Inschrijvingsproblemen Brusselse kleuter- en basisscholen

Mevrouw Ann Brusseel : Voorzitter, minister, een tijd geleden heb ik een groep bezorgde Brusselse ouders ontvangen die nog geen duidelijkheid hebben gekregen van het lokaal overlegplatform (LOP) over de plaats van hun kinderen in de school. Veel mensen die zich hebben aangemeld via het onlinesysteem, hebben nog geen duidelijkheid over de inschrijving. Er lijkt voor een aantal kinderen geen plaats te zijn. De communicatie van het LOP is tot op heden niet transparant, soms wordt een foutje gecommuniceerd, soms krijgen ouders geen antwoord, ofwel krijgen ze een antwoord dat van dag tot dag verschilt.

De onduidelijkheid is voor de ouders een enorme stressfactor. Het is zeer frustrerend nergens met een klacht terecht te kunnen, want elke instantie schuift de verantwoordelijkheid van zich af.

Daarom wil ik van u vernemen of het LOP steeds rekening houdt met alle criteria die werden vooropgesteld en of alle cijfers reeds aan u werden doorgegeven. Welke voorrangsregels worden gehanteerd voor de plaatsen die vrijkomen na de eerste inschrijvingstermijn, GOK-leerlingen (gelijke onderwijskansen) of Nederlandstaligen? Wanneer zal hierover transparant gecommuniceerd worden met de ouders? Zullen er nog kinderen geweigerd worden in scholen of wijken waar men aan capaciteitsuitbreiding zal doen – als die er komt natuurlijk, want dat is nog een ander verhaal?

Minister Pascal Smet : Voorzitter, het spreekt voor zich dat het LOP steeds met alle criteria rekening heeft gehouden, dat is toch wat het ons zegt. Alle toewijzingen gebeurden op hetzelfde moment en op dezelfde manier, zoals ook werd aangegeven op de website www.inschrijveninbrussel.be.

Eerst kijkt het systeem naar de school die de ouders op de eerste plaats hebben gezet, school 1. Als er voor het kind in deze school plaats is, krijgen de ouders een e-mail of brief dat ze hun kind in deze school kunnen gaan inschrijven. Als er geen plaats meer is in school 1, kijkt het systeem naar de school die de ouders op de tweede plaats hebben gezet, school 2. Voor school 2 worden wel eerst de leerlingen gunstig geordend die deze school als eerste keuze hebben opgegeven, dat is de maximalisatie van de eerste schoolkeuze. Als er wel plaats in school 2 is, krijgen de ouders een e-mail of brief dat ze hun kind in deze school kunnen inschrijven. Het systeem herhaalt deze stap voor alle scholen die de ouders hebben opgegeven. Als er in de school van hun hoogste voorkeur een beschikbare plaats is, zullen de ouders die plaats toegewezen krijgen. Dit betekent niet altijd de school van de eerste keuze.

Zoals u allicht weet, zijn er in Brussel drie groepen kinderen die bij de inschrijvingen voorrang krijgen. Het betreft kinderen die een broer of zus hebben in dezelfde school. Kinderen die thuis Nederlands praten, krijgen voor 45 percent van de beschikbare plaatsen voorrang en kinderen uit gezinnen die beantwoorden aan een of meer van de volgende kenmerken, krijgen voor 30 percent van de beschikbare plaatsen voorrang: de moeder heeft geen diploma secundair onderwijs, het gezin ontvangt minstens één schooltoelage, het kind groeit op buiten het gezin of het gezin behoort tot de trekkende bevolking.

Als er meer kinderen zijn aangemeld dan er plaatsen zijn, houdt het nieuwe systeem in Brussel rekening met volgende ordeningscriteria: de afstand tussen de school en de woonplaats van het kind of de werkplek van de ouders, het aantal dagen dat het kind in een erkende Nederlandstalige voorschoolse opvang ingeschreven was – dit is enkel van toepassing voor inschrijvingen in de kleuterschool en het eerste leerjaar lager onderwijs –, en toeval, dat wil zeggen dat indien twee kinderen exact even ver van de school wonen en exact hetzelfde aantal dagen in een voorschoolse kinderopvang doorbrachten, de toewijzing at random gebeurt, want de motor zal dan één van de twee kinderen lukraak als eerste plaatsen. Ik wil er hier nogmaals op wijzen dat de scholen zelf bepalen in welke volgorde ze de ordeningscriteria 1 en 2 gebruiken. Wat van toepassing is in de scholen waar de ouders voor kiezen, vragen ze voor alle zekerheid het best na in de school zelf.

Bij de toewijzing van de aanmeldingen zal in eerste instantie worden geprobeerd alle broers en zussen van reeds ingeschreven leerlingen aan de school van eerste keuze toe te wijzen. Vervolgens zullen broers en zussen van reeds ingeschreven kinderen worden toegewezen aan hun school van tweede keuze. In tweede instantie worden de Nederlandstalige aanmelders toegewezen aan hun school van eerste keuze. Indien er meer aanmeldingen voor Nederlandstaligen dan plaatsen zijn, zullen de aanmeldingen geordend worden op basis van de afgesproken ordeningscriteria, te weten afstand woonplaats/werkplek en duur in een Nederlandstalige voorschoolse opvang. Vervolgens worden de Nederlandstalige aanmelders toegewezen aan hun school van tweede keuze. In derde instantie worden ouders die beantwoorden aan één van de gelijkekansenindicatoren, toegewezen aan hun school van eerste keuze, volgens de principes hierboven beschreven. Vervolgens worden de leerlingen met thuistaal Nederlands en de GOK-leerlingen die nog geen plaats hebben verworven binnen de voorrangspercentages en de leerlingen die tot geen van beide voorrangsgroepen behoren, geordend op basis van de afgesproken ordeningscriteria.

Indien bijvoorbeeld een Nederlandstalige aanmelder geen aanspraak meer kan maken op een voorrangsplaats binnen de 45 percent, dan zal hij in dezelfde school nog eens behandeld worden in de restgroep op basis van afgesproken ordeningscriteria. Er is uiteraard geen sprake van een restgroep wanneer de school vol zit.

De stuurgroepen van de LOP’s hebben besloten om de ruwe cijfers momenteel niet vrij te geven voordat er een diepgaandere analyse voorhanden is. De voorzitter van het Lokaal Overlegplatform Brussel Basisonderwijs (LOP Brussel BaO) is momenteel bezig met de verwerking van bepaalde cijfers opdat de evaluatie op basis van de rapporten kan starten.

Vanaf de vrije inschrijvingsperiode geldt enkel het ‘eerst komt eerst maalt’-principe. Dat wil zeggen dat er dan geen voorrangsregels meer gelden. Deze inschrijvingsperiode start op 17 mei en loopt tot 31 mei 2010. Op 7 mei zal een volledig overzicht van de beschikbare plaatsen op www.inschrijveninbrussel.be staan. Nu is de zogenaamde carrouselperiode aan de gang, tot 30 april voor basisonderwijs. Dat wil zeggen dat op basis van de effectief uitgevoerde inschrijvingen een soort carrousel op gang komt, waardoor er verschuivingen in de lijsten optreden. Bijvoorbeeld wanneer een gunstig geordend kind de toegewezen plaats niet inneemt, dan zal de eerste ongunstig geordende kunnen worden ingeschreven. Als die laatste leerling bijvoorbeeld reeds in de school van tweede keuze was ingeschreven, komt daar dan een plaats vrij. Pas na de carrouselperiode weten we hoeveel plaatsen er echt over of tekort zijn in welke leerlingengroep en in welke school.

U kunt al deze informatie ook vinden op de homepage van www.aanmeldeninbrussel.be, die sinds 23 maart online is. Als u surft naar www.inschrijveninbrussel.be en u klikt op de knop ‘Klik hier voor actuele informatie’, vindt elke belanghebbende de informatie ook via deze weg terug.

U vraagt of er nog kinderen geweigerd zullen worden in scholen of wijken waar men aan capaciteitsuitbreiding wil doen, maar daar hebben we nu geen zicht op. Ik heb de cijfers van collegelid Vanraes nog niet ontvangen, zoals werd afgesproken op het overleg van vorige week, maar uiteraard is er overleg bezig met de scholen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) om te zien hoeveel plaatsen er nog nodig zijn.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord.
Aangezien er geen cijfers zijn, hebben we nog altijd geen volledige klaarheid. Minister, u hebt al uitspraken gedaan over wijken waar er tekorten zijn, die reeds vastgesteld zijn op basis van bepaalde studies. U hebt het gehad over Molenbeek, Schaarbeek, de Vijfhoek. Ik vraag me af of u echt nog geen zicht kunt hebben op een capaciteitsuitbreiding. U hebt het over een restgroep, maar er is geen sprake van een restgroep wanneer de school vol is. U weet al dat er scholen vol zijn. Dat is al een hele tijd duidelijk. Waarom moeten wij nog langer wachten op duidelijkheid over een capaciteitsuitbreiding?

Minister Pascal Smet : Mevrouw, ik stel voor dat u met uw partijgenoot Jean-Luc Vanraes contact opneemt.

Mevrouw Ann Brusseel : Hij is daar helemaal niet voor bevoegd.

Minister Pascal Smet : Ik denk en vermoed dat u hem zeer goed kent. Ik neem aan dat u met hem een vriendschappelijke relatie hebt.

Ik heb hem vorige week gezien, net zoals ik de schepen van de stad Antwerpen heb gezien, de schepen van de stad Gent, de schepen van Halle, de burgemeester van de stad Vilvoorde, aangezien zij als lokale overheid het best geplaatst zijn om die cijfers in te zamelen in overleg met het LOP en in overleg met de onderwijsverstrekkers. Ze komen dan met die cijfers naar het ministerie van Onderwijs, en dan kunnen we onderzoeken wat er moet gebeuren, vooral dan in financiële termen.

U weet ook dat het niet de minister van Onderwijs is die scholen opricht. Dat wordt best aangestuurd door de lokale overheden. Ik als minister van Onderwijs organiseer opvolgingsvergaderingen, werk de legale hinderpalen weg, zoek financiële steun, treed faciliterend en coördinerend op tegenover de onderwijsverstrekkers. De cijfers zijn een verantwoordelijkheid van de lokale overheid, in dit geval de Vlaamse Gemeenschaps­commissie. Het schoonste bewijs is dat de heer Vanraes, als ik me niet vergis, in de bibliotheek op het hoekje van het Koningsplein destijds dit alles samen met het LOP heeft gepresenteerd.

Ik houd me gewoon aan de regels die we hebben afgesproken met de heer Vanraes. Ik ben iemand die zijn woord houdt en afspraken nakomt. Wij hebben afgesproken dat hij mij die cijfers geeft. Als u die heel snel wilt hebben, doe dan een telefoontje naar hem.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik heb inderdaad een mooie vriendschappelijke relatie met de heer Vanraes, maar ook met u, laten we eerlijk zijn.

Het verbaast me om hier te horen dat u eigenlijk maar een soort secretaris bent die eigenlijk niet meer kan doen dan wat faciliteren en wat mensen bijeenbrengen. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Maar in de kranten kunt u wel verklaren welke wijken een capaciteitsuitbreiding nodig hebben. Ik dank u in ieder geval voor uw uitvoerig antwoord, maar ik denk dat deze discussie de komende maanden nog verder zal worden gevoerd.

Minister Pascal Smet : Inderdaad, en ik kijk ernaar uit.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik ook, minister.

Verslag VOU 1587 – Inschrijvingsproblemen in Brusselse kleuter- en basisscholen