Minder baanverlies bij vrouwen tijdens de crisis, goed nieuws?

Uit een recente studie van de VDAB, die de schoolverlaters van 2007 volgde, blijkt dat tijdens het afgelopen jaar minder vrouwen dan mannen hun baan verloren. Ondanks de economische crisis konden de meeste jonge vrouwen hun baan behouden, terwijl de mannelijke schoolverlaters vaker ontslagen werden. Het verschil in aantal is opvallend: het aantal mannelijke werkzoekende is in februari 2009 toegenomen met 28%, tegenover 1% extra bij de vrouwelijke werkzoekenden.

Uit een recente studie van de VDAB, die de schoolverlaters van 2007 volgde, blijkt dat tijdens het afgelopen jaar minder vrouwen dan mannen hun baan verloren. Ondanks de economische crisis konden de meeste jonge vrouwen hun baan behouden, terwijl de mannelijke schoolverlaters vaker ontslagen werden. Het verschil in aantal is opvallend: het aantal mannelijke werkzoekende is in februari 2009 toegenomen met 28%, tegenover 1% extra bij de vrouwelijke werkzoekenden.

Als eerste verklaring vermeldt de VDAB de gemiddeld hogere scholingsgraad van vrouwen bij de recente schoolverlaters. Dat is uiteraard positief. Een tweede verklaring betreft de sectoren waar vrouwen eerder aan de slag gaan: de zorgsector, het onderwijs en openbare besturen. Aangezien het om minder conjunctuurgevoelige sectoren gaat, vallen er tijdens een economische crisis ook relatief weinig ontslagen.

Uit de gegevens van de VDAB blijkt dat heel veel jonge vrouwen kiezen voor die minder risicovolle sectoren, in tegenstelling tot de mannelijke schoolverlaters. Die sectoren zijn gekenmerkt door lagere salarissen en minder promotiekansen. Het gaat ook over jobs die een stuk minder maatschappelijk aanzien genieten. Laten we aannemen dat een groot deel van de jonge vrouwen een bewuste, gemotiveerde keuze maakte voor die bepaalde sectoren en dat ze de eerder negatieve aspecten hiervan aanvaardt als een noodzakelijk kwaad. Het percentage mannen in die “zachte” sectoren is echter zoveel kleiner dat de invloed van het traditioneel rollenpatroon niet te ontkennen is. Nog relatief veel meisjes en jonge vrouwen denken in de eerste plaats niet aan hun talenten en dromen, wanneer ze een opleiding of beroep kiezen. Hun denken is nog sterk geconditioneerd door de traditionele visie op vrouwelijkheid (zorgend, assisterend) en ze maken een reeks praktische overwegingen en niet verloonde taken (opvoeding kinderen, huishouden, …) ondergeschikt aan een intellectuele keuze.

Daaruit kan ik alleen concluderen dat het gender debat nog aandacht verdient. Zo lang mensen een opleiding en / of beroep kiezen in functie van hun geslacht én van de taken of rollen die daar zogenaamd bijhoren, moeten we blijven ijveren voor meer emancipatie. De sociale druk op vrouwen om klaar te staan voor gezin en in te staan voor het gros van de huishoudelijke taken is blijkbaar nog zeer groot. Een professionele richting zou anno 2009 echter niet meer mogen bepaald worden door het geslacht, maar door de competenties en passie van een individu, ongeacht zijn of haar geslacht.

Ik durf ook te betwijfelen dat wie, bijvoorbeeld, voor een job in het onderwijs kiest omwille van de mogelijkheid werk en gezin vlot te combineren, de beste leerkracht zal worden. De belangrijkste vereisten lijken me in dit beroep passie voor het vak en een zeer grondige kennis ervan. Anderzijds kan men zich afvragen hoeveel voldoening men uit een job haalt, als de inhoud ervan niet de voornaamste motivatie is voor de sollicitatie of opleiding. Met als mogelijke gevolgen: een getemperde of afwezige ambitie op het vlak van promotie en bijscholing, een stagnerende carrière, loopbaanonderbrekingen en deeltijds werken, met negatieve invloed op het pensioen.

Eveneens zorgwekkend is dat het steeds groeiende aantal hoogopgeleide vrouwen zich nog niet vertaalt in een belangrijke vertegenwoordiging van vrouwen in alle sectoren en aan de top. Men stelt daarnaast ook vast dat veel hoogopgeleide vrouwen een functie onder hun scholingsgraad aanvaarden of minder hoge eisen stellen inzake salaris en promoties, wat bij mannen veel minder het geval is.

Veel ambitieuze jonge vrouwen die aan een succesvolle carrière bouwen vinden het gender debat voorbijgestreefd en zouden in geen geval als feministe willen bestempeld worden. In hun geval is het eerder een goed teken dat ze geen behoefte meer voelen aan een feministisch “gevecht”. Het bewijst dat ze voldoende zelfbewust te werk gaan, zeker zijn van hun capaciteiten en dat ze zich niet bedreigd voelen door hun mannelijke collega’s, ondanks de moeilijkheden die ze ondervinden. Ze hebben bewust gekozen voor een bepaalde sector en zijn geen vragende partij voor voorrangsregels of quota, integendeel. Deze dames zullen hun pad wel zelf effenen en dit is een toe te juichen evolutie. Het is aan hen om het glazen plafond te doorbreken.

Maar de andere jonge vrouwen die massaal kiezen voor de traditioneel vrouwelijke beroepen of die zich met minder tevreden stellen dan hun mannelijke collega’s, kunnen best wel wat “empowerment” gebruiken. Initiatieven zoals “Equal pay day” leveren onvoldoende resultaat op. Beleidsinitiatieven, ondersteund door overheid en privésector, moeten een antwoord bieden op de reële problemen waarmee werkende vrouwen én mannen geconfronteerd worden. Dit is essentieel willen we dat de vooroordelen tegenover vrouwen in de bedrijfswereld verdwijnen.

Zolang het ouderschapsverlof voor mannen niet de norm wordt, blijven hoofdzakelijk de vrouwen met de nadelen van het moederschap opgescheept zitten. Ook moet de kinderopvang verbeterd worden: meer flexibiliteit en meer plaatsen. Tenslotte zou het onderwijs meer inspanningen moeten leveren om de clichés en stereotypen aan te klagen en het rollenpatroon te doorbreken. Als ultiem redmiddel om meer evenwicht te creëren tussen mannen en vrouwen in topfuncties, kan men ook overwegen quota in te voeren voor aanstellingen in overheidsinstellingen, parastatalen en bedrijven waarin de overheid participeert. Indien tegen 2011 er geen representatief aantal vrouwen deel uitmaakt van die directiecomités, is het aangewezen hieromtrent regels in te voeren en deze effectief te laten respecteren.

Maar in de eerste plaats is het aan de dames zelf om zich niet te gauw in de gedienstige, verzorgende rol te laten duwen of te nestelen. Beleidsinitiatieven zullen weinig zoden aan de dijk zetten als de vrouwen zelf niet op hun strepen gaan staan, zowel thuis als op het werk.