuit de sector als vanuit politieke hoek. Deze oproep was dan ook onderwerp van debat in de commissie onderwijs van het Vlaams Parlement. Ik ben uitgebreid tussengekomen tijdens de discussie. Hieronder kunt u het hele verslag lezen:

Vraag om uitleg van mevrouw Elisabeth Meuleman tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de reactie op het voorstel van samenwerking tussen onderwijs en jeugdwerk en de Staatsveiligheid – 831 (2010-2011)
Vraag om uitleg van mevrouw Vera Celis tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het voorstel van de federale minister van Binnenlandse Zaken om het verenigingsleven en het onderwijs intensiever te betrekken bij de strijd tegen het radicaliseren van jongeren – 839 (2010-2011)

De voorzitter: Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman: Voorzitter, minister, collega’s, na de mislukte bomaanslag van de Belgische Tsjetsjeen in september 2010 in Kopenhagen deed federale minister Turtelboom een oproep aan de scholen en jeugd- en sportverenigingen om naar de politie te stappen als ze radicaliserend gedrag vermoeden bij jongeren. Ze oogstte daar weinig succes mee. De afwijzing leek algemeen. Het katholieke net, maar ook de jeugdverenigingen verzetten zich daartegen.

Minister, in de kranten van 30 december 2010 stonden reacties van uzelf en minister Muyters, van de parlementsfracties, het katholiek onderwijs en de onderwijsvakbonden. Het voorstel van minister Turtelboom was duidelijk een brug te ver en volgens u zijn scholen al alert voor onbehagen en isolement en is de oproep van uw federale collega dus een miskenning van de realiteit. U vindt het dan ook niet wenselijk dat scholen en verenigingen gaan toezien op wat jongeren doen, om dat te briefen aan de politie.

Op 30 december was minister Turtelboom te gast op Radio 1 tussen 11 en 13 uur. Daar zei ze dat ze van u een brief had gekregen waarin u zegt dat u haar idee om de Staatsveiligheid te introduceren in onder meer het onderwijs wel een fijn plan vindt.
Minister, klopt het dat u hierover een brief hebt geschreven aan minister Turtelboom? Zo ja, wat was de inhoud van die brief? Kunt u duidelijkheid scheppen over uw visie op de rol van het onderwijs en het jeugdwerk met betrekking tot de preventie van terrorisme?

De voorzitter: Mevrouw Celis heeft het woord.

– Mevrouw Vera Celis brengt een persoonlijke getuigenis.

Mevrouw Vera Celis: Onlangs lanceerde federale minister van Binnenlandse Zaken Turtelboom het idee om het verenigingsleven en het onderwijs intensiever te betrekken bij de strijd tegen het radicaliseren van jongeren. “Ik vraag dat leraars en anderen die met jongeren werken, aandacht zouden hebben voor een dergelijk fenomeen. Als zij merken dat iemand zich afzondert en dingen gaat zeggen die hij voordien nooit zei, moet dat een signaal zijn om die jongere daarover aan te spreken. En wanneer dat niks oplevert, vraag ik dat ze de politie inschakelen,” zo stelde ze in De Standaard.

Minister, volgens u zou er reeds overleg hebben plaatsgevonden met de bevoegde ministers van de Vlaamse en Franse Gemeenschap. In een eerste reactie gaf u aan niet bepaald enthousiast te zijn over het idee van uw collega: “Minister Turtelboom miskent de realiteit. Scholen zijn al alert voor onbehagen en isolement, daar is een heel vangnet voor. Leraars, ouders, contactpunten, CLB’s, noem maar op. Het is niet nodig om meteen de politie te bellen. De kans dat een kind overgaat tot terrorisme, is een heel pak kleiner dan de kans dat een jongere zelfmoord pleegt, bijvoorbeeld.”

Minister, hebben er reeds overlegmomenten plaatsgevonden met collega Turtelboom over haar voorstel? Zo ja, wat waren de voornaamste conclusies? Acht u het opportuun om in te gaan op het voorstel van minister Turtelboom en verdere initiatieven te nemen in dit verband?

De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer: Het verhaal van mevrouw Celis is natuurlijk uitzonderlijk. Bijzondere situaties vragen om een bijzondere aanpak. We mogen die situaties niet als standaard beschouwen om ons beleid te ontwikkelen. Ik formuleer het misschien te sterk.

Over de uitspraken van minister Turtelboom ben ik het voor 100 procent met u eens, minister. Dat heb ik ook spontaan gezegd toen een journalist mij belde en om een reactie vroeg. Ze waren voor mij een brug te ver. We moeten het onderwijs zijn opdracht laten uitvoeren met de nodige deskundigheid. We moeten niet alle maatschappelijke problemen laten oplossen door het onderwijs, dan overbevragen we het personeel tot en met. Dan vragen we een deskundigheid die ze niet altijd kunnen bezitten. Ik pleit voor een genuanceerde benadering van de thematiek. Ik wil daarmee niet ontkennen dat er probleemsituaties bestaan.

De voorzitter: De heer Wienen heeft het woord.

De heer Wim Wienen: We mogen het kind niet met het badwater weggooien. Minister Turtelboom had het over radicalisering. Wat is dat precies? Het wordt hier nogal in algemene bewoordingen gesteld, maar het gaat vooral over terrorismedreiging en moslimradicalisering. De kapstok van minister Turtelboom was die aanslag.

Als kinderen en jongeren radicaliseren, en in mijn buurt in Antwerpen merk ik steeds meer radicalisering van jonge moslims, is de school toch wel de uitgelezen plek om jongeren in het oog te houden. Een jongere mag wel radicale gedachten hebben, maar niet in die mate dat er problemen en misdadig gedrag van kunnen komen. Het onderwijs draagt daarin een zekere verantwoordelijkheid. Scholen kunnen sneller detecteren wanneer een jongere ander gedrag begint te vertonen.

De heer Jos De Meyer: Collega, u hebt slecht geluisterd. Ik heb heel wat nuances aangebracht.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Ik zou graag de taak van de minister wat verlichten. Ik zal uitleg geven bij de vraagstelling. Ik ben namelijk op de hoogte gesteld van een en ander.

U hebt een gesprek gehad met minister Turtelboom neem ik aan. Ik heb in elk geval uw brief aan het kabinet vóór mij. U zegt daarin dat het onderwijs inderdaad een taak te vervullen heeft vooral in de preventie van radicalisering en polarisering. Thema’s als verdraagzaamheid, preventie van radicalisering en democratie komen in het onderwijs expliciet aan bod via de eindtermen. Inderdaad, in het onderwijs wordt gewerkt rond verschillende maatschappelijke problemen. De scholen proberen preventief te werken. Minister, u sluit af met de uitspraak: “Ik zeg dan ook graag de medewerking van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming toe voor de verdere ontwikkeling van het beleidsplan. Mijn administratie zal de oproep van uw medewerker positief beantwoorden.”

Ik was zeer blij toen ik die brief zag. Ik was een beetje verbaasd over de uitlatingen in de krant. U weet natuurlijk net als wij allemaal dat kranten de zaken soms simpeler voorstellen aan de mensen dan dat wij ze uitleggen. Ik vrees dat dat hier ook gebeurd is. Het is allesbehalve de intentie van minister Turtelboom om zomaar onderwijsmensen naar de politie te doen stappen. Zo eenvoudig is het allemaal niet. Minister Turtelboom heeft het net als u goed voor met de leerlingen en het onderwijzend personeel en wil mikken op preventie. Ze heeft daarom al een en ander uitgewerkt, bekeken en bedacht.

Dit initiatief is eigenlijk tot stand gekomen in het kader van het Europees voorzitterschap. Alle lidstaten willen zich inzetten voor een project rond radicalisering. Daar is een tweedaagse conferentie over geweest op de FOD Buitenlandse Zaken. Verschillende landen namen daaraan deel. Van daar komt het idee.

Het onderzoek van de professoren De Ruyver en Ponsaert heeft tot conclusies en beleidsaanbevelingen geleid. Daarin gaat het uitgebreid over het middenveld, en dat is veel ruimer dan het onderwijs. Natuurlijk gaan wij of minister Turtelboom of een andere politicus niet zeggen dat het onderwijs en het onderwijs alleen het maar eens moet oplossen.

In die zin wil ik nog reageren op de heer De Meyer. Extremisme moet natuurlijk niet als standaard worden gezien. Het zou er nog aan mankeren dat als standaard te beschouwen. Maar nog erger is de kop in het zand te steken voor de problemen die er zijn. Die radicalisering is grondig onderzocht. Het fenomeen is wel degelijk aanwezig, misschien minder in kleine gemeenten dan in de steden. Ook in Brussel is er werk aan de winkel.

Het gaat over radicalisering en extremisme. Het gaat er niet om dat het allemaal terroristen zijn. Ik verwijs naar het onderzoek van De Ruyver en Ponsaert, dat veel mensen met belangstelling voor de materie misschien eens zouden moeten lezen. Er zijn een aantal fasen. Er wordt gezegd dat wanneer jongeren zich afzonderen van hun gewone entourage, erover moet worden gesproken, dat er een melding moet zijn. In die zin was het helemaal niet fout of extremistisch om te stellen dat die melding er moet komen wanneer de leerkracht iets merkt, bijvoorbeeld een frequente afwezigheid of een plots verschil van mening of een andere klederdracht. Niet zomaar een andere klederdracht, laat ons er alstublieft geen karikatuur van maken. Het is uiteraard niet de bedoeling om iedereen die een Arafatsjaal begint te dragen te viseren. Dat heeft mevrouw Turtelboom nooit gezegd.
Ik wilde hier een en ander nuanceren, vandaar dat ik mijzelf de vrijheid veroorloofde om het probleem beter te situeren, in plaats van hier simpelweg te stellen dat alles weer een brug te ver is. Minister, wat ziet u in de toekomst mogelijk om dit probleem aan te pakken?

De heer Jos De Meyer: Mevrouw Brusseel, omdat u mij persoonlijk vermeldt, kan ik hier alleen maar stellen dat ik het met uw nuances volledig eens ben.

De voorzitter: Mevrouw Deckx heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Deckx: Voorzitter, ik diende in verband met deze problematiek een vraag in, maar hij werd afgewezen, ik denk in het kader van de beleidsbrief.

Ik zal deze vraag nu stellen. De collega’s hebben de problematiek al uitvoerig behandeld. Mevrouw Brusseel, u haalt een brief van de minister aan. We zullen dadelijk van hemzelf vernemen hoe het juist zit. Maar ik heb toch de indruk dat het over twee verschillende dingen gaat. De oproep aan de jeugdverenigingen en scholen om aandacht te hebben voor tekenen van radicaliserend gedrag bij jongeren lijkt mij absoluut nuttig en aanvaardbaar. Het melden bij de politie lijkt mij een moeilijke zaak omdat het vertrouwen tussen leerlingen en leerkrachten daardoor op het spel wordt gezet. Maar wellicht is ook dat op bepaalde ogenblikken aangewezen.

De oproep van minister Turtelboom is toch ook weer niet door iedereen op gejuich onthaald. Zowel door het onderwijs- als door het jeugdwerkveld werd er gewezen op de eventuele nefaste gevolgen van de uitvoering van deze oproep. Ook volgens mevrouw Mieke Van Hecke, toch niet de eerste de beste op onderwijsvlak, zou dit de vertrouwensrelatie tussen leerkrachten en leerlingen kunnen verzieken. Ook Chirojeugd Vlaanderen wijst op het feit dat jeugdleiders niet altijd in staat zijn om radicaal gedrag te onderscheiden van grillen van pubers.

Minister, ik sluit mij aan bij de vragen van de collega’s. Zijn er volgens u in de scholen extra detectiemechanismen nodig om radicaliserend gedrag op te sporen? Plant u hierover overleg met scholen en eventueel met jeugdkoepels?

De voorzitter: Mevrouw Deckx, ik zal dat over die afgewezen vraag eens checken.

De heer Boudewijn Bouckaert: Mevrouw Brusseel heeft al grotendeels gezegd wat ik wilde zeggen. Collega’s, wij moeten ons in de eerste plaats afvragen of veiligheid al dan niet een prioriteit is. Als dat geen prioriteit is, is het antwoord gemakkelijk gegeven. Wij mogen ook niet aan de verleiding toegeven om te zeggen dat veiligheid een federale materie is en dat alles wat Vlaams is daar dus buiten blijft. Als je met een kleine inspanning, die de werking van de scholen en de vertrouwensrelatie tussen leraren, jeugdleiders en kinderen niet verstoort, eventuele terroristische misdaden kunt voorkomen, moet die verantwoordelijkheid opgenomen worden. Dat is wat ik ‘coöperatief federalisme’ zou noemen.

Mevrouw Brusseel heeft gelijk: in het kader van het Europees voorzitterschap is er onderzoek gebeurd door collega’s De Ruyver en Ponsaert. Dat onderzoek stelde vast dat de radicalisering bij de jeugd toeneemt door toedoen van de computer. De jongeren isoleren zich achter de computer en worden daar blootgesteld aan vaak zeer extremistische taal. Dat is een nieuw gegeven. Het wordt in dat onderzoek zeer duidelijk gezegd. De Tsjetsjeense terrorist volgde boksles. Op een bepaald moment bleef hij weg van de bokslessen. Het zou niet slecht zijn geweest indien de leraar die dat opmerkte met de betrokkene contact had opgenomen. Dat heeft mevrouw Turtelboom uitdrukkelijk gezegd. Er moet eerst contact worden opgenomen met de betrokkene zelf, er moet onderzocht worden wat er aan de hand is met die jongen of met dat meisje. Dan pas kan de stap naar de politie worden gezet. Mevrouw Turtelboom heeft nooit gezegd dat er onmiddellijk naar de politie moet worden gestapt, laat staan dat de scholen moeten worden gedegradeerd tot een sectie van ons politioneel onderzoek.

Minister, u hebt positief gereageerd op het verzoek van mevrouw Turtelboom om medewerking te verlenen aan dat onderzoek. U moet niet altijd hetzelfde zeggen als wat mevrouw Mieke Van Hecke zegt. Hoewel minister Lieten een gewaardeerd en belangrijk iemand is, mag u ook wel eens iets anders zeggen. Ik vind dat u minister Turtelboom te gemakkelijk afvalt. U had zich genuanceerder kunnen opstellen. U had de karikatuur die de pers ervan maakt, niet hoeven over te nemen. Het citaat dat mevrouw Celis net naar voren heeft gebracht, spreekt op dit vlak boekdelen. U had een genuanceerdere houding moeten aannemen.

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet: Voorzitter, ik herinner me nog zeer goed waar ik me bevond toen de journalisten me belden. Ik was niet in België. Ik zat in een auto en ik had een mooi uitzicht voor me. Ik was helemaal niet geborneerd of gespannen.

Het probleem is dat minister Turtelboom in januari 2010 contact heeft opgenomen. Ze heeft me toen gevraagd mee te werken aan een beleidsplan over de sociale preventie van radicalisering en polarisering. Ze heeft gevraagd hierover een eerste verkennend onderhoud te hebben. Ik heb schriftelijk laten weten hieraan te willen meewerken.
Niemand kan tegen een dergelijk beleidsplan zijn. Het zou dom zijn hier niet aan mee te werken. Ik ben nog steeds van mening dat scholen door het creëren van een open, positief en tolerant schoolklimaat ervoor kunnen zorgen dat radicalisering minder kansen krijgt.
In die brief heb ik beklemtoond dat het beleidsdomein Onderwijs en Vorming inzake de preventie van radicalisering en polarisering een taak te vervullen heeft. Thema’s als verdraagzaamheid, radicalisering en democratie komen al aan bod in de eindtermen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs.

Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven contact op te nemen met de administratie van minister Turtelboom. Op 1 maart 2010 hebben beide administraties een gesprek gevoerd. Dit gesprek is overigens parallel verlopen met een gelijkaardig gesprek tussen de afdeling Jeugd en de dienst Beleid Integrale Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. Tijdens die gesprekken zijn de plannen van mevrouw Turtelboom toegelicht. Mijn administratie heeft de vraag gekregen feedback te geven op het eerste ontwerp. Daarnaast is mijn administratie uitgenodigd om, samen met alle betrokken beleidsdomeinen van de gewesten en de gemeenschappen deel te nemen aan een reflectiedag over dit onderwerp. De administratie heeft terecht besloten hieraan te participeren.

Er is feedback gegeven. We hebben duidelijk gemaakt wat al dan niet mogelijk is. Zo is verwezen naar het beleid inzake de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, naar het beleid inzake gelijke onderwijskansen, naar de aanpak van pesten, spijbelen en ander antisociaal gedrag, naar de schooltoelagen en naar de eindtermen van het leergebied wereldoriëntatie en geschiedenis. Dat is allemaal uitgelegd.

Sindsdien heb ik van minister Turtelboom niets meer gehoord. Ik heb niets gehoord tot ze plots een verklaring in de krant heeft afgelegd. Ze heeft haar plan met veel bombarie aangekondigd. Het is mogelijk dat ze verkeerd is geciteerd. Ik weet het niet, maar dat is mogelijk.

Ik herinner me goed hoe ik op de vragen van die journalisten heb gereageerd. Aangezien ik weet hoe het in zijn werk kan gaan, ben ik zeer voorzichtig geweest. Ik heb verklaard dat minister Turtelboom, indien het haar bedoeling zou zijn de scholen met de Staatsveiligheid en de politie te laten samenwerken, in mijn ogen een brug te ver wil gaan. Onze scholen doen al veel. Bovendien moeten we van onze leerkrachten geen politieagenten maken. Ze zijn daar niet voor opgeleid. Ik heb eveneens verklaard dat ik niet goed weet wat minister Turtelboom eigenlijk bedoelt. Ik heb daar immers niet meer met haar over kunnen praten. Ik heb de journalisten die me hebben gebeld – een journalist van De Morgen en een journalist van Het Laatste Nieuws –, ook verklaard dat ik nog met mevrouw Turtelboom zou willen praten.

Volgens mij is de boodschap van mevrouw Turtelboom in de kranten verkeerd voorgesteld. Ik heb vastgesteld dat veel mensen van mening zijn dat dit niet de goede aanpak zou zijn. Ik ben nog steeds bereid met mevrouw Turtelboom en met anderen rond de tafel te zitten. We kunnen dan nagaan, rekening houdend met de nuances die de heer De Meyer en anderen hebben aangebracht, op welke wijze het onderwijs hieraan kan meewerken.
De meeste mensen hebben allicht in de krant gelezen dat ik vind dat we moeten opletten met de probleemstelling. De kans is namelijk het kleinst dat diegenen die zichtbaar radicaliseren ook daadwerkelijk iets zullen doen. Diegenen waarvan we het niet zien en die er niet over vertellen, zijn waarschijnlijk het gevaarlijkst. Bovendien is de kans dat een jongere zelfmoord pleegt veel groter dan de kans dat hij een bomaanslag zal plegen. Daarover hebben we het hier tenslotte.

We moeten opletten hoe we met deze problematiek willen omgaan. Ik heb voorzichtig gereageerd, want ik wil helemaal geen polemiek met mevrouw Turtelboom op gang brengen. Ik heb dit enkel trachten te nuanceren. Ik heb gewezen op alles wat de scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) en anderen nu reeds doen of kunnen doen.
Ik wil zeker nog met mevrouw Turtelboom praten. Ze had trouwens beter eerst met anderen gepraat. Wie zoiets wil aankondigen, doet dat best niet helemaal op zijn eentje in een vakantieweek. Ze was in feite goed begonnen. Ze is toen echter opnieuw gestopt. Plots, tijdens een nieuwsluwe week, heeft ze hierover gecommuniceerd. Wie in de week van Kerstmis communiceert, wil meestal gewoon in de krant komen. Dat is een regel die iedereen kent. Dit heeft de zaak in elk geval niet bevorderd. Ze had beter eerst gesprekken gevoerd met mij of, als het over sport gaat, met minister Muyters. Daarna had ze dan iets kunnen uitwerken. Dat was beter geweest.

De vraag is wat scholen zoal kunnen doen. Er gebeurt in feite al heel veel. De scholen zijn hier attent voor. Hetzelfde geldt voor de CLB’s en voor de jeugdbewegingen. Indien de verantwoordelijken iets vaststellen, zullen ze in eerste instantie met de betrokken jongere spreken. Ze kunnen ook de ouders aanspreken. Indien dit niets oplevert, zullen ze spontaan verdere stappen zetten. De kans dat iemand zelf zegt dat hij een bom wil plaatsen, is echter klein. Het gaat meestal om aanwijzingen.

We moeten echter voor opletten dat we niet in een verklikkersmaatschappij terechtkomen. Het gevolg zou kunnen zijn dat iemand die verkeerd kijkt, plots bij de politie zit. We leven helaas al in een samenleving waarin de mensen niet meer met elkaar praten. Ze bellen de politie indien de buurman te veel lawaai maakt. Ze vragen die buurman niet zelf zijn radio wat stiller te zetten. Er is al een tendens in de samenleving op die manier te ageren. We moeten dat niet aanwakkeren. Indien het om extreme gevallen gaat en indien er geen andere oplossing is, moeten we die stap wel zetten. Daar ben ik het ook mee eens.
Samengevat, ben ik bereid om met federaal minister Turtelboom samen te zitten, indien ze ons uitnodigt, om op een verstandige manier, met de nuances die door verschillende collega’s hier zijn aangebracht, te bekijken hoe we daarover samen met de scholen kunnen werken.

De voorzitter: Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman: Eerst een vooral ben ik blij met en ook gerustgesteld door de nuancering van mevrouw Brusseel. Dat is inderdaad iets helemaal anders dan wat in de krant stond. De krant durft wel eens overdrijven, maar het is niet zo dat als je A zegt, ze dan B schrijven. Ik denk dat de teneur van de artikels in de krant niet de juiste was.
In die artikels – en dus ook in de communicatie van minister Turtelboom – ging het over detecteren, melding maken en eventueel doorverwijzen naar de politie. Het preventieve luik, net het belangrijkste, kwam absoluut niet aan bod. Dat is wat mij verontrustte en waar de jeugdverenigingen onmiddellijk op zijn gesprongen. Zij hebben gezegd – en ik heb hier het persbericht bij mij – dat wanneer ze moslimradicalisering opmerken, dat vaak te maken heeft met maatschappelijke uitsluiting en achterstelling en ook met jeugdig experimenteergedrag. Dat zijn twee duidelijke oorzaken van moslimradicalisering. Zij proberen dat dan op pedagogisch verantwoorde manieren aan te pakken en bespreekbaar te maken via een vertrouwensrelatie die ze opbouwen. Ik kan heel goed begrijpen dat ze bang zijn dat hun opgebouwd werk verloren zou gaan. Ik vind de reactie van minister Smet dan ook heel terecht.

Ik ben het niet eens met u, mijnheer Bouckaert, dat minister Smet minister Turtelboom te snel afvallig zou zijn geweest. Ik denk dat minister Turtelboom eerder intellectueel niet helemaal eerlijk geweest is. In het radio-interview stelt ze ook dat ze verbaasd was met sommige reacties, waaronder die van minister Smet, die haar per brief zou hebben gefeliciteerd met dit initiatief. Uit dat radio-interview leek het dus alsof minister Smet haar zou hebben gefeliciteerd met het initiatief over de meldingen. Daar had ik toch wat vragen bij. Het is toch wel belangrijk om goed en juist te communiceren. Zo niet krijg je toch wel rare situaties, waar wij ons dan wel ernstige vragen bij stellen.

De voorzitter: Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis: Minister Smet, dank voor uw antwoord. Ik ben gerustgesteld door de nuance die u aanbrengt, waardoor het verhaal anders wordt. Indien minister Turtelboom de kans zou krijgen om voor onze commissie nuances te brengen, zou haar verhaal ook misschien wat anders worden.

Men moet alert zijn bij bizarre situaties in de school, bij radicalisering of net andersom, bijvoorbeeld het stilvallen van een leerling. Zo zijn er zeer alerte leerlingen die plots stilvallen. Dat is ook een wijziging in gedrag dat zeer bizarre vormen kan aannemen. Een school doet doorgaans inderdaad goed haar best om daarop te kunnen reageren. Ik wil ook absoluut niet naar een politiestaat gaan.

Het gaat om zeer uitzonderlijke situaties – daarin geef ik collega De Meyer absoluut gelijk –, maar alle gevolgen die er zouden kunnen zijn, zijn er te veel aan. Daarom wil ik een pleidooi houden om goed na te denken en een platform te organiseren zodat scholen, bij extreem gedrag, in welke zin dan ook, een instrument in handen hebben dat nu ontbreekt.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: We kunnen hieruit een paar lessen trekken. Ik ben in de eerste plaats tevreden, minister Smet, met uw antwoord en ik hoop dat u gauw opnieuw zult samenzitten met mevrouw Turtelboom. U hebt de bevoegdheid van minister van Jeugd. Daar valt nog heel wat te ondernemen en te bekijken.

Zonder enige ironie zou ik willen vaststellen dat het beter is de zaken eerst goed onder elkaar uit te klaren alvorens de kranten erbij te betrekken. De communicatie is hier namelijk zeer ongelukkig geweest. Ik ben er immers van overtuigd dat de focus op het melden bij de politie, niet de kern van de boodschap was. Die was namelijk het detecteren van problemen, wat een heel brede boodschap is.

U hebt het gehad over de terroristjes die er zijn en dat het aantal zelfmoorden hoger is. Laten we niet in karikaturen vervallen, collega’s, want het radicaliseren en polariseren is binnen de samenleving ook zeer schadelijk. Het brengt het sociaal-maatschappelijk weefsel enorme schade toe, wanneer heel veel mensen hun afkeur laten blijken voor de samenleving waarin ze leven en wanneer ze niet participeren. Het hoeft dus niet altijd om zelfmoordaanslagen te gaan. Het feit alleen al dat een grote groep zich begint af te zetten tegen de maatschappij, is ook niet gezond.

We zouden misschien kunnen kijken naar de best practices van landen die met dezelfde problematiek geconfronteerd zijn, zoals Zweden, Groot-Brittannië, Denemarken en Nederland. Ik zou het graag even over het jeugdwerk willen hebben. We hebben het daar voorlopig niet over gehad, aangezien we in de commissie Onderwijs zitten. Ik zal het zo kort mogelijk houden. Daar vraagt men steun. Dus men ontkent het probleem daar niet integraal, zoals sommigen beweren. Ik weet uit zeer betrouwbare bron, van verschillende mensen uit onderwijs en jeugdwerk, dat zij aan de deur gezet werden wanneer zij aan de alarmbel trokken. Ze werden buitengepest of kregen hun C4.

Ik wil weldenkend links helemaal niet aanvallen. U weet dat ik heel menselijk ben. Maar de voorbije jaren zijn er met een fout politiek correct denken bepaalde signalen genegeerd, en dat kan zo niet verder. Als u wilt, kunnen we een hoorzitting organiseren met mensen die uit het jeugdwerk zijn gezet. Achteraf komen vertellen dat er wordt gewerkt met een vertrouwensband en dat niemand anders zich ermee te moeien heeft, is wat gemakkelijk. Er zijn ook andere getuigenissen. Minister, dat is niet voor u bedoeld.

Minister Pascal Smet: Neen, maar het interesseert me wel.

Mevrouw Ann Brusseel: Ik zal u daarover de nodige informatie bezorgen.
Straathoekwerkers in onder andere Boom zijn gewoon buitengezet omdat ze aan de alarmbel trokken. De man waarover de straathoekwerker informeerde bij de bevoegde autoriteiten, is nu de grote man bij Sharia4Belgium. Laten we daar eens goed over nadenken, want er zijn problemen. Interneteducatie is belangrijk voor onderwijs. Misschien moeten we niet alleen kijken naar internet. In België financieren we een hele kaste imams, bisschoppen enzovoort. Misschien moeten we ook eens nagaan wat die doen met ons overheidsgeld, maar dat is ‘pour la petite histoire’.

De voorzitter: Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten: Toen ik de artikels in de krant las, was ik wel even geschrokken van de toon die werd aangeslagen. Ik heb me onmiddellijk geïnformeerd en ik werd ook onmiddellijk gerustgesteld omdat een en ander uit de context werd getrokken naar aanleiding van een interview over de evaluatie van het EU-voorzitterschap.
In de commissie zijn we het in grote lijnen eens over de rol van Onderwijs in het geheel. Die taak wordt al grotendeels opgenomen in het onderwijs. Als er eigenaardige zaken gebeuren, dan signaleren leerkrachten dat wel.

Ik wil enkele regels voorlezen uit de toespraak van federaal minister Turtelboom naar aanleiding van die conferentie, en dat zegt genoeg: “Uit het onderzoek blijkt dat vooral jongeren vatbaar zijn, dat frustratie en ontevredenheid door structurele uitsluiting en discriminatie belangrijke voedingsbronnen zijn.” Dat is ook onze bezorgdheid. “Het komt er als overheid op aan die voedingsbronnen weg te werken en jongeren weerbaarder te maken tegen radicale groeperingen die profiteren van hun kwetsbaarheid of onzekerheid.” Dat is de toon we in deze commissie meestal aanhouden. We zijn het meer eens dan we op het eerste gezicht denken. Het gaat vooral over preventie.

Het enige dat misschien spijtig is, is dat er voor die conferentie geen gesprekken meer zijn geweest met de regionale bevoegde ministers. Dat u dat betreurt, zullen we ook overbrengen aan de minister.

De heer Boudewijn Bouckaert: Door de uitlatingen in de kranten, zijn de zaken wat geëscaleerd en werden er kunstmatige antagonismen gecreëerd. Minister, het klopt dat een bommenlegger niet gaat zeggen dat hij een bom gaat leggen. De gevallen waarover het gaat in het onderzoek van De Ruyver en Ponsaers, zijn gevallen van isolement. Leerlingen verdwijnen uit de klas, uit de jeugdverenigingen en daarvan zijn de oorzaken niet te zien. Dat zou een signaal moeten zijn dat er iets mis is. Dan is het de opdracht van de leerkrachten en de jeugdwerkers om dat te checken.

Als er in de extreme gevallen iets misloopt, moeten we eventueel naar de politie kunnen stappen. Dat mogen we niet uitsluiten. Ik pleit niet voor een algemene ‘Fahndung’. Dat was in de Tweede Wereldoorlog de plicht van de burger om aan te geven dat er Joden in de buurt waren. Ambtenaren hebben wel een meldingsplicht. Ik pleit er niet voor om leerkrachten en leiders van jeugdverenigingen een meldingsplicht te geven. Maar er kan wel eens over worden gesproken in een platform. Minister, daar kunt u het wellicht mee eens zijn.

En dan uw opmerkingen over zelfmoord, minister. Belastingsontduiking komt vaker voor dan bankovervallen, maar dat is geen reden om bankovervallen niet te vervolgen. Ik noteer ook dat u verwijt dat minister Turtelboom in haar eentje heeft gehandeld en allerlei zaken zegt die op voorhand niet zijn doorgesproken. Ik ben blij dat u dat zegt. U doet dat natuurlijk nooit.

Minister Pascal Smet: Ik zal nooit iets zeggen over Binnenlandse Zaken zonder daarover eerst met Binnenlandse Zaken te hebben gesproken.

De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer: Ik ben het eens met de woorden van mevrouw Vanderpoorten. Dit interessante debat leert me twee zaken, en dat is dat je complexe problemen nooit oplost met oneliners in de krant, maar alleen met een genuanceerde aanpak.

De voorzitter: Het incident is gesloten.