Nood aan meer diversiteit binnen jeugdverenigingen

Uit het onderzoeksrapport jeugdbewegingen in Vlaanderen blijkt dat onze jeugdbewegingen hoofdzakelijk blanke, hoger opgeleide jongeren uit de meer welgestelde gezinnen tellen. Allochtonen, jongeren met een functiebeperking, jongeren die opgroeien in armoede en holebi's zijn nog steeds ondervertegenwoordigd.

Uit het onderzoeksrapport jeugdbewegingen in Vlaanderen blijkt dat onze jeugdbewegingen hoofdzakelijk blanke, hoger opgeleide jongeren uit de meer welgestelde gezinnen tellen. Allochtonen, jongeren met een functiebeperking, jongeren die opgroeien in armoede en holebi's zijn nog steeds ondervertegenwoordigd.

Het jeugdwerk kan een belangrijke hefboom zijn voor integratie binnen de maatschappij. Het is dan ook belangrijk om een meer diveriteit te krijgen binnen jeugverenigingen. Ik vraag me af of het jeugdwerk in de komende jaren geen andere paden moet bewandelen om elke jongere bij zijn werking te betrekken en of er geen nood is aan een nieuwe dynamiek.

Lees hier het volledige verslag van de parlementaire discussie rond diversiteit binnen de jeugdverenigingen (18 januari 2011).

Vraag om uitleg van mevrouw Elisabeth Meuleman tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het gebrek aan diversiteit binnen de jeugdverenigingen – 794 (2010-2011)

Vraag om uitleg van mevrouw Danielle Godderis-T’Jonck tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over diversiteit binnen het jeugdwerk – 867 (2010-2011)

De voorzitter: Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman: Voorzitter, minister, collega’s, mijn vraag om uitleg gaat over een onderzoek naar de jeugdbewegingen in Vlaanderen. Daaruit bleek dat die nog steeds zeer actief zijn en nog steeds dezelfde ledenaantallen tellen als bij een vorig onderzoek uit 1991. Dat is goed nieuws. In onze meer gedigitaliseerde samenleving is het belangrijk dat jongeren ook persoonlijke sociale contacten hebben, met elkaar dingen organiseren en actief bezig zijn.

Uit het rapport Jeugdbewegingen in Vlaanderen bleek echter ook dat onze jeugdbewegingen hoofdzakelijk blanke, hoger opgeleide jongeren uit de meer welgestelde gezinnen tellen. Allochtonen, jongeren met een functiebeperking, jongeren die opgroeien in armoede en holebi’s zijn spijtig genoeg nog steeds ondervertegenwoordigd. Dit komt niet zozeer voort uit onwil van de jeugdverenigingen om deze anderen op te nemen als lid, als wel doordat ze niet goed weten hoe ze die jongeren zouden kunnen aantrekken.

In een recente vrije tribune in De Standaard werd gepleit voor een ander dialoogmodel: een dialoog waarbij ook naar andere jeugdwerkingen wordt gekeken. Jeugdhuizen, verenigingen waar armen het woord nemen, allochtone jeugdclubs zouden moeten worden bevraagd, met erkenning van hun expertise. Dit is eigenlijk een pleidooi voor de versterking van de maatschappelijke rol van de jeugdbewegingen. Samenwerking met wijkwerkingen, sportclubs, organisaties uit de gezondheidszorg en organisaties voor arbeidsbemiddeling vergt echter een radicale omwenteling in de methodiek van de jeugdbewegingen en moet voldoende worden begeleid van overheidswege om succesvol te zijn.

Minister, wat vindt u van de invalshoek die naar voren werd geschoven in die vrije tribune, en die een andere dialoog veronderstelt dan die waaraan de jeugdbewegingen tot nu toe gewoon waren? Erkent u de hefboomfunctie die de zelforganisaties kunnen spelen in de diversiteitswerking van jeugdverenigingen?

In de beleidsbrief 2011 staat als doelstelling: “Het jeugdwerk moeten we blijven motiveren en stimuleren om in te zetten op toegankelijkheid.” Bent u van mening dat er, naast deze dieptewerking, ook in de breedte moet en kan worden gewerkt via een samenwerking tussen de zelforganisaties en de jeugdbewegingen? Hoe kan deze samenwerking worden gestimuleerd? In uw persbericht van 10 december 2010 stelt u dat u wilt inzetten op het betrekken van de ouders en de samenwerking met de brede school. Hoe ziet u dit? Aan welke termijn denkt u hierbij? Welke budgettaire ruimte zal hiervoor worden vrijgemaakt?

De voorzitter: Mevrouw Godderis-T’Jonck heeft het woord.

Mevrouw Danielle Godderis-T’Jonck: Een van de grootste betrachtingen in het beleid van een minister van Jeugd moet zijn dat zoveel mogelijk jongeren de kans krijgen te participeren in het jeugdwerk. In een groot onderzoek werd onder andere nagegaan hoe het gesteld is met de mate van diversiteit binnen de jeugdbewegingen. Uit de resultaten blijkt dat er een positieve trend waarneembaar is en dat de laatste jaren toch voldoende inspanningen werden gedaan om onder andere allochtonen en kansarme jongeren te laten participeren aan het jeugdwerk, mede ook door het gevoerde stimuleringsbeleid van de overheid doorheen de jaren.

Toch blijkt dat het speelterrein van het jeugdwerk nog te veel blank en autochtoon kleurt en dat het te weinig een weerspiegeling vormt van de huidige bevolking. Er wordt binnen alle koepels nog te veel gerekruteerd bij blanke gezinnen met een verleden bij de jeugdbeweging. Minister, in een reactie onderkent u het probleem van de diversiteit en kondigt u in één beweging aan dat u zult onderzoeken of het mogelijk is in de bestaande begroting subsidies uit te trekken om meer kansarme jongerengroepen richting het jeugdwerk te bewegen.

Ondanks de toenemende diverse samenleving blijven organisaties binnen het jeugdwerk dus worstelen om diversiteit een plaats te geven binnen hun structuur. Het gevoerde overheidsbeleid is een belangrijke factor, die niet los kan worden gezien van de praktijk op het terrein. Het blijft een belangrijk instrument waarop de verschillende jeugdorganisaties hun gevoerde beleid trachten te enten.

Minister, hoe evalueert u vandaag het diversiteitsbeleid bij jeugdbewegingen in Vlaanderen? Bestaan hier meetinstrumenten voor? Bestaat het gevoerde beleid uit meer dan een flankerend, subsidiërend beleid? Is het voor de verschillende jeugdbewegingen en – organisaties duidelijk genoeg hoe de overheid zich positioneert ten opzichte van diversiteit om vervolgens zelf in te staan voor de vertaling ervan binnen hun eigen beleid? Welke kanalen gebruikt de overheid hiervoor? Welke acties worden ondernomen om te helpen beleid om te zetten naar realiteit binnen een jeugdorganisatie? Bestaat de vrees bij jeugdorganisaties niet dat een te grote focus op het diversiteitsbeleid de eigenheid van de organisatiecultuur te veel kan aantasten?

Minister, een implementatie en goede werking van een diversiteitsbeleid vergen ook een responsabilisering van diegene tot wie het beleid zich richt, met andere woorden de kansengroepen. Gaat u hiermee akkoord? Welke middelen en impulsen hebt u hiervoor in handen binnen het jeugdbeleid? U kondigt ook aan om harder in te zetten op diversiteit bij jeugdbewegingen in de grote steden. Hoe zult u dit trachten te concretiseren?

De voorzitter: Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Mevrouw Katrien Schryvers: Minister, vanzelfsprekend onderschrijven we het belang van diversiteit in de maatschappij dat in het jeugdwerk wordt weerspiegeld. Ik heb er niet voldoende zicht op of het vandaag voldoende duidelijk is waarom er geen of nog geen diversiteit is. Dat is wel heel belangrijk. Dat er te weinig diversiteit is, komt niet door de onwil van het jeugdwerk. Er zijn verschillende oorzaken voor, die misschien ook te maken hebben met de eigenheid van ons jeugdwerk, zoals het decennia lang is gegroeid.

Minister, ik pleit ervoor dat als er bijkomende maatregelen worden genomen, dit in nauw overleg met de sector gebeurt, dat ze voldoende inpasbaar zijn in de eigenheid van het jeugdwerk en dat ze voldoende responsabiliserend en stimulerend zijn in plaats van dwingend.

De voorzitter: Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel: Ik woon in een heel diverse wijk en wil ook mijn bekommernis over dit onderwerp meedelen. Ik vraag me af of het jeugdwerk in de komende jaren geen andere paden moet bewandelen om elke jongere bij zijn werking te betrekken. Minister, erkent u de hefboomfunctie van het jeugdwerk en wilt u er een nieuwe dynamiek inbrengen? Zo ja, op welke manier?

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet: Het jeugdbewegingsonderzoek dat we hebben gedaan, heeft vijf traditionele jeugdbewegingen onderzocht. Op Vlaams niveau worden een honderdtal verenigingen gesubsidieerd die een ander soort van werking hebben. Het jeugdbewegingsonderzoek belicht met andere woorden maar een deel van het jeugdwerklandschap. Maatschappelijke integratie en de weerspiegeling van die integratie in diversiteit blijft voor mij een evidente doelstelling van het jeugdwerk, hetzij door het aanbieden van de mogelijkheid tot ontspanning in een veilige context, hetzij door contacten met andere organisaties, hetzij door de educatieve werking.

Ik ben tegelijkertijd voor het recht van jeugdverenigingen op een eigen identiteit en voor een dialoog tussen verschillende soorten jeugdwerkingen, om bruggen te bouwen, en de eigen identiteit van de jeugdvereniging te verrijken. Samen spelen is de beste school voor samenleven.

Het jeugdbewegingsonderzoek is een onderzoek naar het beleid van de jeugdbewegingen zelf, niet naar het jeugdbeleid van de overheid. Het onderzoek toont vooral aan dat die jeugdbewegingen bewust, intensief en proactief bezig zijn met diversiteit, maar dat die inspanningen te weinig leiden naar resultaten.

Ik ben hier voorstander van blijvende inspanningsverbintenissen met het jeugdwerk, en niet van resultaatsverbintenissen. Ik denk dat we daar op dezelfde golflengte zitten. In het jaar van de vrijwilliger moeten we die vrijwilliger in de lokale jeugdbeweging vooral bezig laten zijn met datgene waarin hij of zij goed is: het opzetten van activiteiten met kinderen, ongeacht hun achtergrond. We moeten hen niet belasten met onredelijke verwachtingen. We mogen op het vlak van diversiteit in rekrutering en methodieken wel inspanningen vragen aan de professionals: de landelijke koepels enerzijds, en jeugdconsulenten en geprofessionaliseerde jeugdorganisaties op lokaal vlak anderzijds. Deze inspanningen, ook daar ben ik van overtuigd, zullen pas leiden tot het slopen van drempels in het jeugdwerk als we ook de drempels voor allochtone kinderen in het onderwijs kunnen neerhalen en erin slagen een allochtone middenklasse op te leiden. Uit het jeugdbewegingonderzoek bleek, net zoals voor het deeltijds kunstonderwijs trouwens, dat 80 procent van de kinderen in jeugdverenigingen ouders hadden die ook in jeugdverenigingen hadden gezeten. Het lidmaatschap van een jeugdvereniging is met andere woorden bijna erfelijk. Dat toont aan dat we inderdaad een andere dialoog moeten voeren.

De output van het jeugdbeleid is een lokale output. De kern van het jeugdwerkbeleid is lokaal. De Vlaamse overheid kan, in een context van subsidiariteit en planlastvermindering, vooral financiële prikkels blijven geven door sectorale middelen te garanderen en tegelijkertijd inspraak voor kinderen en jongeren op lokaal niveau af te dwingen, ook van allochtone kinderen en jongeren. De kwaliteit waarmee die inspraak op lokaal vlak vorm krijgt, kunnen we ook beïnvloeden. En dat doen we vandaag al.

Inzake het thema diversiteit beschikken we over een leidraad waarin aandacht gaat naar het ontwikkelen van beleid voor kinderen en jongeren in de specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld kinderen en jongeren in armoede. Met de leidraad Diversiteit in het gemeentelijk jeugdbeleid willen we jeugdconsulenten, schepenen van jeugd, die daarin een heel belangrijke rol spelen, maar ook jeugdwerkers en vrijwilligers, kortom iedereen die op lokaal vlak met kinderen en jongeren bezig is, warm maken om te werken rond diversiteit.

Wij bieden heel wat handvatten aan om emancipatorisch te werken met groepen van kinderen en jongeren die hier het meeste nood aan hebben. Maar, mevrouw Meuleman, de uiteindelijke beleidskeuzes en actiepunten worden op het terrein door de gemeenten zelf ingevuld. Mevrouw Schryvers, u zult het met mij eens zijn dat in een gemeente in eerste instantie het lokaal bestuur verantwoordelijk is om het beleid te implementeren en de jongeren te ondersteunen.

De groepen die Ingeborg Hillaert aanhaalt in het opiniestuk waarnaar u verwijst, betreffen vaak specifieke concentraties in meestal stedelijke en vooral grootstedelijke contexten. Jeugdbewegingen in centrumsteden worden geconfronteerd met een gebrek aan vertrouwdheid van allochtone ouders met de jeugdbeweging. Ik zei het daarnet al: 80 procent van de leden van jeugdbewegingen zijn kinderen van oud-leden van jeugdbewegingen. De jeugdbewegingen in de stad worden ook geconfronteerd met stadsvlucht, met een gebrekkige continuïteit en doorstroming, maar ook met andere opvattingen. Men verwacht een engagement van die kinderen. Men verwacht dat die kinderen elke week komen en dat ze op tijd komen. In sommige jeugdverenigingen moeten kinderen een uniform dragen. Dat zijn allemaal drempels. Men kan van een jonge kerel van 15 of 16 jaar niet verwachten dat hij die drempels zal wegwerken bij de ouders. Dat kan hij niet, het is een maatschappelijk gegeven. Wij moeten daarover met meer allochtonenverenigingen of zelforganisaties het beleid uitvoeren. Wij moeten veel meer spreken met mensen die in jeugdbewegingen actief zijn.

Ik geef een voorbeeld. Ik was de voorbije zomer op bezoek bij een speelpleinwerking in Limburg. Een jonge Marokkaanse Belg was daar vrijwilliger. Dat was voor hem niet evident. Er zijn nogal wat Vlaamse Vlamingen onbeschoft. Ze hadden wantrouwen ten aanzien van die jongen, terwijl dat een heel goede, deftige jongen was, die zich wilde inzetten voor andere mensen. Hij vertelde dat hij met heel veel wantrouwen wordt geconfronteerd, soms op het onbeschofte af. Daarbij moeten we ons als samenleving ook eens vragen stellen. Want als die jongere daar aanwezig is, wordt het gemakkelijker om nog andere Marokkaanse Belgen daarbij te betrekken. Hij vertolkt een voorbeeldfunctie.

In die centrumsteden ontstonden vaak andere, vaak sterker geprofessionaliseerde jeugdwerkorganisaties, eerst onder impuls van het Impulsfonds, later van het Stedenfonds. Deze ontwikkeling zorgde voor een diversiteit van het aanbod zelf, meer dan voor een diversiteit in de deelname aan het ene of andere aanbod. Daarom is dialoog een evidente suggestie. Ik denk dat we het daarover allemaal eens zijn. Het gaat daarbij niet alleen om jeugdwerk maar ook om onderwijs en andere domeinen en we hebben daarvoor de toveroplossing nog niet gevonden. Het is gemakkelijk om te zeggen dat we een andere dialoog nodig hebben, je moet daarin ook nog slagen. Soms lukt het, soms lukt het maar tijdelijk: het is niet evident om dat aan te houden. We mogen de schuld niet bij jongeren of bij jonge jeugdleiders leggen want dat overstijgt hun mogelijkheden.

Op vraag van Steunpunt Jeugd ontwikkelde Kwasimodo vzw in 2007 de Diversoscoop, een instrument voor het meten, evalueren en plannen van diversiteit. Het instrument meet de stand van zaken in verband met het diversiteitsbeleid in de organisatie. Hoe ver staan we ermee en waar kunnen en willen we verbeteringen toepassen? Welke verbeteringen? Wat willen we bereiken? Welk soort en welk niveau van diversiteitsbeleid is voor ons belangrijk en gewenst? De Diversoscoop helpt de organisatie ook om in de keuze van projecten en acties het beoogde niveau van diversiteit te bereiken.

Steunpunt Jeugd zette zelf in 2009 een onderzoek op dat jeugdorganisaties moet inspireren en ondersteunen in het diversiteitsproces. Het ging om een kleinschalig kwalitatief onderzoek van twaalf jeugdorganisaties. Dit had als doel een concreet inzicht te verwerven in hoe jeugdorganisaties diversiteit managen op verschillende organisatieniveaus. Daarnaast schonken ze ook aandacht aan een deontologische code, netwerking en meetinstrumenten omdat de inzet hierop kan helpen om diversiteit kwaliteitsvoller te managen in de organisatie. De resultaten van dit onderzoek werden op 29 april 2010 op een studiedag voorgesteld en besproken. Ze bevatten nuttige kapstokken voor de jeugdbewegingen.

Steeds meer jeugdorganisaties kiezen om inclusief te werken. Dat wil zeggen dat ze bestaande structuren in de organisatie aanpassen om de verschillen tussen mensen te overbruggen, zodat iedereen erbij kan horen en kansen krijgt om evenwaardig te participeren. Jeugdorganisaties pinnen zich al jaren vast op een zoektocht naar mogelijke oplossingen in de hoop hun organisatie toegankelijker te maken voor minder bereikbare groepen. Het blijft voorlopig bij trials and errors en veel hangt af van de motivatie en de aanpak van de organisatie zelf.

Ik wil kiezen voor een tweesporenbeleid. Enerzijds wil ik de toegankelijkheid van het jeugdwerk vergroten door te stimuleren en te motiveren om in te zetten op toegankelijkheid en diversiteit. Anderzijds wil ik ook doelgroepspecifiek aanvullend werken. In het licht hiervan zijn er de proeftuinen jeugd in het Participatiedecreet. Die waren onder meer al gericht op kinderen en jongeren die leven in armoede en op de zelforganisatie van allochtone jongeren. Dit alles heeft als opzet om meer aanbod te creëren. In heb in 2010 voor de proeftuin voor verenigingen die gericht zijn op jongeren met een etnisch-cultureel diverse achtergrond in een subsidiebedrag van 75.000 euro voor PAJ vzw voorzien. Eerder besliste ik dat Formaat vzw binnen haar subsidie-enveloppe een bedrag kreeg voor het opnemen van haar proeftuin in de reguliere werking. Hierdoor kan Formaat vanaf 2010 haar deelwerking ‘formaat+’ bestendigen. In 2011 zetten we de proeftuin voor verenigingen die gericht zijn op jongeren met een etnisch-cultureel diverse achtergrond verder en zullen we dit ook evalueren.

In overleg met de lokale besturen moet er ook dringend werk gemaakt worden van een strategie voor een nieuwe financiering van de werkingen met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Het kan niet de bedoeling zijn dat Vlaanderen nog zeer lokale initiatieven stimuleert. Maar anderzijds merk ik dat lokale besturen hun taak ten aanzien van deze organisaties nog niet altijd ten volle opnemen. Ook in de discussie over de interne staatshervorming moeten we kijken naar de rol van de provincies. We merken dat provincies voor bijzondere doelgroepen goed werk verrichten.

Het Vlaanderen van morgen zal diverser zijn dan het Vlaanderen van vandaag. Dat is een feitelijk gegeven. Met het oog op deze maatschappelijke uitdaging moeten we met zijn allen leren omgaan met diversiteit. We zullen proberen om dat mee op te nemen in het Vlaamse jeugdbeleidsplan.

Ik wil hier nog aan toevoegen dat er aanbevelingen zijn uit het onderzoek naar de vrijetijdsbesteding van kinderen in armoede. Dat heeft in 2010 gelopen en we zullen het in het voorjaar van 2011 presenteren. We hebben meteen ook aan de onderzoekers gevraagd welke beleidsstrategieën wenselijk zijn om een goed vrijetijdsaanbod te creëren voor kinderen in armoede.

De voorzitter: Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman: Minister, u hebt mijn laatste vraag niet beantwoord, de vraag in verband met de brede school. In uw persbericht van 10 december over diversiteit bij jeugdbewegingen, haalt u de volgende paragraaf aan: “Een laatste belangrijk werkpunt is het feit dat jeugdbewegingen te weinig ingebed zijn in netwerken die hun eigen werking overstijgen. Ze moeten in de toekomst een actief netwerk vormen met de sectoren rond hen. Dat bondgenootschap moet één doel voor ogen hebben, de brede ontwikkeling van kinderen”. U hebt die samenwerking tussen scholen en jeugdwerk al een aantal keer aangehaald, ook op het vlak van taal. U wilt daar echt wel op inzetten.

Verder staat ook: “Minister Smet is ervan overtuigd dat de brede school een hefboom kan zijn voor jongeren en de jeugdbeweging om elkaar in eerste instantie te ontmoeten. Bovendien kan het ook een manier zijn om ouders te betrekken via de brede school.”

Ik had u gevraagd hoe u denkt daarop in te zetten, op welke termijn en met welk budget.

Minister Pascal Smet: U kent het antwoord op die vraag. Toen we in de commissie Onderwijs de beleidsbrief hebben besproken, heb ik heel uitvoerig op die vragen geantwoord en heb ik gezegd dat we voor de zomer met de visienota Brede School zullen komen. Het is een visienota van de Vlaamse Regering en dus niet alleen van mezelf als minister van Onderwijs en Jeugd, maar ook van de ministers van Cultuur en Welzijn. Alle betrokken ministers zullen tegen dan klaar zijn met de nota. Ik heb op deze vragen al uitvoerig geantwoord in de commissie Onderwijs.

De voorzitter: Mevrouw Godderis heeft het woord.

Mevrouw Danielle Godderis-T’Jonck: Minister, ik dank u voor het uitgebreid antwoord. In feite zijn dit eerder problemen van de grootsteden. Ik kom uit een plattelandsgemeente en ik heb daar navraag gedaan. Wij kampen daar niet echt met die problemen. Als er problemen zijn, gaat het veeleer om kinderen van kansarme gezinnen die problemen hebben met de jeugdbeweging, niet met de speelpleinwerking.

De voorzitter: Het incident is gesloten.