Er schiet werkelijk niets meer over van het loopbaanpact

In 2012 lanceerde de minister van onderwijs met veel enthousiasme zijn ‘loopbaanpact’ in alle media. Alle problemen en uitdagingen m.b.t. het lerarenberoep en de organisatie van het onderwijs zouden daarmee van de baan zijn: het lerarentekort, de vlakke loopbaan, schaalgrootte van de scholen, planlast, taakomschrijving directies, … Nu blijkt dat het lerarenloopbaandebat gestrand is. Op de zij-instroom en de TBS-regeling na – het eerste vooral een kwestie van statuut, het tweede is er gekomen onder dwang van de federale regering – is er van alle voorstellen niets geconcretiseerd. De minister beweert echter dat er verder gewerkt wordt. Vandaar dat ik enkele precieze vragen stelde over acute problemen in ons onderwijs.

Ten eerste wou ik weten welke initiatieven men alsnog zou nemen om startende leerkrachten beter te begeleiden, want het blijkt dat ze heel snel afhaken. Dit wordt onderzocht door een werkgroep (één van de zes). Meer niet. Ik ben benieuwd of deze werkgroep ook niet bij het recept van de mentoren zal uitkomen, een werkwijze waarvoor de minister de middelen heeft afgeschaft begin deze legislatuur.

De volgende vragen gingen over het lesgeven met een zogeheten ‘voldoende geacht diploma' en de nood aan bijscholing, want steeds vaker staan leerkrachten voor de klas die niet het meest geschikte noch het vereiste diploma hebben voor het vak dat ze geven. Vandaag is de leerkracht met dergelijk diploma niet verplicht zich bij te scholen. Dit heeft onvermijdelijk gevolgen voor de kwaliteit van ons onderwijs (vooral leerkrachten wetenschappen en wiskunde in de derde graad secundair missen vaak het vereiste diploma). Vandaar mijn vraag of nog naar oplossingen gezocht zou worden voor het nijpende tekort aan leerkrachten met de vereiste kwalificaties. Hier duikt opnieuw de magische formule op van de werkgroep, al wordt er meteen aan toegevoegd dat een herziening van de bekwaamheidsbewijzen ‘eventueel’ zal behandeld worden, want volgens de minister is het nu voorbarig een stelling in te nemen. Zo wordt één van meest prangende problemen totaal miskend.

Tijdens de meest recente uitzending van de ‘Zevende Dag’ benadrukte de minister het belang van nascholingen, maar in zijn officieel antwoord staat enkel te lezen “Iedereen moet levenslang leren, zowel de leerkracht die lesgeeft met het vereiste bekwaamheidsbewijs als de leraar die niet met de juiste kwalificaties voor de klas staat.” Betekent dit dat voor iedereen hetzelfde nascholingstraject gevolgd wordt? Dat er extra budget voor uitgetrokken wordt? Op mijn vraag of de professionalisering zal verhoogd worden, zeker voor bepaalde groepen zoals de zij-instromers, kreeg ik gewoon geen antwoord. Wel dit: “De motivatie om zich continu te professionaliseren moet zowel bij de leraren als bij de school worden opgewekt. Het persoonlijk interpretatiekader van een leraar bepaalt immers hoe een leraar zichzelf en het onderwijs ziet.” Met alle respect, dit zijn geen beleidskeuzes, het is wollig proza.

De minister verwijst verder nog naar de rol van de pedagogische begeleidingsdiensten en naar de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur in de aanstelling van leerkrachten. Handig om je steeds achter de ‘autonomie’ van de netten en de scholen te verschuilen. Maar we weten allemaal dat directies zich soms moeten tevreden stellen met ‘iemand’ voor de klas. Omdat de andere optie – geen les krijgen – door de ouders niet aanvaard wordt. Het hoeft niet te verwonderen dat in het hoger onderwijs stemmen opgaan om de kandidaat-studenten beter te gaan selecteren. Zonder maatregelen op vlak van de lerarenloopbaan, zullen we alleen verder achteruit boeren.