Leerachterstand blijft toenemen!

Ann Brusseel: “De cijfers zijn verontrustend. Als ik de cijfers van 2008-2009 vergelijk met gelijkaardige cijfers uit 2000-2001 dan kom ik tot volgende vaststellingen:

Gewoon lager onderwijs:

1. De schoolse vertraging neemt globaal toe, zowel bij jongens als bij meisjes. Totaal 15,56% (tegenover 14,52% in 2000-2001). Als we naar het geslacht kijken dan zien we een percentage van 16,35% voor de jongens (15,66% in 2000-2001), bij meisjes bedraagt het 14,76% (13,36% in 2000-2001).

Ann Brusseel: “De cijfers zijn verontrustend. Als ik de cijfers van 2008-2009 vergelijk met gelijkaardige cijfers uit 2000-2001 dan kom ik tot volgende vaststellingen:

Gewoon lager onderwijs:

1. De schoolse vertraging neemt globaal toe, zowel bij jongens als bij meisjes. Totaal 15,56% (tegenover 14,52% in 2000-2001). Als we naar het geslacht kijken dan zien we een percentage van 16,35% voor de jongens (15,66% in 2000-2001), bij meisjes bedraagt het 14,76% (13,36% in 2000-2001).

2. Als we kijken naar nationaliteit dan zien we een positieve evolutie voor de niet-Belgen. Zij doen het merkbaar beter dan in 2000-2001, maar er is nog heel wat werk aan de winkel. Vertraging eerste leerjaar niet-Belgen 30,4% tov 36,89% in 2000-2001. De totale schoolse vertraging van de niet-Belgen bedraagt nu 40,85% tov 45,80% in 2000-2001. De negatieve evolutie zet zich dus vooral bij de Belgische kindjes door. Vertraging eerste leerjaar Belgen 10,89% tov 10,09% in 2000-2001. De totale schoolse vertraging van de Belgen bedraagt nu 13,87% tov 12,36% in 2000-2001.

3. Net zoals in 2000-2001 is de verhouding tussen normaalgevorderde leerlingen en leerlingen met schoolse vertraging nogal verschillend tussen de netten. In het gemeenschapsonderwijs (GO) is het percentage leerlingen met achterstand relatief groot (25,72% over alle leerjaren tov 22,86% in 2000-2001), in het gesubsidieerd vrij onderwijs (VGO) is dit percentage relatief klein (13,06% tov 12,33% in 2000-2001). Het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO), in het lager onderwijs is dit bijna uitsluitend gemeentelijk onderwijs, neemt nog steeds een tussenpositie in (15,56% tov 15,78% in 2000-2001). Er is dus een stijging te merken voor het GO! en het VGO tegenover een lichte daling voor het OGO.

4. Als we naar de geografische spreiding kijken dan zien we dat Vlaams-Brabant 11,84%, Limburg 14,04% en West-Vlaanderen 14,35% onder het Vlaams gemiddelde van 15,56% scoren. Antwerpen 17,01%, Oost-Vlaanderen 17,04%, en vooral het Brussels Hoofdstedelijk met 22,74% doen het een stuk slechter. Dit is wellicht te verklaren door de het aantal steden in deze provincies met een grotere populatie kansarmen. Ik kon hier geen vergelijking maken met 2000-2001 omdat ik geen cijfers voor heb over de geografische spreiding destijds.


Gewoon voltijds Secundair onderwijs:

1. De schoolse vertraging in het secundair onderwijs blijft ongeveer hetzelfde. Globaal bedraagt het 29,36% tov 29,11% in 2000-2001. Als we de opdeling naar geslacht maken dan zien we dat de cijfers voor de jongens lichtjes dalen 32,99% tov 33,90%, terwijl ze voor de meisjes juist licht stijgen 25,62% tov 24,11%.

2. Als we kijken naar nationaliteit dan zien we dat het totale cijfer voor de schoolse vertraging voor de niet-Belgen nu al 68,68% is tegenover 67,88% in 2000-2001. Het cijfer voor de Belgen blijft nagenoeg constant. 27,45% tov 27,47% in 2000-2001.

3. Net zoals in 2000-2001 is de verhouding tussen normaalgevorderde leerlingen en leerlingen met schoolse vertraging nogal verschillend tussen de netten. In het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO) is het percentage leerlingen met schoolse vertraging het grootst 49,06% tov 50,86% in 2000-2001, dezelfde tendens is te zien voor het gemeenschapsonderwijs (GO) 44,02% tov 42,04% in 2000-2001. Enkel het gesubsidieerd vrij onderwijs (VGO) heeft lagere cijfers 24,23% tov 24,06% in 2000-2001.

4. Als we naar de geografische spreiding kijken dan zien we dat West-Vlaanderen 24,73%, Vlaams-Brabant 25,96% en Oost-Vlaanderen 28,64% onder het Vlaams gemiddelde van 29,36% scoren. Limburg 30,12%, Antwerpen 33,02% en vooral het Brussels Hoofdstedelijk met 42,33% doen het ook hier een stuk slechter, ook hier geen vergelijking met 2000-2001 door gebrek aan cijfers.

Ann Brusseel: “Algemeen zijn dezelfde tendensen dus merkbaar voor het lager als het secundair onderwijs. Jammer genoeg zet de licht positieve verbetering voor de niet-Belgen, die merkbaar is in het lager onderwijs, zich nog niet door voor het secundair onderwijs. Doet het GOK-decreet wat het moet doen? Als ik deze nieuwe cijfers vergelijk met de vorige dan is er nog steeds geen kentering merkbaar in de globale tendens en ligt de schoolse achterstand – voor alle leerlingen – nog steeds veel te hoog. Het is dus hoog tijd dat hier structureel iets aan gedaan wordt. De schoolse achterstand die vastgesteld wordt aan het begin van de lagere school wordt duidelijk niet op een efficiënte manier aangepakt, want de cijfers blijven voor alle leerjaren stabiel of nemen zelfs toe. Voor het secundair is de achteruitgang echt alarmerend. Hoe zullen die jongeren zich waarmaken in onze kenniseconomie? Als de Vlaamse overheid dit probleem niet dringend aanpakt, zal onze regio razendsnel achteruit boeren.
Minister Smet heeft het hier wel al over gehad in zijn beleidsnota, maar van echte concrete maatregelen om het tij te keren is noch steeds geen sprake. De cijfers voor de zittenblijvers kreeg ik dus nog niet, maar ik zal deze zeker nogmaals opvragen, zodat er ook op dat vlak een vergelijking kan gemaakt worden.”

In Bijlage kunt u de cijfers voor het Basis & Secundair Onderwijs vinden voor 2000-2001 en de nieuwe cijfers voor 2008-2009.

Verslag SV 385 – schoolse achterstand

Artikel Het laatste Nieuws 20 juli 2010

Artikel De Morgen 20 juli 2010

Artikel De Standaard 22 juli 2010

Artikel De Morgen 17 augustus 2010

Artikel Het Laatste Nieuws 18 augustus 2010

Artikel De Standaard 18 augustus 2010

Artikel Het Nieuwsblad 17 augustus 2010