Moet huiswerk herbekeken worden om gelijke onderwijskansen te bevorderen?

Mevrouw Ann Brusseel: Voorzitter, minister, collega’s, de vzw Voorrangsbeleid Brussel (VBB) ondersteunt netoverschrijdend basisscholen op het gebied van taalvaardigheids­onderwijs, efficiënt omgaan met diversiteit en differentiatie, samenwerken met ouders en samenwerken met andere onderwijspartners. Het hoofddoel is het vergroten van de profes­sionaliteit van leerkrachten met het oog op het verkleinen van de leer- en ontwikkelings­achterstanden van leerlingen in Brussel. Ik denk overigens dat dat ooit ook model zal kunnen staan voor Antwerpen, Gent en andere centrumsteden.

Sinds zijn ontstaan wordt Voorrangsbeleid Brussel gevolgd door het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO). Dat universitair centrum publiceerde een evaluatierapport Voorrangsbeleid Brussel. In dat evaluatierapport wordt onder andere aanbevolen om het huiswerk in het Brusselse Nederlandstalige basisonderwijs af te schaffen, te verminderen of te vervangen door zinvolle ouderneutrale taken. De achterliggende redenering hiervoor is dat ongelijke thuisbegeleiding voor ongelijke onderwijskansen zorgt.

Professor Kris Van den Branden, directeur van het CTO, stelt dat, als je de huistaken afschaft of vermindert, de slaagkansen van de kinderen minder afhankelijk worden van het onderwijs­talent van hun ouders. Een grote groep leerlingen uit het hoofdstedelijke Nederlandstalige onderwijs spreekt thuis geen Nederlands en heeft een moeder die geen diploma secundair onderwijs heeft. Door die zwakke thuisbegeleiding dreigt 60 procent van de Brusselse schoolkinderen achterstand op te lopen. Professor Van den Branden vindt ook dat de scholen gestimuleerd moeten worden om positief om te gaan met de thuistalen: niet straffen dus als er op de speelplaats eens Turks of een andere taal wordt gesproken, maar die talen beter benutten in en buiten de klas.

Minister, wat vindt u van de resultaten van het onderzoek van het CTO? Hebt u er al over gesproken met Voorrangsbeleid Brussel of met het CTO? Deelt u de suggesties van professor Van den Branden en het CTO over de afschaffing of vermindering van huiswerk in Brusselse Nederlandstalige scholen, om zo de gelijke onderwijskansen te verhogen? Hoe staat u tegenover de vervanging van huiswerk door zinvolle ouderneutrale taken? Deelt u de mening van professor Van den Branden over het stimuleren van scholen om meer positief om te gaan met de thuistaal van de leerlingen?

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Voorzitter, minister, collega’s, wij hadden met deze commissie op 15 maart een bijeenkomst met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Daar is onder andere gezegd: “Schaf het huiswerk in de Brusselse scholen af, of geef ten minste alleen taken waarbij de hulp van de ouders niet nodig is. Dat zou de gelijke onderwijs­kansen verhogen.” Dat was een van de voorstellen van het evaluatierapport van Voorrangs­beleid Brussel, dat het Centrum voor Taal en Onderwijs van de K.U.Leuven opstelde.

In het rapport staan aanbevelingen voor het Brusselse Nederlandstalige onderwijs. In Brussel is de thuistaal een indicator van het schoolsucces van de leerlingen. De relatie tussen het opleidingsniveau van de moeder en de leerprestaties van de kinderen is immers bewezen, en in Brussel heeft 60 procent van de Arabische/Berberse moeders en meer dan 70 procent van de Turkse moeders geen diploma secundair onderwijs.

Deze feiten gaven aanleiding aan het CTO om het debat over het nut van huiswerk te starten. Volgens het CTO worden de slaagkansen van kinderen minder afhankelijk van het onderwijstalent van hun ouders als huistaken worden afgeschaft of verminderd. Ook pleit het CTO ervoor om leerlingen niet te bestraffen als ze hun thuistaal op de speelplaats spreken, maar om integendeel positief om te gaan met de thuistalen en die talen beter te benutten binnen en buiten de klas.

De vraag is dan natuurlijk of hiermee niet de beheersing van het Nederlands naar beneden wordt gehaald en de taalachterstand van anderstaligen niet eerder nog verder achteruit gaat dan ingehaald wordt. Het is reeds meerdere malen aan bod gekomen in de commissie Onder­wijs dat taalachterstand een van de oorzaken is van het niet of laattijdig behalen van een diploma secundair onderwijs en dat door taalachterstand de kansen op de arbeidsmarkt sterk verminderen. Het inhalen van de taalachterstand moet daarom van jongs af aan beginnen.

Mijns inziens zal door de vermindering of de afschaffing van huistaken het niveau van de taalbeheersing en van het onderwijsniveau van Brusselse leerlingen nog sterker afglijden. Bovendien zou de afschaffing of de vermindering van huistaken de zoveelste toegeving zijn aan de zwakste leerlingen, zodat het onderwijs opnieuw een nivellering naar onderen krijgt in plaats van de zwaksten te verheffen naar de sterkere leerlingen.

Minister, bent u op de hoogte van de bevindingen van het CTO over het evaluatierapport van de vzw Voorrangsbeleid Brussel? Deelt u de mening van het CTO over de mogelijke afschaffing of vermindering van de huistaaklast? Zal een afschaffing of vermindering van de huistaaklast in Nederlandstalige scholen in Brussel in de praktijk geen nivellering van het onderwijsniveau naar beneden veroorzaken? Stroken de bevindingen van het CTO met de doelstelling om taalachterstand en de daarmee gepaard gaande schoolse achterstand weg te werken en de kansen op de arbeidsmarkt optimaal te benutten?

Mevrouw Vera Celis : Voorzitter, ik was ook aanwezig op de overlegvergadering waar het rapport werd voorgesteld. Ik heb professor Van den Branden horen spreken over het huiswerk. Ik heb dat aandachtig gevolgd. In het geval dat de ouders hun kinderen niet kunnen helpen, vindt hij de afschaffing van het huiswerk beter omdat de kinderen dan niet belast worden.

Vorig jaar zijn we op bezoek geweest in het Lucernacollege en daar hebben we andere redeneringen gehoord. De kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs is daar bijzonder hoog en ze wensen dat zo te houden. Ze willen de lat hoog leggen. Dat komt in verschillende rapporten en in de beleidsnota aan bod. Om de lat hoog te houden, moet een school enorm inzetten op het Nederlands. De directie van het Lucernacollege bezoekt zelf de ouders, en meer dan eens, om te zorgen voor een ‘leerklimaat’ of voor ondersteuning. Als dat niet lukt, richt het college huiswerkklasjes in. Elk kind krijgt daar absoluut alle kansen om zich te ontplooien en zijn talenten waar te maken. Dat kunnen we toch alleen maar aanmoedigen?

Met welke soort taken dat huiswerk ingevuld wordt, dat kan verschillen. Door het huiswerk af te schaffen omdat de ouders de competenties niet hebben om het te begeleiden, hypothekeren we de kansen van het kind. Er zijn andere oplossingen en mogelijkheden. We moeten de lat hoog houden. De doorstroming van de kinderen naar het niveau dat past bij hun mogelijkheden en talenten, moeten we garanderen.

Minister, ik ben benieuwd naar uw visie.

De heer Boudewijn Bouckaert : Ik was ook bij de voorstelling van het rapport. Professor Van den Branden heeft interessante zaken gezegd, goed onderbouwd, over taalonderwijs, over immersieonderwijs. Ik vond het jammer dat de media daar maar één zaak uithaalden, en dan nog eenzijdig brachten: de afschaffing van het huiswerk. De discussie over dat rijke rapport werd fel verengd.

Het huiswerk is natuurlijk niet alleen in Brussel een issue. Knack deed een bevraging over huiswerk. De kinderrechtencommissaris antwoordde dat hij tegen huiswerk was omdat het de ongelijkheid bevordert aangezien sommige ouders meer in hun kinderen investeren dan andere. Dat mag niet, zegt hij, dat moet overal gelijk zijn. Dat vind ik spijtig.

Over huiswerk moet pedagogisch worden gediscussieerd. Mijn dochter vindt haar huiswerk supersaai. Ik heb de indruk dat het haar niet veel bijbrengt. Een argument kan zijn dat kinderen na school moeten kunnen spelen. Dat zijn valabele argumenten. De ‘egalitaristische’ visie op het onderwijs kan ik niet volgen. Het lijkt wel alsof we ouders moeten verbieden om meer te investeren in hun kinderen om de lat gelijk te kunnen leggen. Dat vind ik een nefast argument. We moeten er eerder voor zorgen dat de achterblijvers naar omhoog getrokken worden dan de anderen naar beneden te duwen.

Versta me niet verkeerd, ik pleit niet ongenuanceerd voor huiswerk en nog meer huiswerk. We moeten over huiswerk discussiëren met de juiste argumenten.

Minister Pascal Smet: De opdrachthouder zelf, het Voorrangsbeleid Brussel dus, heeft de opdracht voor een evaluatie gegeven die door het Centrum voor Taal en Onderwijs werd uitgevoerd. Ik ben dus geen opdrachtgever. Omdat het een interessant rapport betreft, vond op 25 mei 2010 een overleg met de onderzoekers, de administratie en mijn kabinet plaats om meer duiding bij het onderzoeksrapport te geven.

Het is een syntheserapport met een dubbel doel. Het is een evaluatierapport met als doel het handelen van de VBB-ondersteuners, leerkrachten, schoolteams en directie bij te sturen. Vervolgens biedt het informatie over de resultaten van acht jaar VBB-werking.

In september 2010 hebben de onderzoekers het syntheserapport aan de Beleidsgroep VBB voorgesteld. In de beleidsgroep zetelen vertegenwoordigers van mijn kabinet en van het VGC-collegelid bevoegd voor Onderwijs, van het departement Onderwijs en Vorming, van de VGC-directie Onderwijs, de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) en het CTO. Er is toen ook beslist om hier een commissievergadering over te houden op 15 maart.

In het rapport zitten 76 rubrieken van aanbevelingen waaronder een aantal aanbevelingen over de fundamenten van de ondersteuningsstructuur in het Brussels Nederlandstalig onderwijs. De pers had inderdaad slechts aandacht voor twee rubrieken: huiswerk en de tolerantie ten opzichte van thuistalen. De precieze passage in het rapport hieromtrent suggereert enkel dat een fundamenteel debat over de zin en functie van huiswerk in het lager onderwijs en de rol van ouders aangewezen zou zijn. Ik moet u toch niet meer zeggen dat de overheid geen richtlijnen over huiswerk oplegt? De beslissing om al dan niet huiswerk te geven, en zo ja, welk soort huiswerk, behoort tot de vrijheid van de school. Alleen zeggen we dat de school hierover met de ouders via het schoolreglement afspraken moet maken. Zoals u allicht weet, moet het schoolreglement in de schoolraad besproken worden en kunnen ouders op die manier, via hun vertegenwoordigers, hun mening laten horen.

Laat me zeggen dat ik niet tegen huiswerk ben. Ik vind dat scholen daar verstandig moeten mee omgaan. Uiteraard gaat de voorkeur naar huiswerk dat kinderen zelfstandig, zonder hulp van de ouders, kunnen maken. Daar is niemand tegen. Het kan niet de bedoeling zijn dat het al of niet goed maken van huiswerk afhankelijk is van eventuele hulp vanwege de ouders. Er is natuurlijk niets verkeerds aan als ouders samen met hun kinderen dat huiswerk willen maken.

Het is dus aan de school om na te denken over dat huiswerk. Eventueel kan er gedifferentieerd huiswerk zijn, ook dat moeten de scholen zelf beslissen.

Zijn alle kinderen in de materiële mogelijkheid om het huiswerk te maken? Kinderen thuis iets op het internet laten opzoeken, lijkt de dag van vandaag een evidentie, maar voor kinderen die geen internetaansluiting hebben, is dit wel een probleem. Met al die aspecten moet de school rekening houden.

De onderwijsinspectie neemt in de doorlichtingen het huiswerk mee. Dit gebeurt niet systematisch in elke school, want huiswerkbeleid is geen variabele in het CIPO-model (context input process output), maar er zijn momenten waarop dit ter sprake komt.

Tijdens dit schooljaar werd door het VBB met drie experimenten in Brusselse scholen gestart. In deze scholen werd met de schoolteams expliciet over de zinvolheid van de huistaken nagedacht, en hoe ze geoptimaliseerd kunnen worden. Ook het tijdschrift Klasse heeft al meerdere keren aandacht besteed aan het thema huiswerk en zo aangezet om erover na te denken. Een afschaffing of vermindering van het huiswerk hoeft niet per definitie tot een verlaging van het onderwijsniveau te leiden als kinderen in de klas voldoende gestimuleerd worden om taken zelfstandig uit te voeren. Dat hangt ook af van de ontwikkeling en het niveau van de kinderen.

Tot slot kan ik u zeggen dat de vragen en opmerkingen over het positief omgaan met de thuistaal zullen worden beantwoord met de talennota.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik dank u voor uw uitvoerige antwoord. Ik wens wat dieper in te gaan op een paar punten en ook op wat werd gezegd door mijn collega’s.

Wij hebben inderdaad niet zomaar te beslissen of er al dan niet huiswerk wordt opgelegd, maar we kunnen misschien wel een breed debat op gang helpen trekken. Ik ben zeer bezorgd over het niveau dat kinderen kunnen halen, maar ik vind ook dat kinderen op een bepaald moment kind moeten kunnen zijn. Onlangs sprak ik met leerkrachten in het Brussels onderwijs. Zij hadden inderdaad een probleem met taal. Ik bezocht ook het Lucernacollege. Daar pakt men dit heel goed aan. Men pakt er de kinderen bij de hand, stuurt ze naar een huiswerkklas en naar een taalkamp en men praat er met ouders. De andere Brusselse leerkrachten met wie ik sprak, beschikken niet altijd over die middelen.

Ik wil wel vergelijken met de methode van het Lucernacollege. Ik vind die intensieve begeleiding en vooral de aandacht die ze daar hebben voor ouderbetrokkenheid zeer goed. Dat maakt voor kinderen het verschil. Maar je moet ook in de middelen voorzien en daar knelt het schoentje een beetje. De ouderbetrokkenheid is minstens even belangrijk als de taal. Door de politieke structuur van ons land en door de communautaire geschiedenis hebben wij soms een grote gevoeligheid ontwikkeld voor taal.

Taal is echter niet het enige probleem. De leerkrachten vertelden mij dat er absoluut geen studiehouding is in bepaalde scholen, dat men het in bepaalde wijken niet nodig vindt om kinderen op tijd naar school te brengen, dat er geen opvolging is van de agenda, dat sommige ouders dat niet kunnen lezen. Er is veel meer aan de hand. Daarom is er veel meer maatschappelijke aandacht nodig voor dit probleem.

Minister, ik vraag u dus nogmaals – en ik zal dat blijven doen – om samen met de VGC en in Antwerpen, Gent en de andere steden waar een zeer divers publiek naar school gaat, te investeren in de ouderbetrokkenheid. U moet nagaan hoe daaraan kan worden gewerkt, want dat is een gigantisch probleem. Het absenteïsme is te groot. Zo kun je niet vooruit. Er is dus meer aan de hand dan huiswerk. Niet het huiswerk hypothekeert de toekomst van de kinderen, vaak doen de ouders dat.

Ik kijk uit naar de resultaten van de experimenten. Ik zal dat nog eens goed bekijken. Ik ben alleszins gerustgesteld door het feit dat u niet zomaar pleit voor het afschaffen van huiswerk. Ik ben daar ook niet voor te vinden. We moeten kunnen spreken over hoe we beter kunnen omgaan met de moeilijkheden die de kinderen ondervinden. Indien dat niet met de talennota gebeurt, dat moet het op een ander moment gebeuren. Extra ondersteuning zal zeker nodig zijn. Die ouders moeten beter beseffen wat ze doen als ze hun kinderen niet op tijd naar school brengen of de middelen niet hebben om het huiswerk te ondersteunen.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Minister, ik ben tevreden met uw antwoord. Het debat zou moeten gaan over zin en onzin van huiswerk. U gaf het voorbeeld van het opzoeken van zaken op het internet. U hebt daarin gelijk: niet alle kinderen hebben een computer. Ik zie zelf ook dat mijn kinderen voor bijna alle taken een computer nodig hebben – tenzij ze mij iets wijsmaken om op de computer te kunnen. Daarover moeten we misschien eens een debat voeren.

Minister, u hebt ook gelijk dat de afschaffing van huiswerk het niveau niet naar beneden haalt. Dat is op zich waar, maar mij ging het vooral over de redenering erachter. Ik deel volledig de mening van mevrouw Brusseel over de betrokkenheid van de ouders. Daar ging het tenslotte om. Zoals mevrouw Celis het zei: het is niet omdat de ene ouder betrokken is en de andere niet dat men alles moet gelijktrekken en datgene waarvoor de ouders zich niet interesseren afschaffen. De betrokkenheid van de ouders is zeer belangrijk en bepaalt evenzeer de slaagkansen van de kinderen in het onderwijs.

Mevrouw Vera Celis : Minister, ik ben ook zeer tevreden met het antwoord. Ik merk dat er hierover een grote consensus bestaat. Het is een ruimer en fundamenteler debat dan enkel en alleen over dat huiswerk. Ik geef ter afsluiting even mee dat er gisteren in de Commissie Jeugdzorg een mevrouw is komen spreken die verbonden was aan de jeugdrechtbank van Antwerpen, waar de meest ernstige gevallen haar ter ore komen en om een oplossing vragen. Als je dan moet horen dat er in Vlaanderen in 2011 ouders zijn die geen flauw idee hebben naar welke school hun kind gaat, denk ik dat wij nog veel werk aan onze winkel hebben. Zij hebben daar geen interesse voor. Dat is dikwijls hun cultuur.

Ik doe hier op niets of niemand een voorafname, maar ik zeg toch dat er nog heel veel werk is. Zeggen dat het huiswerk moet worden afgeschaft omdat het met het oog op gelijke kansen een belastend element is, mag op zich niet de redenering zijn. We moeten fundamenteler werken en inzetten op verantwoordelijkheden van de scholen, maar zeker ook van de ouders. Wat ik in het Lucernacollege heb gezien, was pionierswerk om de lat voldoende hoog te houden. Daar blijf ik bij.

De heer Boudewijn Bouckaert : Mevrouw Celis, ik heb samen met u het Lucernacollege bezocht. Het gaat hier wel over een college waar een zeer groot engagement bestaat voor de opwaartse sociale mobiliteit van kinderen uit, vooral, Turkse gezinnen. De inzet daar is bewonderenswaardig, maar ik denk niet dat je dat model kunt veralgemenen. Dat is een bijzonder positief geval.

Minister, ik ben in grote mate tevreden met uw antwoord. Misschien toch één bemerking. Volgens mij moet huiswerk niet per se ouderonafhankelijk zijn. Je moet een goede complementaire verhouding hebben tussen school en ouders. Je moet de ouders voor een deel kunnen responsabiliseren. Ik vind niet dat we zo ver moeten gaan als in Korea waar de kinderen na schooltijd nog tot ongeveer 10 uur ’s avonds bezig zijn in andere scholen en met de ouders. Via de verschillende kanalen van het beleid, die in Vlaanderen zeer ingewikkeld zijn, moet de responsabilisering van de ouders vooropstaan omdat er op dat vlak toch veel problemen blijken te ontstaan.

Lees hier het volledige verslag van de discussie (VOU 1679) in de commissie onderwijs van 7 april 2011.