Homofobie en andere vormen van discriminatie kunnen niet!

Vraag om uitleg van de heer Sven Gatz tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over uitingen van homofobie in Vlaamse steden

De voorzitter : De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz : Minister, mijn vraag gaat over een schrijnende situatie. We kennen de feiten. Dit geval is zeker niet de regel, maar het zegt toch iets over de sfeer in onze steden. Het is ernstig genoeg om er een kort parlementair debat over te voeren.

Vraag om uitleg van de heer Sven Gatz tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over uitingen van homofobie in Vlaamse steden

De voorzitter : De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz : Minister, mijn vraag gaat over een schrijnende situatie. We kennen de feiten. Dit geval is zeker niet de regel, maar het zegt toch iets over de sfeer in onze steden. Het is ernstig genoeg om er een kort parlementair debat over te voeren.

Een jong homokoppel ging in de Anneessenswijk wonen en werd daar weggepest. De mannen kochten in 2000 een huis en trokken erin in 2003. Meteen reageerde de buurt – een deel van de buurt – vijandig. De gevel werd bekogeld met stenen, tomaten, vuilnis. Het is jammer om te zeggen, maar de daders waren allochtone kinderen, al dan niet aangemoedigd door volwassenen. Een plant voor het huis werd langzaam vernietigd, ook graffiti prijkte uiteindelijk op hun vernieuwde gevel. Het koppel dook enkele keren onder nadat ze ook op straat werden gepest en beledigd.

De mannen klagen over de opvang van de stadsdiensten. Stadswacht en politie reageren ofwel niet ofwel veel te laks. Ik heb de indruk dat de opvang door de politie veel verbeterd is sinds de politiehervorming, maar er zijn nog genoeg ongelukkige reacties. Bijvoorbeeld: “U had beter moeten weten. U had maar niet in deze buurt moeten komen wonen.” Als ik dat hoor, is er toch nog wel wat werk aan de winkel. Ik begrijp wat ze willen zeggen, maar een overheidsdienst kan dat soort opmerkingen niet maken tegenover de burger.

Daarop volgt, als absurde en cynische kers op de taart, nog een klacht van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat de verstrekte renovatiepremies die het homokoppel had gebruikt, wil terugvorderen aangezien men verplicht is 5 jaar in een huis te wonen wil men blijvend recht hebben op dergelijke premies.

We zijn het erover eens dat dit niet kan. Ik wil het niet te vlug hebben over no-gozones, op welk vlak ook, maar misschien is dit het moment om het even wel te doen. Een democratie mag geen no-gozones tolereren, ook niet als het geweld wat subtieler is, zoals in dit geval. Het ging nooit over rechtstreeks, hard geweld, maar er is zo’n sfeer gecreëerd dat mensen er niet gelukkig konden zijn. Tolerantie tegenover mensen van een ander geslacht, huidskleur, religie of met een andere seksuele voorkeur is een hoeksteen van onze maatschappij.

Minister, ik zag dat u kort op de bal hebt gespeeld. U hebt Charles Picqué aangeschreven met de vraag om minstens de kwestie van de terugvordering van de gewestelijke subsidies te regelen. Ik steun u daar volledig in. Ik heb dat trouwens ook gedaan. We zouden het hierbij kunnen laten en hopen dat dergelijke problemen zich niet meer zullen voordoen. Niet elke dag of elke week, maar links en rechts in steden zoals Gent en Antwerpen merk je toch dat hetzelfde probleem zich voordoet. Eergisteren stond een gelijkaardig geval in Utrecht in de pers. Utrecht ligt niet in Vlaanderen, daarover moet ik u niet ondervragen, maar in sommige steden ligt dit probleem op straat en dat moeten we oplossen.

Vaak zijn het jonge allochtonen die het vuur aan de lont steken. Wat is de rol van de volwassenen daarin? Ze grijpen niet in. Zijn ze aanstoker, zijn ze zwijgende medeplichtige? In elk geval zijn de mentale, fysieke en eventueel financiële gevolgen van dergelijke pesterijen niet te overzien.

Minister, erkent u de problematiek? Dat is een retorische, parlementaire vraag. Bestaan er cijfers over pesterijen? Kunnen we dat in kaart brengen zodat we er beter zicht op krijgen? Als ik overdrijf en de cijfers laag zijn, dan hoor ik het graag. In het andere geval krijgen we er zicht op. Het heeft ook te maken met de registratie door politiediensten. Als die er zich niet te veel van aantrekken en vinden dat men maar beter moet weten en niet moet gaan wonen in bepaalde wijken, kan ik me indenken dat daarover geen cijfers beschikbaar zijn. Als ze bestaan, zou het toch nuttig zijn ze te hebben. Welke maatregelen bestaan er al op dit vlak? Denkt u aan nieuwe beleidsdaden om mee te voorkomen dat dergelijke situaties zich nog zouden voordoen?

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik sluit me volmondig aan bij de vraag om uitleg van de heer Gatz. Tegelijk wil ik aandacht vragen voor de no-gozones in de stad voor mensen van het andere geslacht. Niet alleen een andere seksuele geaardheid lokt ongewenst gedrag uit, maar ook vrouw-zijn. In deze stad zijn er ook no-gozones voor dames met en rokje of jurkje aan. Daar wil ik ook even de aandacht voor vragen en ook de retorische, parlementaire vraag stellen of u dit probleem erkent. Want dat is meestal het begin van de oplossing.

De voorzitter : Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis : Ik wil me ook aansluiten bij deze vraag om uitleg. Het voorbeeld dat de heer Gatz geeft, is natuurlijk maar een voorbeeld in Brussel, dus als grootstedelijk probleem.

Ik wil het verder opentrekken. In het verleden heb ik 7 jaar Arabisch gevolgd. In onze groep zaten nogal wat mensen van allochtone afkomst. Zonder voorafname heb ik ervaren dat het bijzonder moeilijk is met bepaalde mensen het gesprek aan te gaan over seksuele geaardheid of homofilie. Ze hebben daar een bepaalde visie op en het is bijzonder moeilijk om daarover in debat te gaan. Ze zijn het niet gewoon. Ze zijn daarin opgegroeid en vastgepind. Soms, niet altijd, zijn ze bijzonder weinig bereid om daarover na te denken of te praten.

Ik zal alvast contact nemen met minister Bourgeois om te vragen wat hij in het kader van inburgering zou kunnen doen, om deze zaak vooruit te helpen. Minister, ik wil u adviseren om daar met minister Bourgeois over te praten. Met twee kun je verder geraken om dit probleem aan te pakken.

De heer Boudewijn Bouckaert : Ik sluit me aan bij de bezorgdheid van de heer Gatz. Er zou moeten worden gepraat met de autoriteiten binnen de allochtonengemeenschap. Zij kunnen daar een cruciale rol in spelen. Organisaties als Kif Kif en het Vlaams Minderhedenforum hebben het op hun websites voortdurend over discriminatie en racisme. Daarin hebben ze soms een punt. Soms overdrijven ze, soms hebben ze geen punt. Het zou goed zijn dat deze organisaties zich meer responsabiliseren in hun eigen gemeenschap om de humanistische waarden van onze samenleving in hun eigen gemeenschap door te zetten.

Het is niet gemakkelijk. De laatste weken heb ik toevallig dezelfde ervaring gehad met mensen van de allochtone gemeenschap. Dat is inderdaad een taboe. Maar dat mag geen reden zijn om het te laten betijen. Het zal geleidelijk vooruit moeten gaan. Het initiatief van mevrouw Celis om minister Bourgeois erbij te betrekken is heel goed.

De voorzitter : Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan : Voorzitter, minister, ik zou zelfs iets verder gaan. Wat mevrouw Celis heeft gesteld over de verantwoordelijkheid van minster Bourgeois klopt, maar in dat geval gaat het over mensen uit het buitenland die zich hier vestigen. Het probleem ligt niet zozeer bij die groep, hoewel dat kan, maar het ligt veeleer bij jongeren die hier al zijn geboren en opgegroeid. We moeten de koe bij de hoorns vatten. Ik denk dan aan het onderwijs, dat zeer belangrijk is.

Minister, verder denk ik dat u veeleer moet overleggen met de minister van Cultuur. Dan gaat het over volksontwikkeling, over het middenveld. Er zijn federaties die worden erkend. Ze krijgen heel veel middelen in het kader van integratie, van het opzetten van projecten. Het zou goed zijn mocht de minister van Cultuur bepaalde signalen geven aan het middenveld om over dat probleem te communiceren met de achterban, om dat op te nemen in de gewone werking. Op die manier moeten de diverse ministers, vanuit hun diverse bevoegdheden, het probleem bespreekbaar maken. Het is vrijwel onbespreekbaar. Zo voel ik het ook aan. We moeten echter verder gaan en de diverse ministers aanspreken.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Voorzitter, geachte leden, we hebben het er al over gehad tijdens de bespreking van de beleidsnota.

Ondanks het wegwerken van een aantal belangrijke wettelijke discriminaties of ongelijke behandelingen en ondanks een positief evoluerend maatschappelijk klimaat – want daarop moeten we ook blijven wijzen – sluimert homofobie ook in Vlaanderen nog steeds en steekt het regelmatig de kop op. Mijnheer Gatz, zoals u terecht hebt opgemerkt, gaat het meestal niet over grove pesterijen, fysiek geweld of flagrante discriminaties, maar veeleer over subtielere vormen van weerstand, die uiteraard kwetsend worden als ze voortdurend worden herhaald. Dan gaat het over stereotyperende grappen, negatieve blikken of een fenomeen waarvoor men in Nederland de nieuwe term ‘moderne homonegativiteit’ heeft uitgevonden. Ik heb dat ook moeten leren. In Nederland is dat fenomeen immers al iets eerder gaande.

Die term komt erop neer dat mensen heel politiek correct stellen dat ze niets tegen holebi’s hebben, maar eraan toevoegen dat holebi’s te veel in de media komen, of dat ze er niet mee te koop moeten lopen, of dat twee homo’s die een kind opvoeden, een brug te ver is. Het is enigszins van dezelfde orde als mensen die zeggen: “Ik ben geen racist, maar…” Die mensen stellen zich politiek correct op, maar bevestigen een sluimerend gevoel of houden dat gevoel op zijn minst in stand. Natuurlijk is dat de moeilijkste vorm: het gaat immers over individueel gedrag dat moet worden gewijzigd.

In uitzonderlijke gevallen is er echter wél sprake van vormen van uitgesproken pesterijen of van verbaal en soms zelfs fysiek geweld. Het gebeurt wel eens dat homo’s in elkaar worden geslagen. Nog niet zo lang geleden is dat in Brussel gebeurd. Dat is veeleer uitzonderlijk, maar komt toch nog altijd iets te veel voor.

Wat de cijfers betreft, hebben we drie bronnen geraadpleegd. Voor ik die cijfers geef, wil ik toch twee kanttekeningen maken. Niet elke holebi die wordt geconfronteerd met pesterijen, doet ook daadwerkelijk aangifte. Dat gebeurt heel vaak. Er zijn dus ongetwijfeld feiten die niet terug te vinden zijn in de statistieken. Ook wijs ik erop dat niet elke pesterij een discriminatie is, en niet elke discriminatie een pesterij. Het is belangrijk dat in het achterhoofd te houden. Ik kan in elkaar worden geslagen omdat mijn homo-zijn bij wijze van spreken een verzwarende omstandigheid is, maar het kan ook een toevallige omstandigheid zijn, wat erop neerkomt dat een heteroman in dezelfde situatie mogelijk ook in elkaar zou zijn geslagen. Het is niet altijd evident om die grens te trekken. Ik bedoel dat niet vergoelijkend, maar het is belangrijk dat te weten als we cijfers bekijken.

De eerste bron die we hebben geraadpleegd, zijn onze eigen meldpunten discriminatie. U weet dat die zijn opgericht in het kader van het Vlaamse gelijkekansenbeleid en in uitvoering van het decreet ter zake. We hebben er momenteel twaalf: in Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout. U weet dat iedereen daar terecht kan met een klacht met betrekking tot discriminatie op basis van gender, seksuele geaardheid, gezondheidstoestand, handicap, leeftijd en etniciteit in de diverse Vlaamse bevoegdheidsdomeinen. We hebben vastgesteld – maar goed, ik zal dat meteen ook nuanceren – dat enkel in Leuven twee klachten zijn ontvangen die kunnen worden omschreven als pesterijen omwille van seksuele geaardheid. In het ene geval ging het om het bekladden van een huis met het woord ‘homofiel’. In het andere geval ging het om een melding van het gooien van een rot ei door onbekenden naar het nieuwe Holebihuis in Leuven.

Het Meldpunt Discriminatie Antwerpen heeft in 2009 vier relevante meldingen ontvangen. Daar ging het om verbale beledigingen die werden geuit door buren. Ook hier moeten we echter oppassen met die cijfers. Die meldpunten zijn nieuw en wellicht ook nog niet voldoende bekend. De meeste zijn slechts operationeel geworden in 2009. Die cijfers zijn dus relatief en geven niet echt een beeld.

Een tweede bron, die zeker niet te kampen heeft met een gebrek aan naamsbekendheid, is het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR). In 2009 ontving het CGKR 104 meldingen met betrekking tot het discriminatiecriterium seksuele geaardheid, waarvan 29 afkomstig van vrouwen en 71 van mannen. Van die meldingen hadden er 16 betrekking op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 41 op het Wallonië en 47 op Vlaanderen. Het bleek niet altijd om pesterijen te gaan. De meldingen voor Vlaanderen waren verspreid over de hele regio. Er was veeleer sprake van alleenstaande feiten dan van systematisch voorkomende of escalerende fenomenen.

De derde bron die we hebben geraadpleegd, is die van de statistische analisten van het parket. Het gaat over cijfers uit de databank van het College van procureurs-generaal. Het gaat hier om de homofobe delicten die tussen 1 november 2006 en 31 december 2009 in de gerechtelijke arrondissementen werden behandeld. U weet dat op 1 november 2006 de omzendbrief COL14/2006 van het College van procureurs-generaal van kracht is geworden, die een uniforme werkwijze oplegt voor de registratie van misdrijven met een homofoob karakter. Vóór die datum was er bij politie en parket geen veld aanwezig waarop het homofobe karakter systematisch kon worden geregistreerd. Daar is gelukkig verandering in gekomen. Ik denk zelfs dat het uw collega, mevrouw Turtelboom, is geweest die daarin een rol heeft gespeeld. Dat is uiteraard heel goed, want op die manier wordt dit veel beter geregistreerd.

Er werden 24 delicten met een homofoob motief behandeld. De feiten zijn zeer divers. Er is bij geen enkel parket een echte stijging vast te stellen, behalve in Antwerpen, waar in 2009 v oor het eerst dossiers opduiken met de vermelding ‘homofobie’ als motief. Het gaat meteen om acht dossiers.

Je moet dit relativeren omdat die dossiers een ander nummer hebben, terwijl het om dezelfde zaak gaat. Je moet met cijfers altijd oppassen. Maar we moeten toch toegeven dat het registratieveld ‘homofobie’ nog steeds erg zelden gebruikt wordt. Ook daar moeten we oppassen: in welke mate wordt dit door de politiediensten en het parket effectief aangestipt en effectief gemeld?

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding heeft weliswaar in 2007 samen met de politie een campagne opgezet om deze omzendbrief beter bekend te maken bij het politiepersoneel, maar wellicht zal niet elke politieagent even alert gebruik maken van deze registratiemogelijkheid. Evenmin weet niet elk slachtoffer van een homofoob feit dat hij het kan laten registreren.

Daaruit leid ik af dat het aantal werkelijke feiten hoger is dan het aantal geregistreerde feiten. Zeker als het om verbale agressie gaat, ook al is deze systematisch, doet men vaak niet de moeite om aan te melden. Vooral in stedelijke omgevingen, zeker in Brussel, moet je heel veel moeite doen om een klacht aangegeven te krijgen. Daar zijn dus toch nog wat problemen.

Zodra er een nieuwe regering is, zal ik, mede naar aanleiding van deze vraag, een brief sturen naar Justitie en Binnenlandse Zaken om te vragen om dit opnieuw bekend te maken. Ik zal ook de holebibeweging vragen om hier aandacht aan te besteden. We zijn aan het bekijken of dit rechtstreeks kan. Maar het is wat gevoelig, als een Vlaams minister naar politiediensten schrijft. Het kan misschien beter door de nieuwe federale collega’s van Binnenlandse Zaken en Justitie te sensibiliseren. Ik zal sowieso ook een brief schrijven naar de burgemeesters van de grote steden. Mevrouw Celis heeft gelijk: het is een fenomeen dat zich vooral in de centrumsteden voordoet. Wij moeten aandacht besteden aan het drie-, vier-, vijfhoekoverleg, dat in diverse vormen wordt georganiseerd.

Naar het daderprofiel is er al onderzoek gebeurd. We weten dat bij bepaalde bevolkings­groepen het risico op weerstand tegen holebiseksualiteit groter is. Onder andere Marc Hooghe heeft in 2007 onderzoek verricht naar de houding van jongeren ten opzichte van holebiseksualiteit. Daaruit blijkt dat het risico op weerstand bij jongens groter is dan bij meisjes; dat jongeren uit het bso het meest negatief staan tegenover holebi’s; dat niet-religieuzen doorgaans toleranter zijn ten opzichte van holebi’s dan gelovigen.

Dit wil echter niet zeggen dat iedereen die het aanvaarden van holebiseksualiteit niet evident vindt, zich ook automatisch schuldig maakt aan pestgedrag, geweldplegingen en/of discriminatie. Dit gebeurt vaak vanuit pure onzekerheid. Ik weet niet of ik als niet-medisch geschoold persoon een theorie moet geven, maar heel vaak zijn diegenen die het meest tegen holebi’s zijn, zelf holebi, maar dan zeer zwaar onderdrukt.

Het is heel interessant om eens te kijken naar de recente politieke geschiedenis in de Verenigde Staten. Al diegenen die zich daar de voorbije 10, 20 jaar het meest hebben verzet tegen holebi’s, blijken allemaal op latere leeftijd met een of andere escortboy, al of niet op vakantie, leuke tijden te hebben meegemaakt. Zo is er een republikein, die er heel zwaar tegen was, die met een escortboy op vakantie was gegaan naar Spanje. Hij had er niets beter op gevonden dan om te zeggen dat hij een boy had ingehuurd om zijn bagage te dragen omdat hij zelf rugpijn had. Maar de pers had hem gefotografeerd terwijl hij op de luchthaven zijn bagage duwde terwijl de escortboy daar heel mooi op stond toe te kijken. Dat was wel heel grappig. En interessant om te zien: we moeten heel goed beseffen dat diegenen die het meest tegen zijn, iets te verbergen hebben.

Alle relativeringen en contextualiseringen mogen niet doen vergeten dat er een hardnekkig probleem is, dat bij bepaalde groepen in de samenleving sterker aanwezig is. Dat is een kwestie van evolutie. De evolutie in Vlaanderen de voorbije 20 jaar moet in subculturen van onze samenleving ook plaatsvinden. In mijn beleidsnota focus ik weliswaar op een algemeen holebi- en transgendervriendelijk maatschappelijk klimaat, maar er wordt ook voor de eerste keer in een beleidsnota van een minister van Gelijke Kansen heel uitdrukkelijk verwezen naar het empoweren van holebi’s en transgenders, ook en vooral binnen de allochtone gemeenschap.

Wij zullen dat de komende maanden en jaren uitvoeren, onder andere in het onderwijs maar ook met de organisaties van allochtonen. We onderzoeken hoe we dat kunnen doen. Het is allemaal niet zo evident. Er rust daar een taboe op. Maar ik wil toch een sterke impuls geven. Heel wat allochtone holebi’s vormen extra kwetsbare doelgroepen. Dat heeft zelfs niet enkel met holebi’s te maken. Seksualiteit is daar sowieso al een probleem.

Denk aan Sam Touzani, die het tijdens een optreden in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg over masturbatie had en schoenen naar zijn kop kreeg. Er was – en dat was goed – een grote participatie van Marokkaanse Brusselaars in de zaal. Sam Touzani is een heel vooruitstrevende en open Marokkaanse Brusselaar. Als hij tijdens een performance over masturbatie spreekt, verlegt hij eigenlijk de cultuurgrenzen. Dat zien we heel goed. Hij heeft daarna nog een goed debat met die jongeren kunnen voeren. Op zich was dit misschien een verrijkende ervaring. (Opmerkingen van de heer Sven Gatz)

Hij is een moedig man. Hij zet op deze manier een belangrijke stap. Die jongeren denken na over wat er zoal gebeurt. Het ongenoegen wordt geuit. Zo ontstaat een dialoog. Het lijkt me belangrijk dergelijke momenten van uiting te hebben. Misschien moeten we die, op een gecontroleerde manier, wat meer organiseren.

Ik ben me ervan bewust dat er nog heel wat werk moet worden verricht. Ik zal dat ook doen. Ik verwijs in dit verband naar het debat dat we over de beleidsnota hebben gevoerd. Ik vind het belangrijk dat het Vlaams beleid met betrekking tot de prevalentie van homofobe pesterijen en discriminaties de vinger aan de pols houdt. Dat is een duur stadhuiswoord. Het gaat er gewoon om dat we in het oog moeten houden wat er gebeurt.

Om die reden bereiden we momenteel het tweede Zzzip-onderzoek voor. Dit is een grootschalige bevraging van Vlaamse holebi’s over verschillende facetten van hun leven. Die bevraging heeft in 2006 voor het eerst plaatsgevonden. Toen zijn 3000 holebi’s bevraagd over hun concrete ervaringen met discriminatie op de werkvloer. Nu zullen we expliciet vragen over fysieke en verbale agressie tout court in die bevraging laten opnemen. Het is de bedoeling dit Zzzip-onderzoek minstens om de 5 jaar te herhalen. Zo zullen we een duidelijke evolutie in de Vlaamse samenleving kunnen monitoren.

Ik ben blij dat de heer Gatz deze vraag om uitleg heeft gesteld. Ik leid uit de reacties af dat een vrij grote meerderheid in het Vlaams Parlement hier gezamenlijk over wil waken. Ik stel voor dat we op een later tijdstip, als we wat meer zicht op onze aanpak hebben, in deze commissie een gedachtewisseling organiseren over de manier waarop we met deze maatschappelijk dubbel kwetsbare groep omgaan. Ik sta hier in elk geval voor open.

De voorzitter : Minister, we zullen die suggestie zeker onthouden.

De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz : Ik zou nog enkele bedenkingen willen formuleren. Ik dank de minister voor zijn zeer goed antwoord, waarin nuancering en actiebereidheid worden gemengd. Er zijn nu al acties. Ik ben me ervan bewust dat het hier een werk van lange adem betreft. Verschillende sprekers hebben er al op gewezen dat dit werk via verschillende kanalen zal moeten verlopen.

Er is terecht onder meer gesuggereerd met de zelforganisaties in de migrantensector en de volksontwikkelingsinitiatieven in de cultuursector samen te werken. Er is ook terecht gesuggereerd hier in het inburgeringsbeleid nog wat bijkomende aandacht aan te schenken. Ik weet dat dit reeds gebeurt. De Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand heeft het Brussels onthaalbureau bezocht. We zijn er toen uitdrukkelijk op gewezen dat dit niet in een confronterende sfeer verloopt. Het is de bedoeling dit voor alle deelnemers rond de inburgeringstafel bespreekbaar te maken. Dat levert allerlei reacties op. Sommigen brengen hier begrip voor op. Anderen reageren zeer heftig. Het onderwerp komt in elk geval ter sprake. Dit maakt in elk geval deel uit van de cursus maatschappelijke oriëntatie.

Ik wil nog een laatste punt naar voren brengen. De vraag het opvangprobleem binnen de politiediensten wat meer onder de aandacht te brengen, kan misschien het best aan de minister van Justitie of aan de minister van Binnenlandse Zaken worden gesteld. Het zou misschien niet slecht zijn rechtstreeks met deze diensten contact op te nemen. Ik laat dit volledig aan de appreciatie van de minister over.

Het is een goede zaak dat er omzendbrieven bestaan en dat de top van de politiezones aandacht heeft voor die problemen. Het is de bedoeling dat de politiekorpsen hier gevoelig voor worden gemaakt. Dit sijpelt natuurlijk slechts langzaam door. Misschien moeten we andere manieren zoeken om de wijkagent en dergelijke te sensibiliseren.

Daarmee pak ik het probleem natuurlijk niet ten gronde aan. De mensen moeten het gevoel krijgen dat ze bij de politie een luisterend oor vinden. Ze mogen niet worden weggestuurd met de mededeling dat de politie daar geen tijd voor wil maken en daar geen proces-verbaal voor wil opstellen.

We zullen dit debat in de toekomst zeker nog kunnen voortzetten.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik dank de minister voor zijn uitgebreid en zeer interessant antwoord. Helaas heb ik niets over mijn bijkomende vraag gehoord. Het door de heer Gatz aangekaarte gedrag is nochtans niet enkel het probleem van een specifieke doelgroep. Het is natuurlijk een probleem voor die doelgroep. Het is echter ook een enorm probleem voor de doelgroep die ik heb vermeld.

De seksistische reactie van de voorzitter op mijn opmerking over rokken en jurken toont duidelijk aan dat er nog werk aan de winkel is en dat er een probleem is. Er wordt niet opgetreden tegen ongeoorloofd gedrag. Het kan om pesterijen, opmerkingen of intimidatie gaan. De politie neemt klachten niet ernstig. Het is duidelijk dat niet alle beleidsmakers dergelijke klachten voldoende ernstig nemen.

Ik ben ervan overtuigd dat de minister dit ook een probleem vindt. De voorzitter kan lacherig over mijn rok doen. Mijn rok is mijn recht en ik stap daar niet van af. In die bepaalde zones in Brussel waar mijn holebivrienden worden belaagd, word ik zelf ook belaagd. Het gaat om gevallen van verbale agressie. Dit weegt op de mensen. Die agressie is ontoelaatbaar. De generatie van mijn moeder had minder problemen met het dragen van een minirok dan ik met het dragen van een rok tot op mijn knie. Ik aanvaard dat niet.

Ik deel volledig de mening van de heer Gatz en de minister dat de holebigroep een immens probleem heeft, maar het probleem voor vrouwen in onze gemeenschap in Brussel en in andere grootsteden met een grote allochtone gemeenschap is eveneens immens.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel, het feit dat u mijn opmerking seksistisch vindt, laat ik volledig voor uw rekening. Dat is absoluut niet zo bedoeld. Een zekere krampachtigheid is u niet vreemd.

U hebt zich bij de vraag van de heer Gatz aangesloten, maar die vraag ging niet helemaal over het thema dat u aankaartte. De minister mag dus, maar moet niet antwoorden. Uiteraard krijgt u de gelegenheid om over dat thema een vraag te stellen. En ik denk dat de problematiek die u aankaart, terecht is.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Ik wil antwoorden. U hebt ongetwijfeld mijn boekje over Brussel gelezen. Dat veronderstel ik toch. Daarin stel ik heel duidelijk dat iedereen op elk ogenblik van de dag zonder problemen op straat moet kunnen komen. Ook tijdens de bespreking van de beleidsnota heb ik hier al gezegd dat ik het niet normaal vind dat vrouwen met een minirok of een diep decolleté problemen hebben. Het probleem zit bij de testosteronbommetjes in de stad. Het zijn stadsjongens die een testosteronmanagementsprobleem hebben. Daar komt het dikwijls op neer. Het is een probleem van omgang met seksualiteit.

In mijn beleidsnota heb ik daar aandacht aan besteed; we moeten daar absoluut op ingaan. Het is steeds opnieuw hetzelfde probleem. Het heeft te maken met houdingen ten aanzien van de hoofddoek, van holebi’s, van minirokken. Het is geen probleem van jongens op zich, maar van een problematische omgang met seksualiteit. Soms is hun gedrag ook een uiting van misplaatste bravoure, die niet kwetsend is bedoeld maar wel zo overkomt. Begrijp me niet verkeerd: ik wil dat gedrag niet vergoelijken.

Dat gedrag bestaat in verschillende schakeringen. Ik woon in een buurt waar heel wat loft­socialisten en Dansaertvlamingen wonen, maar waar ook heel wat allochtone mensen wonen. Het is een heel gemengde buurt waar het doorgaans goed gaat, maar waar men wel vaststelt dat sommige jongens niet weten wat ze doen en dikwijls gewoon stoer willen doen. Maar soms zijn ze tegenover vrouwen zeer agressief, grof en plat. Dat staat dan ver af van de gewone Italiaanse man die staat te fluiten. Soms is dat grappig. Maar als dat echt in your face gebeurt, en er zelfs handtastelijkheden aan te pas komen, is dat onaanvaardbaar.

Als we die jongeren zeggen dat dit niet kan, dan wordt dat opgevat als een vaderlijke vermaning waar ze op neerkijken. Het is dus geen goede manier om het probleem aan te pakken. Ik denk dat we manieren moeten vinden om hen bewust te maken van wat kan en wat niet kan. Eigenlijk moeten we hen – onder meer via het onderwijs – opvoeden. Het is een leerproces. We moeten hen niet stigmatiseren, want dat komt ook bij andere groepen voor. In elk geval hebben we nog veel werk te verrichten.

De voorzitter : Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Voorzitter, minister, collega’s, ik schaar me volledig achter de woorden van mevrouw Brusseel. Men doet het probleem nogal vlug af als een zaak van jongens die niet kunnen omgaan met seksualiteit. Volgens mij gaat het veel meer over een gebrek aan respect voor de vrouw. Het zijn niet enkel vrouwen met een minirok of een diep decolleté die problemen hebben. De situatie in Zweden toont aan dat het gaat over een gebrek aan respect voor westerse vrouwen.

Daar laten steeds meer blonde meisjes en vrouwen hun haar verven, want blonde vrouwen worden meer aangevallen dan donkerharige vrouwen omdat zij meer typisch zijn voor hoe westerse vrouwen eruitzien. Zij dragen ook steeds meer lange rokken of broeken. Ik wijs dus op het feit dat die tendens zich in heel Europa voordoet. Er is geen respect voor de westerse vrouw, en dat heeft niet zozeer te maken met problemen met de omgang met seksualiteit.

Minister Pascal Smet : Ik ben het daarmee eens.

De voorzitter : Het incident is gesloten.

Tussenkomst VOU 2108 S. Gatz – Uitingen van homofobie in Vlaamse steden