Meer wetenschappen, ook voor meisjes!

Vorige week besprak de gemengde commissie Economie en Onderwijs in het Vlaams Parlement het uitvoerig STEM-rapport (Science, Technology, Engineering, Mathematics) van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI). Het is een goede zaak dat beide commissies over dit onderwerp samen vergaderen, want een degelijk beleid op dit vlak is niet alleen hard nodig voor de kwaliteit van ons onderwijs, maar ook om de vele vacatures te kunnen opvullen en zo onze economie en arbeidsmarkt te kunnen versterken. Het rapport brengt de problematiek van de afnemende keuze van jongeren voor wetenschappelijke en technische studies in kaart.

Het is in dit verband vijf na twaalf. Er zijn te weinig leerlingen en studenten die voor STEM kiezen, vooral onder de meisjes, het technisch onderwijs heeft een imagoprobleem, het lager onderwijs besteedt weinig aandacht aan wetenschappen en amper aan techniek en technologie. De arbeidsmarkt stelt niet alleen een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve mismatch vast tussen hun vragen en de competenties van de afgestudeerde. Indien Vlaanderen echter in de top 5 van de Europese regio’s wil zitten inzake onderzoek en ontwikkeling (zoals het Vlaanderen 2020-plan stelt) en indien het een structurele economische groei nastreeft, moeten we meer jongeren naar deze studies én beroepen zien te krijgen.

Om deze doelstellingen te bereiken is een doelgericht beleid nodig, geen talloze projecten, zoals nu het geval is. Het rapport van het VRWI doet 34 aanbevelingen aan de beleidsmakers, gaande van vernieuwingen in onderwijs en solide mediastrategieën tot alle mogelijke samenwerkingen met de VDAB en de bedrijfswereld. Ik wil eerst en vooral de aanbevelingen op vlak van onderwijs gerealiseerd zien, want daar wordt de basis gelegd. Sterker nog: als in ons onderwijs geen fundamentele keuzes gemaakt worden, dan zijn alle andere maatregelen tot mislukken gedoemd. Uit het recente TIMMS-onderzoek is gebleken dat de wetenschappelijke geletterdheid van onze lagere schoolkinderen ondermaats is.

De doorlichtingen tonen ook aan dat de eindtermen van de eerste graad middelbaar onderwijs niet steeds gehaald worden. Hoewel dus bepaalde aspecten van ons onderwijs zeer goed scoren in internationale onderzoeken, hebben we ook een aantal zwaktes. Beleidsvoerders hebben nogal de neiging voortdurend uit te pakken met deze successen en de zwakheden van het systeem onder de mat te vegen. De minister van Onderwijs zou de jongeren van vandaag nochtans een grote dienst kunnen bewijzen mocht hij nu een paar maatregelen willen nemen.

In eerste instantie moet de lerarenopleiding versterkt worden en meer studenten aantrekken, die bewust voor onderwijs kiezen en ook een kei willen worden in hun vakgebied. De kandidaat onderwijzers moeten om te beginnen een sterke algemene kennis hebben. De instromende studenten komen nu vaak uit TSO en BSO, met een algemene kennis die eerder beperkt is. Van de ASO-instromers hebben velen amper technische kennis. Een toegangsproef lijkt me dus een eerste vereiste. Ten tweede is het noodzakelijk meer uren wetenschappen, techniek en wereldoriëntatie in het curriculum van de onderwijzers te steken. Nu is dit pakket quasi verwaarloosbaar, amper 9 tot 12 studiepunten op het totaal van de opleiding van 180 sp. Je zou gezien de vooropleiding ook kunnen stellen dat 180 sp als totaal te weinig is.

De onderwijzers die al voor de klas staan moeten nascholing krijgen, net als de collega’s middelbaar onderwijs die ook de recente ontwikkelingen in de STEM-domeinen moeten kennen en leren toepassen. Je kan je leerlingen niet warm maken voor wetenschappen en techniek als je er zelf niet genoeg van kent, of de didactiek niet stevig onder de knie hebt. Voor exacte wetenschappen en technische vakken moet je de leerstof aanschouwelijk brengen, zo kun je aan leerlingen tonen hoe boeiend en verrassend wetenschappen, technologie en techniek zijn. Ik neem aan dat iedereen het hierover eens kan zijn, want deze oplossingen zijn niet zo vergezocht, noch controversieel.

Het genderaspect van deze problematiek zal wellicht meer discussie veroorzaken (what’s new?!). In het rapport wordt een lans gebroken voor specifieke benaderingen voor meisjes, die in tal van STEM-richtingen ondervertegenwoordigd zijn. Hun geringe aanwezigheid is opvallend in bepaalde TSO-afdelingen (voornamelijk industriële wetenschappen, elektriciteit, mechanica, …) en in voortgezette opleidingen op het gebied van technologie, informatica, ingenieurswetenschappen en exacte wetenschappen. Kleine kanttekening: aan de universiteiten zijn de meisjes dan weer met een grote meerderheid aanwezig in de biomedische wetenschappen, farmacie en dierengeneeskunde. Precies in die afdelingen, zie je dan weinig jongens. Waar de meisjes en jongens quasi gelijk vertegenwoordigd zijn is in de opleidingen architectuur en geneeskunde. Het valt ook op dat STEM-afdelingen aan de universiteiten meer meisjes inschrijven dan de hogescholen die opleidingen aanbieden in hetzelfde domein.

Opnieuw worden nu vriendelijke aanbevelingen geformuleerd: gebruik maken van incentives voor scholen, aansluiten bij de ‘leefwereld van meisjes’ (?), een mediastrategie uitbouwen. De Europese Commissie probeert eraan te werken met haar campagne ‘Science, it’s a girl thing’ (want niet alleen het Vlaams onderwijs kent dit probleem. We scoren binnen de EU ‘gemiddeld’). Er wordt gesuggereerd om voor de lessen in STEM-vakken met niet-gemengde groepen te werken, om zo meisjes hun zelfvertrouwen te verhogen. Het lijkt me de moeite waard dit proberen, maar wat in eerste instantie moet gebeuren, is de onderwijzers en leerkrachten aanzetten om de meisjes sterker te betrekken bij de lessen STEM.

Hoe dan ook, het tijdperk van de studies en de pilootprojecten is voorbij wat mij betreft. Er moet een aangepast mainstreambeleid op alle niveaus van het onderwijs gevoerd worden. Leerkrachten en CLB’s moeten de gender-stereotype vooroordelen bestrijden (om te beginnen in eigen rangen) die nog te sterk de studiekeuze van meisjes negatief beïnvloeden. Een professionele studiekeuze-begeleiding houdt in dat het profiel van de leerling, zijn/haar talenten, competenties en belangstelling, ‘gematcht’ wordt met de overeenkomstige opleidingen, zonder voortdurend rekening te houden met het geslacht van de leerling en de sociale verwachtingen die daarmee (nog) gepaard gaan.

Vanaf het einde van het lager onderwijs en in de loop van het middelbaar onderwijs moeten leerlingen beter georiënteerd worden. Universiteiten en hogescholen moeten op hun infodagen actief mikken op vrouwelijke studenten voor de studierichtingen waar ze nu ondervertegenwoordigd zijn, ze mogen de visvijver aan talent niet links laten liggen. De vooroordelen moeten de wereld uit en we moeten ophouden met vrouwen als een moeilijke doelgroep of een minderheid te benaderen, met sympathieke ideetjes en gadgets. Vrouwen maken de helft van de bevolking uit. Wie dat potentieel ongebruikt laat, bewijst onze economie – ergo onze samenleving – geen dienst. Het is ronduit dom.

Ondertussen verwijst Onderwijsminister Smet bij alle vragen en voorstellen keer op keer naar het aanslepende lerarenloopbaandebat of naar de hervorming van het secundair onderwijs, maar beide dossiers zitten volledig vast. Zo verliest hij kostbare tijd om dringende en noodzakelijke ingrepen te doen, niet alleen om meer leerlingen klaar te maken voor de arbeidsmarkt, maar ook om hen beter kennis te leren maken met de boeiende wereld van wetenschappen, techniek en wiskunde.


Ann Brusseel

Dit opiniestuk verscheen in de Liberales nieuwsbrief van 18 januari 2013