Levensbeschouwing is meer dan een overtuiging

De kerken zijn al lang leeg gelopen en toch krijgen we de laatste dagen van de media een pak overbodige en tergend saaie analyses te slikken over de pausverkiezingen. Zou het geloof dan toch leven? Of hebben journalisten weinig inspiratie? Het aantal moslimjongeren dat zich tot het salafisme wendt, neemt in tal van Europese steden schrikbarend toe. De georganiseerde vrijzinnigheid blijft in Vlaanderen eerder een bescheiden groep. Ik vraag me steeds meer af hoe onze samenleving nu omgaat met zingeving en godsdienstige overtuigingen. Toch wordt er veel tijd en geld in levensbeschouwing gestoken, niet in het minst in onderwijs. Conform artikel 24 van de Grondwet zijn alle scholen van het officieel onderwijs verplicht om tot het einde van de leerplicht aan de leerlingen de keuze te bieden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Concreet houdt dit in dat die scholen lessen aanbieden in de zes erkende godsdiensten (rooms-katholieke, anglicaanse, protestants-evangelische, orthodoxe, islamitische en israëlitische godsdienst) en niet-confessionele zedenleer. Het gesubsidieerd vrij onderwijs is niet verplicht om meerdere godsdiensten aan te bieden. Hun inrichtende macht bepaalt voor deze onderwijsinstellingen of zij een confessioneel (één of meerdere der erkende godsdiensten) en/of een niet-confessioneel aanbod (niet-confessionele zedenleer) hebben. Bepaalde scholen kunnen onder de noemer levensbeschouwing de vakken ‘cultuurbeschouwing’ en ‘eigen cultuur en religie’ inrichten. In het officieel onderwijs bestaat bovendien de mogelijkheid om een vrijstelling aan te vragen voor het volgen van een levensbeschouwelijk vak, maar hiervan wordt zeer weinig gebruik gemaakt.

De huidige organisatie van de levensbeschouwelijke vakken is niet evident en gezien de diversiteit aan geloofsovertuigingen in onze samenleving zal het er in de toekomst niet makkelijker op worden. Denk aan de situatie in de gemiddelde Vlaamse centrumstad of Brussel: leerkrachten vinden, lessenroosters opstellen, lokalen vrijmaken, enz. Om een beter zicht te krijgen op dit alles vroeg ik een cijferoverzicht van de evolutie van het aanbod levensbeschouwelijke vakken in ons leerplichtonderwijs. Meer dan 80% van de leerplichtigen volgt nog steeds katholieke godsdienst, maar dit aandeel neemt lichtjes af. De invulling van deze lessen is binnen de katholieke zuil al enige tijd voorwerp van hevige discussie. De leer zou er niet consequent aangebracht worden, aldus onder andere Monseigneur Léonard (die homoseksualiteit als een ziekte heeft beschouwd).

Niet-confessionele zedenleer wordt door 10% van de leerlingen basisonderwijs en 13% van de middelbare scholieren gevolgd. De lessen Islamitische godsdienst stijgen het sterkst, vooral in de basisscholen (van 4,5% in 2007-2008 naar 6,5% in 2011-2012) en vooral in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (in 2011-2012 tot 28,4%). Ook in het secundair onderwijs is er een toename van 3,13% in 2007-2008 naar 4,21% in 2011-2012. Dan zijn er de kleintjes, waarvoor menig directeur zich de haren uit het hoofd trekt wanneer hij/ zij leerkrachten moet vinden. Israëlitische godsdienst haalt 0,30% in het basisonderwijs en 0,20% in het secundair onderwijs, maar concentreert zich vooral in de Joodse scholen in Antwerpen. Protestantse godsdienst neemt lichtjes toe, zowel in het basisonderwijs (van 0,66% in 2007-2008 naar 0,81% in 2011-2012), als in het secundair onderwijs (van 0,32% naar 0,35%). Anglicaanse godsdienst beperkt zich jaarlijks tot een tiental leerlingen, zowel in het basis- als het secundair onderwijs. Ook Orthodoxe godsdienst gaat lichtjes vooruit (van 0,08% naar 0,13%), zowel in het basis- als het secundair onderwijs. Cultuurbeschouwing neemt lichtjes toe in het basisonderwijs (van 0,64% naar 0,71%), maar stelt weinig voor in het secundair onderwijs (0,27%).

Sedert het schooljaar 2008-2009 wordt aan het officieel onderwijs in de werkingstoelagen een vast bedrag per leerling toegekend voor de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken. In 2011-2012 werd zo 4.857.890 euro toegekend aan het basisonderwijs en 4.997.131 euro aan het secundair onderwijs, los van de loonkosten dus. De loonkosten nemen globaal jaar na jaar toe. In het totaal bedroegen ze voor het schooljaar 2011-2012 voor alle netten samen 76.443.339 euro voor het basisonderwijs en 189.588.521 euro voor het secundair onderwijs (globale factuur van 266.031.860 euro voor één schooljaar; bedenk dat je met 2.000.000 euro al een schooltje kunt bouwen, capaciteitsprobleem?). De kostprijs swingt de pan uit. Maar ook de organisatie van de kleinere godsdiensten is in verhouding duur en vooral ingewikkeld. Zo waren er voor Anglicaanse godsdienst in 2011-2012 over heel Vlaanderen 15 leerlingen in het basisonderwijs en 9 in het secundair onderwijs. Omwille van de geografische spreiding werden 4 leerkrachten aangesteld. Je kunt dan toch stellen dat een loonkost van 49.432 euro voor het onderwijzen van een geloofsovertuiging aan 24 leerlingen gedurende 2 lesuren per week duur is voor de gemeenschap.

Bovendien kampen kleine scholen met het probleem dat ze te weinig leerlingen en dus te weinig ‘lesuren’ krijgen om aan hun grondwettelijke plicht tegemoet te komen. Blijkt dat er in Vlaanderen 31 scholen voor gewoon basisonderwijs zijn die omwille van hun beperkt leerlingenaantal slechts recht hebben op één cursus van de meest gevolgde levensbeschouwing. In de praktijk komt het erop neer dat deze scholen voor een andere levensbeschouwing (bijvoorbeeld zedenleer) de leerlingen van alle leeftijdsgroepen samen plaatsen. Het gevolg is dat in die basisschool alle kindjes van 6 tot 12 jaar samen les krijgen, wat de kwaliteit van de lessen niet ten goede komt. Toen ik de minister vroeg hoe hij dergelijk probleem zou oplossen, antwoordde hij laconiek dat hij niet van plan is om de berekeningswijze van de omkadering voor de levensbeschouwelijke vakken te wijzigen. Met andere woorden: kies je niet voor de meest populaire godsdienst, dan levert de overheid geen pedagogische garantie.

Het is duidelijk dat de complexiteit van de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken in de toekomst enkel nog zal toenemen. Bevolkingsgroei, een groeiende verscheidenheid aan overtuigingen in de samenleving, tekort aan schoolgebouwen… Wordt het dan niet hoog tijd om eens na te denken over de organisatie van de levensbeschouwing in ons onderwijs? Eén vak levensbeschouwing helpt alle praktische problemen uit de weg en zou een immense besparing opleveren. Meer nog, het voorstel van filosoof Patrick Loobuyck, LEF (levensbeschouwing, ethiek, filosofie), leert alle leerlingen elkaars tradities, overtuigingen en visies kennen. Samen denken en discussiëren is de intrinsieke waarde van een cursus als LEF. Nu worden leerlingen voor discussies over waarden en ethiek in groepjes ingedeeld volgens een geloof dat vaak door hun omgeving (mee) bepaald werd. Geen wonder dat de multiculturele samenleving niet zo’n succes is – dixit onder andere Marc Elchardus. Bovendien zou het onderwijs niet mogen dienen om te leren geloven, maar om te leren denken. Graag ook om elkaar beter te begrijpen, om wederzijds respect te doen groeien. Nu betaalt de gemeenschap echter disproportioneel veel voor het verkondigen van overtuigingen, terwijl de ‘return on investment’ nihil is, integendeel. Tijd voor beleid met Lef.

Deze column werd gepubliceerd in de nieuwsbrief van Liberales op 21 maart 2013.