Lerarentekort in Brussel

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het lerarentekort in Brussel

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het lerarentekort in Brussel

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Voorzitter, het lerarentekort in Brussel is in deze commissie al enkele keren zijdelings besproken, onder meer na vragen die de heer Gatz, mevrouw Meuleman, mevrouw Celis en ikzelf begin oktober van verleden jaar hebben gesteld. Toen ging het meer bepaald over de annulering van de Brusselpremie. Het is ook even ter sprake gekomen, maar niet uitgebreid, bij de bespreking van de beleidsnota.

Minister, ik heb mijn vraag om uitleg al tijdje geleden ingediend, op 6 januari 2010. Ze was ingegeven door een antwoord van u op een schriftelijke vraag van eind oktober. Een aantal cijfers zijn dus waarschijnlijk niet meer up-to-date, maar de grondtoon van de vraag blijft vandaag zeker overeind. Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag nummer 60 blijkt dat er een lerarentekort is in Brussel. In oktober 2009 blijkt meer dan 5 percent van de lerarenjobs niet ingevuld te zijn. In Vlaanderen bedraagt dit amper 0,5 percent.

Het totale aantal openstaande vacatures voor het basis- en secundair onderwijs in Vlaanderen bedroeg in oktober 2009 600. Ten opzichte van het jaar voordien is dit een daling van 29 percent. In tijden van economische crisis en stijgende werkloosheid is er een sterke daling van het lerarentekort in Vlaanderen. Als we ervan uitgaan dat er in Vlaanderen zo’n 120.000 leerkrachten werkzaam zijn, dan betekent dit dat er per 200 leerkrachten die aan het werk zijn, één vacature openstaat. 0,5 percent van de jobs is dus niet ingevuld.

De situatie in Brussel is helemaal verschillend. Daar bedroeg het aantal openstaande vacatures voor het basis- en secundair onderwijs eind oktober 2009 maar liefst 293. De vraag naar leerkrachten is in Brussel met maar liefst 40 percent gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2008. Ondanks de economische situatie is het aantal openstaande vacatures in Brussel gestegen. Als we dat aantal eind 2009 in Brussel vergelijken met het aantal leerkrachten dat er actief is – in grootteorde 5000 – dan betekent dit dat er per 20 leerkrachten die aan het werk zijn, meer dan één vacature openstaat.

Op termijn betekent deze evolutie een bedreiging voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, onder andere door de nakende bevolkingsexplosie die onze hoofdstad te wachten staat, en het toenemend aantal scholen en dus leraren dat hieruit zal volgen. Minister, u begroef in september de Brusselpremie voor de leerkrachten in onze hoofdstad. U maakte toen bekend dat u zou werken aan een plan om het lerarentekort aan te pakken. Dat plan bestond op drie niveaus: de loopbaan in het algemeen, het lerarentekort in grootsteden en het lerarentekort in het bijzonder in Brussel.

Minister, vindt u dat dit huidige, groeiende lerarentekort in Brussel een bedreiging betekent voor de toekomst van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad? Vandaag zijn er in het onderwijs twee evidenties die wegvallen, namelijk dat elke leerling een klas heeft, en dat elke klas een leerkracht heeft. Met deze laatste evidentie hebben we decennia geleefd, en nu lijkt dat weg te vallen, meer bepaald in Brussel.

Minister, kunt u een stand van zaken geven van uw globaal plan om het beroep van leerkracht aantrekkelijker te maken? In welke richting of visie werkt u dit plan uit? Welke concrete maatregelen hebt u al uitgewerkt? Het eerste luik van het plan betreft de loopbaan van de leerkrachten in heel Vlaanderen, het tweede gaat over de steden. Minister, u zegt zelf dat er onder andere in Antwerpen, Mechelen, Gent en zelfs in Genk, al een merkbaar lerarentekort is.

Het derde luik van het plan gaat over Brussel. Zoals vaak is Brussel een voorbode voor wat in de rest van Vlaanderen kan gebeuren, niet alleen in steden, maar ook in plattelands­gemeenten. In hoeverre is dit plan afgewerkt? Wanneer wilt u dit plan afwerken? Vanaf wanneer wilt u deze maatregelen invoeren?

Naast het feit dat er weinig leerkrachten instromen in Brussel, geven heel wat leerkrachten er de brui aan na er 5 jaar te hebben gewerkt. Uit cijfers die ik heb opgevraagd bij voormalig minister Vandenbroucke, blijkt dat ongeveer 60 percent van de beginnende leerkrachten in Brussel er binnen de 5 jaar mee stopt. We krijgen dus een combinatie van weinig instroom, snelle uitstroom en het totale aantal stoppende leerkrachten dat dreigt te stijgen.

De voorzitter : Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis : Minister, dit probleem is ons allen bekend. Enkele weken geleden heb ik samen met de heer Bouckaert een bezoek gebracht aan een basisschool in Sint-Joost-ten-Node op uitnodiging van het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG). Het deed me plezier dat de directeur, een heel gedreven persoon, niet kon beamen dat de uitstroom in het basisonderwijs zo opvallend was. Dat had te maken met de afstand. De leerkrachten hadden, net als de directeur, een geweldige drive om te werken en een goede sfeer te creëren. Zo’n ‘best practice’-school kan toch een voorbeeld zijn voor andere scholen. Hoe moeten we zulke scholen een plaats geven in dat globaal plan?

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik ben niet alleen bekommerd om het onderwijs in Brussel, ik ben er ook rotsvast van overtuigd dat er iets kan worden gedaan. We moeten niet alleen voor voldoende kwaliteit zorgen, maar ook voor voldoende plaatsen. Het een staat het andere absoluut niet in de weg. Er zijn scholen zonder uitstroom die wel gemotiveerd zijn, en die kunnen dienen als voorbeeld.

Minister, ik ben benieuwd naar uw globaal plan. De Brusselpremie is afgeschaft, de mentoruren zijn ook niet meer in trek bij u, u hebt goed bespaard en de eerste van de klas willen zijn. Ik hoop dat u met een beter plan op de proppen komt voor het Brusselse onderwijs, meer bepaald om te verhelpen aan het lerarentekort, dat wel degelijk bestaat.

De voorzitter : Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman : Minister, ik ben ook heel nieuwsgierig naar hoever het staat met uw globaal plan en welke stappen u al hebt ondernomen. Op een andere vraag heb ik nog geen antwoord gekregen. Voor volgend jaar zat u met een groot capaciteitstekort. U hebt grote inspanningen gedaan om dat zo goed mogelijk op te lossen. In de pers hebben we gelezen dat er onder andere in Antwerpen al heel wat plaatsen bij zijn gecreëerd. Wellicht zal dat ook zo zijn in Brussel en de andere steden die met een capaciteitstekort kampen. Maar hoe zit het met de omkadering en de leerkrachten?

U bent zo vriendelijk geweest me uit te leggen hoe het zat met de financiering en de manier waarop leerkrachten worden gefinancierd op basis van de tellingen van het jaar voordien. Hebt u al een oplossing voor de omkadering van alle plaatsen die u hebt bij gecreëerd?

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Voorzitter, de cijfers voor Brussel kunnen niet zonder meer worden vergeleken met die van het Vlaamse Gewest. Ik verwijs hiervoor naar de definities zoals opgenomen in de Onderwijsarbeidsmarktbarometer van december 2009. De vacatures waarvan sprake voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en die maandelijks door Actiris worden gepubliceerd, slaan op de ontvangen vacatures of werkaanbiedingen, beheerd door Actiris. Dat is al een heel belangrijke opmerking. Er is ook geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandstalige en Franstalige vacatures.

Niettemin ben ik mij bewust van de problematiek van het lerarentekort in Brussel, zoals dat zich ook in andere steden en regio’s in Vlaanderen in de toekomst duidelijker en scherper zal stellen. U hebt er terecht op gewezen dat ook het behoud van leerkrachten in het Nederlandstalig basisonderwijs en secundair onderwijs in Brussel een belangrijk zorgpunt is.

Er zijn heel wat initiatieven vooropgesteld, zowel in het regeerakkoord als in de beleidsnota. Ik denk aan de kwaliteit van de instroom in de lerarenopleiding door bijzondere aandacht te besteden aan de oriëntatie aan het einde van het secundair onderwijs, de verbetering van de werkomstandigheden van jonge leerkrachten, het doorbreken van de vlakke loopbaan, de taakdifferentiatie, personeelsleden langer aan het werk houden op het einde van hun carrière, de zijinstroom, de inzetbaarheid van de leraar, professionalisering.

Ik heb al duidelijk gesteld dat we dit in een globaal plan – een leerkrachtenloopbaanpact – willen aanpakken, maar u weet dat er een timing is. Je moet met de koepels, met het gemeenschapsonderwijs, met de vakbonden onderhandelen. Dat is niet gemakkelijk. Er zijn heel wat gevoelige punten. Daarom hebben we een heel duidelijke afspraak over tijdsbeheer gemaakt.

We zijn eerst begonnen met de besparingen. Mevrouw Brusseel, ik wou met de besparingen helemaal niet de eerste van de klas zijn. Ik heb veel eigenschappen, maar zeker geen masochistische eigenschappen om besparingen in het onderwijs te willen doorvoeren. Die heb ik niet. Ik ben gewoon een minister die afspraken nakomt die gemaakt zijn in een regering. Ik denk dat u blij mag zijn dat u een minister hebt die dat doet. Ministers die afspraken niet nakomen, zijn geen betrouwbare ministers. Ik probeer een eerlijke jongen te zijn. Op het platteland waar ik opgegroeid ben, heeft men me geleerd dat ‘eerlijk het langst duurt’. Ik vind dat een hele mooie waarde die gelukkig nog aan veel kinderen wordt meegegeven. Ik hoop dat u ze ook aan uw kinderen meegeeft. Ik vind het een heel belangrijke waarde. Als we een afspraak gemaakt hebben, dan kom ik die na. Niet om de eerste van de klas of de beste te willen zijn, maar gewoon om mijn verantwoordelijkheid op te nemen. Dat was niet leuk. We hebben het gedaan en we hebben de besparingen beperkt. Tijdens de begrotingsbesprekingen heb ik van uw partij gehoord dat de Vlaamse Regering de komende weken en maanden nog veel meer zal moeten besparen in Vlaanderen, als ik het allemaal goed begrijp wat jullie zeggen. Het zou misschien ook eens interessant zijn dat jullie zeggen waar we dat allemaal moeten doen. U moet dan niet vandaag doen, doe het maar op andere plaatsen.

We hebben dus onderhandelingen gevoerd. We zijn dan overgegaan tot besprekingen met de vakbond over Onderwijsdecreet XX, dat op 7 mei in het parlement is ingediend. Op dit moment voeren we zeer intensieve gesprekken met de vakbonden over de cao die we moeten afsluiten. In principe lopen die tot aan het reces in de zomer. In september zullen de gesprekken gaan over het leerkrachtenloopbaanpact. We zullen er met alle betrokken partijen over spreken. Op dat moment zullen we ook meer zicht hebben op de budgettaire situatie. Dat is de timing. Het is de bedoeling om ook wat tijd te nemen om dit te bespreken omdat ik een pact wil uitwerken voor de komende 10 jaar.

We zullen ook de onderwijsorganisatie onder de loep moeten nemen. Als 40 percent van alle beginnende jonge leerkrachten gedwongen deeltijds werkt en als er een leerkrachtentekort is, dan is er een probleem. We moeten ook onderzoeken hoe we leerkrachten beter kunnen ondersteunen. Dat zijn dingen die we op dit moment aan het uitwerken zijn.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik heb begrepen dat u vanaf september in een nog hogere versnelling zult gaan en met verschillende partners aan het pact zult werken. Ik ben zeker geen fetisjist op deadlines enzovoort, maar moet ik me dan voorstellen dat het een aantal maanden zal duren? Ik vraag het gewoon om een idee te hebben. Iedereen weet dat we ermee bezig zijn, maar ik zou graag een begin van antwoord kunnen geven. Is het eind dit jaar? Is het volgend jaar?

Minister Pascal Smet : Minstens een jaar.

De heer Paul Delva : Dat de discussies zullen duren?

Minister Pascal Smet : Als je het serieus wilt doen en alle aspecten wilt bekijken, dan ga je nog wel wat moeten praten. Daarom wil ik ook een pact maken dat voor 10 jaar geldt en dat gespreid zal worden uitgevoerd en waarbij iedereen uiteraard ook een stukje ‘geeft’: de vakbonden, de koepels, het gemeenschapsonderwijs, het ministerie zelf – ook al werven wij niet onmiddellijk aan. Als je dat gedegen wilt doen en er een draagvlak voor wilt hebben, dan moet je je tijd daarvoor nemen. Ik hoor ook dat de vakbondsvertegenwoordigers, die toch namens het personeel spreken, de koepels en het gemeenschapsonderwijs dat vragen. De vraag komt van hen. We willen dat dus ook doen. Uiteraard gaan we niet wachten tot het pact er is om een aantal dingen te doen. Maar als je het serieus wilt doen, dan moet je het in overleg doen, wat we op dit moment aan het doen zijn.

De voorzitter : Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis : Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik denk dat het een goede zaak is dat u er de tijd voor neemt om het goed te doen, maar u moet ervoor zorgen dat u niet alles op één hoop gooit.

De situatie in Vlaanderen is anders dan die in Brussel. Je moet bijzonder goed oplijsten waar de knelpunten liggen, waar de goede zaken liggen. De problematiek van Brussel moet een oplossing krijgen vooraleer het totale pact er is. Ik ben dus ook niet aan het pinnen op data of wat dan ook. De Brusselproblematiek lijkt mij een dwingender karakter te hebben dan de situatie in Vlaanderen.

De voorzitter : Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman : Minister, u hebt mijn vraag nog niet beantwoord. Het pact is inderdaad op lange termijn, maar wat met de acute tekorten volgend jaar?

Minister Pascal Smet : Ik ben het natuurlijk eens met mevrouw Celis dat Brussel niet Vlaanderen is, voor een stuk dan toch. Ik heb het vele jaren geleden al gezegd dat de problematiek van Brussel zich ook zal voordoen in Antwerpen, in Gent, in Mechelen en andere steden. Misschien zal hij wat minder scherp zijn en makkelijker op te lossen zijn, omdat er een eenheid van commando is wat er in Brussel helaas niet is.

Anderzijds merk je ook dat Vlaanderen ‘geniet’ van de Brusselse leerkrachten. Niet alle leerkrachten die stoppen, gaan weg uit het onderwijs. Ze verhuizen naar Vlaanderen, waar ze vaak ook wonen. Ze worden goed opgeleid in Brussel. Ze doen praktijkervaring op, maar ze krijgen ook opleidingen. Er wordt heel veel geïnvesteerd in leerkrachten via het Voorrangs­beleid, door het Onderwijscentrum Brussel enzovoort. Op het moment dat die opleidingen kunnen renderen, verlaat men Brussel. Men stelt zijn kennis uiteraard wel elders in Vlaanderen ten dienste. ‘Une bonne action n’est jamais perdue’ zeggen de Jezuïeten in mooi Nederlands. Het probleem is dat je in Brussel dan telkens opnieuw moet beginnen. Het verloop van die goed gekwalificeerde leerkrachten in Brussel komt in die zin ten goede aan Vlaanderen. De problematiek stelt zich evengoed in andere grootsteden. Het klopt dat je Vlaanderen niet kunt vergelijken met Brussel, maar op stadsniveau ziet het er al anders uit.

In het kader van Onderwijsdecreet XX zullen we een voorstel doen dat de problematiek van de omkadering voor de steden die een capaciteitsnood hebben, moet aanpakken. Nog een paar dagen geduld dus.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik begrijp dat u voor oplossingen op lange termijn nog verder overleg moet plegen en langer moet praten. Ik hoor u zo vaak zeggen dat u gaat praten en nog eens praten. U bent nog geen volledig jaar minister, ik neem dus aan dat u nog wat tijd nodig hebt om te praten over bepaalde dossiers, maar het tekort aan leerkrachten is een probleem dat niet dateert van gisteren of van 1 september 2009, het is al ouder. U hebt daar in oktober vorig jaar ook al een schriftelijke vraag over gekregen van de heer Delva. U hebt uw antwoord daarop afgesloten met het volgende: “Het is belangrijk voor de Nederlandstalige aanwezigheid in onze hoofdstad dat we extra inspanningen doen.” Ik ben het daarmee eens. U gaat verder: “Ik wil tevens een oproep doen aan allen. Ideeën en voorstellen zijn heel erg welkom. We staan immers voor een grote uitdaging die we met zijn allen moeten aangaan.” Dat is uw antwoord. Ik wil wel. Ik ben blij dat u er zo over denkt, maar als een parlementslid u een vraag stelt, weze het de heer Delva, de heer Gatz of ikzelf, dan verwachten wij een antwoord en geen warme oproep van de minister om mee te denken.

Minister Pascal Smet : Ik heb dat vandaag niet gezegd, mevrouw Brusseel.

Mevrouw Ann Brusseel : We zullen meedenken en voorstellen lanceren. Ik was samen met de heer Gatz niet zo tevreden over het opdoeken van de Brusselpremie en over het snoeien in de uren van de mentoren. Dat zijn eenmaal zaken die nodig zijn in Brussel, want de context hier is niet gemakkelijk om in te werken.

Ik ben een beetje verbijsterd dat u in de maand mei 2010 nog altijd aan het denken en het praten bent, terwijl u dat in oktober 2009 ook al hebt gezegd. Toen hebt u zelfs gevraagd aan andere mensen om voorstellen te doen. Hebt u die onderhand nog niet gekregen of lijkt het probleem u niet echt prangend?

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Mevrouw Brusseel, ik denk dat u in een permanente staat van verbijstering leeft. (Gelach)

Ik ben blij dat u ermee kunt lachen. Als u die mirakeloplossingen hebt, dan mag u me die altijd geven. Toen ik minister ben geworden, heb ik gezegd dat ik bereid was om, alvorens er beleidsbeslissingen worden genomen, van gedachten te wisselen met de parlementsleden en me wil laten inspireren door wat ze denken. U moet blij zijn dat u een regering en een minister hebt die dat willen doen. Dat is zo in een normale democratie, maar het is niet altijd de traditie geweest in dit land. Ik heb die hand uitgestoken. Ik stel vandaag vast dat u daar wat spottend over doet en dat u blijkbaar weigert om mee te denken. Ik neem er akte van en betreur dat u dat niet wilt doen.

Als u goed bent geïnformeerd – er is geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt dat u dat niet bent – dan zult u weten dat zowat elk Europees land en ook de Verenigde Staten, het grote voorbeeldland voor uw partij, een probleem van lerarentekort kennen. Niemand heeft daar op dit moment een toveroplossing voor. Als u een goede suggestie hebt, mag u die doen. Ik heb de afgelopen maanden heel veel gedaan in Brussel. Ik ben ook vaak in Brussel op het terrein geweest. Veel directies en leerkrachten geven toe dat de Brusselpremie niet effectief is geweest. Natuurlijk is het leuk om iets meer te krijgen, niemand zal dat ontkennen, maar als je een beleidsmaatregel neemt, moet die meer zijn dan puur het uitdelen van een cadeautje. Hij moet effect hebben, zeker in budgettair moeilijke tijden.

Om leerkrachten in Brussel te houden, moeten we rekening houden met een combinatie van heel wat factoren. Dat kan je niet in een-twee-drie oplossen. Ik ben er ook van overtuigd dat de politiek die door sommigen de afgelopen jaren is gevoerd door in het Brusselse onderwijs systematisch een struisvogelpolitiek te voeren, het niet heeft vergemakkelijkt om oplossingen te vinden. Enige zelfkennis zou u sieren.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel, ik zou hier willen afsluiten. U hebt al ruim de tijd gekregen.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik wil op zijn minst nog kunnen antwoorden omdat ik persoonlijk word aangesproken door de minister. Minister, u houdt zich niet altijd bij de zaken, het spijt mij. U draait en keert uw argumentatie naarmate het u uitkomt. Is het een voorstel waarmee we niet akkoord gaan, dan is onze mening niet welkom. Als u geen recept heeft, dan is onze mening wel welkom.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel, ik zou u willen vragen om hier af te ronden.

Het incident is gesloten.

Tussenkomst VOU 648 P. Delva – Lerarentekort in Brussel