Hoe kunnen we de lage slaagcijfers voor eerstejaarsstudenten hoger onderwijs verbeteren?

In het voorbije academiejaar slaagden slechts 28 procent van de eerstejaarsstudenten in het eerste jaar hoger onderwijs, dat zijn 13.780 van de bijna 49.000 studenten. Dit is heel veel, maar wat nog zorgwekkender is, is de evolutie. Die gaat achteruit sinds 2007-2008. Toen ging het nog maar om 40 procent. Voor de hervorming was het 42 procent. Er zit dus een negatieve trend in.

In het voorbije academiejaar slaagden slechts 28 procent van de eerstejaarsstudenten in het eerste jaar hoger onderwijs, dat zijn 13.780 van de bijna 49.000 studenten. Dit is heel veel, maar wat nog zorgwekkender is, is de evolutie. Die gaat achteruit sinds 2007-2008. Toen ging het nog maar om 40 procent. Voor de hervorming was het 42 procent. Er zit dus een negatieve trend in.

Als oorzaak wordt vaak het systeem van de flexibilisering genoemd. Bij de flexibilisering wordt er niet meer in studiejaren, maar in studiepunten gedacht. Door de flexibilisering kunnen vakken van het eerste jaar tot op zekere hoogte worden meegenomen naar het tweede en zelfs derde jaar, waardoor er een studievertraging optreedt. Volgens experten zou de flexibilisering niet de enige verklaring zijn voor de dalende slaagcijfers. Er is ook een probleem met de veranderende instroom en het diversere publiek. Er is meer bepaald een groter aantal studenten dat vanuit het bso naar de universiteit gaat en het daar zeer moeilijk heeft om te slagen.

In een reactie op deze problematische cijfers pleit de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) voor de invoering van een duidelijk oriënteringsbeleid en het dringend organiseren van overleg tussen het secundair en het hoger onderwijs. Bedoeling hiervan is de student beter in te lichten over wat het hoger onderwijs precies inhoudt of verwacht, wat de verschillen tussen de verschillende onderwijsinstellingen of verschillende opleidingen zijn, en welke richting de betrokkene het meest zal liggen.

In de commissie onderwijs werd gediscussieerd over de evaluatie van het flexibiliseringssysteem, een eventuele verhoging van eht inschrijvingsgeld en een oriënterings- en/of selectieproef.

Tijdens deze discussie wees Ann Brusseel op de individuele keuzeverantwoordelijkheid.

Ann Brusseel: "Een betere oriëntatie, door middel van een proef of van een examen, kan zeker nuttig zijn. Volgens sommigen is dat niet sympathiek, maar het is nog veel wreder om iemand de illusie te geven dat het wel zal gaan. Als die persoon dan niet slaagt, is de teleurstelling nog veel groter dan als hij bij het begin te horen krijgt dat het te moeilijk is."

Ann Brusseel: "Dit is geen officieel standpunt dat ik vanwege Open Vld breng over een centraal examen, maar een denkpiste die ik in deze commissie wil lanceren. De vraag is hoe we jongeren kunnen oriënteren om hun een beter beeld te geven van hun capaciteiten. Na het beroepsonderwijs moet wie dat wil, hoger onderwijs kunnen doen, maar dan moet die daar wel eerst een zekere prestatie voor neerzetten. Men kan daarvoor studeren, eventueel met begeleiding, om dan een examen af te leggen voor de centrale examencommissie. Waarom zouden we altijd vanuit een soort misplaatste compassie iedereen overal toelaten, terwijl dat bergen geld kost en niet altijd het beste resultaat oplevert?"

Ann Brusseel waarschuwt ook voor de door Minister Smet voorgestelde moderne website, waar men heel simpel zou moeten kunnen bekijken wat men met een bepaalde studierichting kan doen.

Ann Brusseel: "Ik ben niet zo te vinden voor die heel erg simpele tools. Het ergste lijkt mij dat je op voorhand te veel etiketjes opgekleefd krijgt of dat men je op voorhand, op basis van je diploma, een beperkte reeks capaciteiten toekent. Want als er op voorhand al een zwaar traject afgebakend wordt dan wordt voor elk zalm­pje de tegenstroom wel erg groot."

Lees hier het volledig verslag van deze discussie in de commissie onderwijs van 7 april 2011.