Iedereen naar de universiteit?

Vlaanderen heeft één van de laagste inschrijvingsgelden voor universiteit en hogeschool van heel Europa, en één van de duurste toegangsexamens. Voor 610 euro mag je het even gaan proberen in het hoger onderwijs. Ter vergelijking: in Franstalig België is dat 835 euro. Waarom zou je dan niet je kans wagen, want we worden om de oren geslagen met statistieken over verhoogde tewerkstellingskansen, hoger loon, de kennismaatschappij, en ga zo maar door. Het enige wat je nodig hebt, is een diploma secundair onderwijs, van welke aard ook: zeven jaar beroepsonderwijs volstaat om aan een studie burgerlijk ingenieur te beginnen. Of iets realistischer: meer dan de helft van de eerstejaars lerarenopleiding komt uit het beroeps- of technisch onderwijs.

Studenten stromen dan ook toe, maar helaas, zelfs na de toegenomen flexibiliteit blijven de slaagcijfers ondermaats. Minder dan de helft van de eerstejaars belandt zonder kleerscheuren in een tweede jaar. In technische termen heet het dat ze erin slagen tussen 90 en 100% van de opgenomen studiepunten ook effectief te behalen in het eerste jaar. Voorwaar, het duurste ingangsexamen van Europa; vooral als blijkt dat de kost van een student in Vlaanderen voor de gemeenschap jaarlijks 11.800 euro bedraagt. Het OESO gemiddelde is 9.987 euro. De totale kost loopt op tot iets meer dan 100 miljoen euro voor de belastingbetaler, met daarbovenop nog eens een slordige 92,5 miljoen euro voor de ouders. Ook de student verliest kostbare tijd en blijft met een bittere nasmaak zitten.

Bij de start van elk academiejaar duikt dan ook, als het spreekwoordelijke monster van Loch Ness, de vraag op naar een vorm van selectie bij de start van het hoger onderwijs. Sommige rectoren vullen dan de voorpagina’s van de kranten met de boodschap dat ‘de politiek’ in actie moet schieten. Het zijn nochtans diezelfden die moord en brand schreeuwden over overdreven overheidsbemoeienis toen kwaliteitseisen voor colleges in een vreemde taal werden ingevoerd. Bovendien hebben ze geen decretaal initiatief nodig om een niet-bindende ijkingsproef te organiseren voor toekomstige studenten, zelfs niet indien zo’n proef door hen verplicht wordt gesteld. Pas als het gaat om een bindende toelatingsproef, een toegangsexamen dus, waarbij wie niet slaagt ook niet aan de gekozen studie mag beginnen, moet de wetgever tussenkomen.

Sinds een paar jaar beginnen de universiteiten en hogescholen dan ook schoorvoetend testen uit te werken die aan toekomstige studenten worden aangeboden of opgelegd om te zien welke hun kans op slagen is in de door hen gekozen studie. Het spreekt voor zich dat een dergelijke ijkingsproef aan wetenschappelijke normen moet voldoen. Liberalen vinden niet dat het opstellen en afnemen van een ijkingsproef de taak is van de overheid. Laat de onderwijswereld dit zelf organiseren: ze hebben nu al de nodige instrumenten in handen. Wie weet immers beter wat de inhoud van zo'n proef moet zijn dan de universiteiten en hogescholen zelf. Zij moeten duidelijk maken welke startcompetenties ze verwachten. Maar men blijft aandringen op de validatie van zo'n ijkingsproef door de overheid. Nochtans kunnen de universiteiten en hogescholen dergelijke proef zelf valideren. Indien de onderwijswereld, bijvoorbeeld in de Vlaamse Interuniversitaire Raad, de VLIR, tot een gezamenlijk standpunt komt en tot een akkoord over hoe al die ijkingsproeven er moeten uitzien, dan kan eventueel via een decretaal initiatief en op hun vraag dit worden verankerd, maar strikt genomen is het niet nodig. Wel te verstaan moet het gaan om een ijkingsproef die verplicht en niet-bindend is. Het advies dat eruit volgt, moet ook constructief worden geformuleerd ten aanzien van de student. De organisatie ervan moet gebeuren op het niveau van het hoger onderwijs zelf.

Eens dat is verwezenlijkt, kan men zich de bijkomend de vraag stellen of er nog redenen zijn om toelatingsproeven te behouden zoals ze nu nog voor enkele richtingen bestaan. De ijkingsproef dient natuurlijk alleen maar om na te gaan of je de gekozen studierichting aankan, en doet niets af aan de noodzaak om veel vroeger te oriënteren, zodat kinderen al vanaf de lagere school weten wat hun sterktes zijn, en in het secundair onderwijs de juiste keuzes maken. Daarnaast moet men ook durven zeggen dat beroepsonderwijs en bepaalde andere studierichtingen misschien wel naar hoger beroepsonderwijs leiden, maar te weinig abstraherende vaardigheden en basiskennis bieden voor een directe toegang tot de universiteit.

Democratisering van het hoger onderwijs betekent niet dat iedereen het eventjes kan gaan proberen, wél dat wie de nodige geschiktheid en voorbereiding heeft, kan slagen, ongeacht haar of zijn afkomst of sociale achtergrond. Alleen met een ‘informed choice’, een permanente positieve oriëntatie en realistische doorstromingsopties kan aan de huidige verspilling van menselijk kapitaal en van overheidsgeld een halt worden toegeroepen, terwijl toch de keuzevrijheid van het individu wordt gerespecteerd.

Fientje Moerman & Ann Brusseel

Vlaamse Parlementsleden Open Vld

Deze essay verscheen in de Liberales nieuwsbrief van 24 oktober 2013.