Naar een vernieuwd secundair onderwijs, een déjà-vu…

Minister van Onderwijs, Pascal Smet, kwam onlangs met een visienota op de proppen over een hervorming van het secundair onderwijs: ‘Mensen doen schitteren’. Dit was ook het voorwerp van discussie tijdens het televisieprogramma Volt waar ik samen met dhr. Ivan Van de Cloot van Itinera enkele kanttekeningen mocht formuleren bij deze nota. Een dromerige titel dient wel vaker om een weinig concreet verhaal beter te doen verkopen. Met deze visienota is het niet anders. De intentie om kinderen te sparen van het zogenaamde watervalsysteem door de studiekeuze uit te stellen is goed, maar wie enige pedagogische ervaring heeft, weet nu al dat het beoogde resultaat niet zal gehaald worden. De nota is te vaag en weinig realistisch. De hervorming zelf zou ten vroegste van start kunnen gaan in 2020 en zou veel geld kosten. Ten eerste is dit te laat voor alle leerlingen die nu leerproblemen hebben en ten tweede moest het secundair onderwijs het voorbije jaar al behoorlijk besparen (denk aan de afschaffing van de mentorenuren, het Steunpunt GOK, …), precies omdat er geen centen zijn.

Bovendien moet de minister begrijpen dat een hervorming enkel zin heeft als de leerkrachten er ook achter staan. In het middelbaar onderwijs heeft men de laatste decennia al veel hervormingen en vernieuwingen de revue zien passeren. De leerkrachten zijn dit moe. Niet omdat ze zich niet willen bijscholen, zoals sommigen beweren, maar omdat de plannen geen rekening houden met hun verzuchtingen en ervaring. Leerachterstand, overvolle klassen, zittenblijven, spijbelen, schoolverlaten zonder diploma, steeds minder leerlingen in afdelingen wetenschappen – wiskunde en bijgevolg veel te weinig studenten burgerlijk ingenieur, informatica en exacte wetenschappen aan onze universiteiten… Het zijn stuk voor stuk problemen die een dringende aanpak vragen, niet alleen in het belang van kinderen en de school, maar ook van onze arbeidsmarkt.

Reden van voorgestelde hervorming is de machteloosheid van de pedagogen tegenover het zogenaamde watervalsysteem. Dit houdt in dat kinderen soms georiënteerd worden naar een afdeling die eigenlijk “onder hun niveau” ligt, waardoor ze niet kunnen terugkeren naar een zogenaamd “sterkere” richting. Daarom stellen ze voor de eerste twee jaar van het middelbaar voor alle kinderen gemeenschappelijk te maken en de indelingen ASO, TSO, BSO en KSO af te schaffen en te vervangen door belangstellingsgebieden, onder andere omdat TSO en BSO met een imagoprobleem sukkelen. Met de visienota van Smet wordt dure opsmuk georganiseerd, een beetje ‘design’ (na gamen in de klas nog een oppervlakkig ideetje). Durft men niet naar de fundamentele oorzaak van het probleem te gaan?

Hoe is het watervalsysteem ontstaan en waarom worden sommige kinderen meteen doorverwezen naar TSO of BSO? Bij het beoordelen van leerlingen aan het einde van de lagere school krijgt elk kind steevast een etiket opgekleefd: zwak / matig / sterk. Zo ongenuanceerd gaat het er nu aan toe met als gevolg dat TSO en BSO door leerkrachten, ouders en kinderen ten onrechte als minderwaardig beschouwd worden. Men gaat m.a.w. bij de analyse niet voldoende uit van de talenten en het leerritme van elk kind en het is nog ongelukkiger dat men op die manier de ouders en kinderen in het ongewisse laat. Technische vaardigheden onder de knie krijgen is nochtans niet aan elk kind gegeven en je kunt er later ook goed je brood mee verdienen. Of kan iemand mij binnen de week eens een goede loodgieter bezorgen die mij een betaalbare factuur presenteert?

Het is dus niet nodig noch haalbaar om elk kind naar het algemeen secundair onderwijs te sturen, waar theoretische kennisverwerving voorop staat. Veel voorstanders van een gemeenschappelijke eerste graad zien hierin een recept voor de perfecte democratisering van het onderwijs. Ik zie nu echter geen probleem op dat vlak: op enkele uren Latijn na is de stam van de eerste graad A wel al gemeenschappelijk (tenzij men de B-stroom kiest, waarna men naar A terug kan). Nog minder onderscheid maken, zal er alleen toe leiden dat men elke 12-jarige in de middelmaat wil duwen. De leerlingen die snel theoretische kennis verwerven, zullen zich stierlijk vervelen met demotivatie en tijdsverlies als gevolg. De leerlingen die trager leren en sterker zijn in technische of praktische vaardigheden, zullen het vaak moeilijk hebben, hun leerproblemen voor theoretische vakken zullen hen ook demotiveren. Door van alle verschillende kinderen eenheidsworst te willen maken zal het niveau van de eerste graad globaal dalen. De leerkrachten van de tweede en derde graad ASO zullen echt met de gebakken peren zitten. Dit is geen hypothetische voorspelling. Het systeem werd al uitgeprobeerd in buurlanden en wat men vaststelde is exact wat ik hierboven uitleg. Dit werd op VOLT ook duidelijk gemaakt: het “collège unique” in Frankrijk werd opgedoekt en een gelijkaardig experiment in Nederland werd afgevoerd. Onze minister wil dus een systeem invoeren dat zo slecht is dat het in het buitenland intussen werd afgevoerd

Gelijke kansen geef je aan kinderen door uit te gaan van hun sterke punten, die verschillen van kind tot kind. Nu is er nood aan extra begeleiding voor kinderen met leermoeilijkheden, een spijbelactieplan dat echt werkt, kleinere klasgroepen, een herwaardering en modernisering van technisch en beroepsonderwijs, een sanering in het aantal studieafdelingen en begeleiding van jonge leerkrachten. Daarvoor moet de minister nu met oplossingen komen, niet vanaf 2020.

Lees ook het artikel naar aanleiding van de VOLT-discussie.