Gender stereotype studiekeuze is nefast

Vorige week wees een onderzoek van het documentatiecentrum RoSa nogmaals op de sterke rol die genderstereotypen spelen in de studiekeuze van leerlingen. RoSa stelt dat je studiekeuze een groot deel van je toekomstkansen bepaalt. Dat is inderdaad zo, niet alleen omdat de zogenaamde ‘meisjesberoepen’ over het algemeen minder scoren op vlak van prestige en verloning, maar ook omdat wie keuzes maakt in functie van sociale verwachtingen minder ruimte laat om zijn of haar talenten te ontdekken en als troef uit te spelen in het beroepsleven. Een studiekeuze die intrinsiek is, is waardevoller, hoe je het ook draait of keert. Met andere woorden, één van de valkuilen van het genderstereotype kiezen, is dat je als meisje (of als jongen) te vaak studeert voor een beroep dat je eigenlijk minder ligt. De gevolgen hiervan zijn niet alleen negatief voor de persoon in kwestie, maar ook voor anderen.

Ook voor de arbeidsmarkt is een genderstereotype studiekeuze nefast. Alle werkgevers zoeken mensen met talent en passie voor hun vak, want mensen die gemotiveerd zijn presteren goed en zijn gelukkiger. Laten we het voorbeeld van de onderwijzersopleiding nemen: amper jongens kiezen ervoor (17%), wel heel veel meisjes (83%). Zijn al die meisjes even geschikt en gepassioneerd? Het lerarenberoep heeft ook de reputatie zeer vlot combineerbaar te zijn met het gezinsleven, voor meisjes nog steeds een belangrijke factor. Ik durf echter te stellen dat de beste onderwijzers mensen zijn die om andere redenen dit beroep kiezen (en dat zijn er heel wat, dat wil ik benadrukken). Maar wie als vrouw dit beroep kiest omdat het mooi past in het plaatje van de oude rollenpatronen, die riskeert alle genderstereotypen mee te geven aan de leerlingen. Bovendien zal deze onderwijzeres er snel achter komen dat de combinatie werk en privéleven ook in dit beroep best zwaar kan zijn.

Een ander neveneffect van de genderstereotype studiekeuze is dat er in bepaalde beroepen te weinig kandidaten zijn voor de vacatures. Het voorbeeld van de ingenieurs is het duidelijkst (studiekeuze toegepaste wetenschappen 2013-14: 21% meisjes versus 79% jongens). Het reservoir waaruit we moeten putten is klein door toedoen van wat we de ‘genderbias’ noemen, omdat de helft van de bevolking, zijnde de meisjes, zich amper aangemoedigd voelt voor die studies te kiezen. Vervolgens duikt het probleem op van de ‘werksfeer’: niet alle vrouwelijke ingenieurs blijven in hun beroepscategorie hangen, die sterk mannelijk is. Dit geldt overigens ook voor de zorgberoepen, die de mannen dan weer te vaak links laten liggen. Ook daar is er een te klein reservoir om werkkrachten uit te rekruteren.

RoSa vraagt een permanente aanpak voor dit probleem, in de klas. Terecht, want campagnes volstaan helaas niet. Ik zie maar één mogelijkheid: alle leerkrachten en de CLB’s wijzen op hun rol in het doorbreken van het stereotype denken (bij henzelf en bij ouders en kinderen), via de lerarenopleiding en bijscholingen. Men zal hard moeten werken aan de pedagogische attitude en de verwachtingen ten aanzien van meisjes en jongens. Die moeten gelijk zijn. De lat moet voor iedereen even hoog liggen. Meisjes moeten evenzeer gestimuleerd worden om wetenschappen, techniek en technologie te ontdekken. In tegenstelling tot wat Mieke Van Houtte stelt (DS, 2 juni), geloof ik niet dat meisjes ‘gewoon liever talen doen’, maar wel dat ze zich er beter in voelen. Een recente bevraging van de OESO in het kader van de PISA onderzoeken toonde aan dat meisjes vooral bang zijn dat ze wiskunde en wetenschappen niet even goed kunnen als de jongens, en daarom eerder afhaken. Men moet dringend komaf maken met de mythe dat jongens nu eenmaal meer aanleg hebben voor wiskunde en techniek, want het is een pijnlijke ‘selffulfilling prophecy’.

Anderzijds heeft het Vlaams onderwijs in het algemeen te vaak de neiging om gedrag dat eerder eigen is aan jongens (niet kunnen stilzitten, minder nauwkeurig en netjes werken) te bestraffen en het zogenaamde ‘meisjesgedrag’ te belonen. Dit verklaart ook waarom zoveel meer jongens niet graag naar school gaan en in veel grotere aantallen de school verlaten zonder diploma. Ze ervaren de vele opmerkingen over hun attitude als ‘gemekker’. Voor de klas staan is geen eenvoudige opdracht, het is veel intensiever en moeilijker dan men denkt. Daarom moeten we de leerkrachten beter uitrusten met kennis en vaardigheden over genderstereotypen en hoe we ze kunnen vermijden. Als ik zie hoe hard gewerkt wordt in onderwijs, ben ik ervan overtuigd dat leerkrachten daar graag willen aan meewerken.

We hebben dus nog een goede reden om de instroom van de lerarenopleiding beter te sturen dan vandaag: we hebben de beste krachten nodig om voor de klas te staan, de meest gemotiveerde mensen en ook meer mannelijke rolmodellen. Ten eerste is een verhoging van de maatschappelijke waardering van het lerarenberoep onontbeerlijk, dat kan met een goed salaris, met het doorbreken van de vlakke loopbaan, maar ook met een selectie aan de poort van de lerarenopleiding. De taak van een leerkracht is even belangrijk als deze van ingenieurs en artsen, lesgeven is niet voor iedereen weggelegd. In Vlaanderen wordt dikwijls verwezen naar de Scandinavische succesverhalen in onderwijs. Wel, in Finland moet je een sterke en gemotiveerde leerling zijn om aan de lerarenopleiding te mogen beginnen. Dat lijkt me één van de belangrijkste factoren van hun succes. Daarom moeten we voor de Vlaamse hogescholen ook toelatingsvoorwaarden creëren, die peilen naar kennis, vaardigheden en motivatie.


De auteur is Vlaams parlementslid voor Open Vld


Ann Brusseel

Dit opiniestuk verscheen als column in de Liberales nieuwsbrief van 12 juni.