Het communautair populisme van de Brusselminister

Al weken woedt de discussie omtrent capaciteitsuitbreiding en de kwaliteit van het Brussels onderwijs. Met simplistische argumenten stelt de minister van Onderwijs en Brusselse aangelegenheden dat het ene het andere uitsluit, terwijl onderwijsdeskundigen het erover eens zijn dat een capaciteitsuitbreiding van het Nederlandstalig onderwijs niet zou leiden tot een vermindering van de kwaliteit.

Al weken woedt de discussie omtrent capaciteitsuitbreiding en de kwaliteit van het Brussels onderwijs. Met simplistische argumenten stelt de minister van Onderwijs en Brusselse aangelegenheden dat het ene het andere uitsluit, terwijl onderwijsdeskundigen het erover eens zijn dat een capaciteitsuitbreiding van het Nederlandstalig onderwijs niet zou leiden tot een vermindering van de kwaliteit.

Alle redenen zijn blijkbaar goed om geen extra plaatsen te moeten creëren. Eerst lag het alleen aan de kwaliteit, nu zijn het ineens ook de vele Franstalige kinderen die uit de Rand afzakken en daarnaast ook de federale regering die een fout migratiebeleid voeren…. De minister blijft ervan uitgaan dat anderstalige kinderen het niveau van de lessen omlaag halen en dat de niet-Nederlandstaligen niet thuishoren in het Nederlandstalig onderwijs. Zo gaat hij volledig voorbij aan twee essentiële zaken. Eén: is er de vrijheid van onderwijskeuze, dus ook de keuze voor Nederlandstalig onderwijs, wetend dat het uiteindelijk tot meer kansen leidt op de arbeidsmarkt. Ten tweede is er het recht op onderwijs voor elk kind, dus ook voor kinderen van migranten wiens thuistaal noch Nederlands, noch Frans is. Er is geen enkele objectieve reden om te stellen dat de Vlaamse gemeenschap tegenover die kinderen minder verplicht is dan de Franse gemeenschap. Philippe Moureaux is volgens Smet plots bondgenoot van de Vlaamse Brusselaars en expert van het Nederlandstalig onderwijs. Hm. Hanteert de burgemeester van Molenbeek dan ook dezelfde logica voor kinderen die Turks of Berbers als thuistaal hebben? Horen die dan volgens de PS ook niet thuis in het Franstalig onderwijs?

De zogenaamde minimumregel voor Nederlandstalige leerlingen per klas klinkt aannemelijk, maar is niet wetenschappelijk onderbouwd. Smet vertolkt hier het buikgevoel van verontruste ouders. Onderzoek toont immers aan dat er geen oorzakelijk verband is tussen de samenstelling van de schoolpopulatie en de kwaliteit van de lessen. Een goede kennis van de thuistaal, de scholingsgraad van de ouders en hun sociaaleconomische achtergrond zijn bepalende factoren voor de slaagkansen van de kinderen, niet de thuistaal tout court. Daarover zijn alle pedagogen en linguïsten het wel eens. Ter informatie: een maand geleden heb ik schriftelijk gevraagd aan de minister op welk wetenschappelijk onderzoek hij zich baseert om te stellen dat kinderen met een andere thuistaal een achterstand creëren in de klas. Tot op vandaag kreeg ik geen antwoord.

Kijk naar de Europese en immersiescholen, naar het succes van Nederlandstalige scholen die deskundig worden ondersteund. De resultaten zijn niet slechter dan in Vlaanderen, de Brusselse leerkrachten leveren goed werk. Een spreidingsbeleid van leerlingen is dus niet aan de orde. Niet de kinderen zijn locomotieven van kwaliteitsvol onderwijs, maar wel de leerkrachten, directies, hun methodes en leerplannen, die aangepast moeten zijn aan de meertalige en multiculturele context. De Nederlandstalige Brusselaars vragen geen spreidingsbeleid waarbij ze uitgenodigd worden om elke morgen een grotere afstand af te leggen met de auto of tram. Ze wonen overigens in verschillende kleurrijke en vaak ook kansarme wijken van Brussel. Het succes van initiatieven als School in Zicht bewijst dat de Vlaamse ouders niet half zo bang zijn van anderstalige kinderen als Smet zelf. Als het Nederlandstalig onderwijs nu geen zekerheid kan geven aan een groep Nederlandstalige ouders over een plaats voor hun kind, dan ligt dat aan een gebrekkige inschrijvingsmethode van het LOP, niet aan de groep anderstaligen. Het is onaanvaardbaar dat Smet al maanden lang de Franstalige- en de migrantengemeenschap als zondebok aanwijst voor het plaatsgebrek en voor de zogenaamd dalende kwaliteit in het Brussels Nederlandstalig onderwijs.

De Vlaamse Brusselminister laat de Franstalige gemeenschap verstaan dat we hun kinderen niet willen, maar dat we wel een paar Nederlandstalige leerkrachten zullen sturen. In plaats van met zogenaamde “baanbrekende” projecten op de proppen te komen, zou de minister beter ook zijn verantwoordelijkheid nemen en plaatsen voorzien voor de Brusselse ketjes. De uitwisseling van leerkrachten dateert van juni 2008 en kwam goed van de grond in Jette, Laken en Molenbeek. Het is dus niet nieuw. Het is wel waar dat dit initiatief meer steun kan gebruiken en in twee richtingen zou moeten georganiseerd worden. Want ook het Nederlandstalig onderwijs kan voor het vak Frans native speakers gebruiken.

Maar blijkbaar wil de minister voor Brusselse Aangelegenheden aan heel Vlaanderen vertellen dat het in Brussel slecht gaat. Wat met de toepassing van de Brusselnorm van 30%? Door de Vlaamse Regering werd dit als doelstelling geformuleerd, ook in het huidig regeerakkoord. Het gaat ons dus niet om een marktaandeel aan Vlaamse scholen, meneer de minister, maar wel om de erkenning van Brussel als onze hoofdstad en om een plaats voor elke leerling in de school van zijn keuze.

Dit opiniestuk verscheen in Liberales