Elk talent moet de kans krijgen om te bloeien

De verhoging van de inschrijvingsgelden voor hoger onderwijs zorgde de voorbije weken voor felle discussies. Volgens de enen is de verhoging van 270 euro gerechtvaardigd en volgens de anderen is het een regelrechte aanslag op de portemonnee van de Vlaming. Vreemd genoeg is iedereen het eens over het feit dat meer inschrijvingsgeld weinig verschil maakt voor de onderwijsinstellingen zelf. Het valt me echter op dat het debat te vaak over centen gaat. Wat mij betreft, ging het te weinig over de kern van de zaak zelf: hoe doet Vlaanderen het op vlak van hoger opgeleiden en welke zijn de uitdagingen voor ons hoger onderwijs?

De organisatie van ons hoger onderwijs is zeer complex geworden. De voorbije jaren zijn diverse problemen aan de oppervlakte gekomen. Nu we duidelijk zicht hebben op de financiële middelen voor de eerstvolgende jaren en nu het debat over het inschrijvingsgeld afgesloten is, moeten we een analyse maken en zeggen op welke punten we de regelgeving zullen verbeteren. Het werkveld stuurt immers signalen over toegenomen werkdruk en internationale rapporten tonen dat Vlaanderen te weinig studenten telt uit sociaal kwetsbare gezinnen en uit de allochtone bevolking. We moeten dus sterker investeren in kwaliteit, we moeten sociale mobiliteit garanderen en ervoor zorgen dat ons hoger onderwijs de diversiteit van deze eeuw weerspiegelt.

Kwaliteit, sociale mobiliteit en diversiteit

Kwaliteit bieden is essentieel. Dat kost geld. Het leeuwendeel van de studiekost, om en bij de 90%, wordt door de overheid betaald. Daarbij komt dat Vlaanderen nauwelijks toelatingsvoorwaarden stelt. In de meeste Europese landen, geeft enkel het algemeen vormend onderwijs toegang tot hoger onderwijs. In Zweden, Finland, Noorwegen, Denemarken (waar geen inschrijvingsgeld gevraagd wordt) gelden de strengste toelatingsvoorwaarden. In Zweden en Finland gelden voor alle richtingen een numerus clausus, in Noorwegen en Denemarken is er een algemene toelatingsproef voor hoger onderwijs en een specifieke toelatingsproef voor bepaalde studierichtingen. In Frankrijk moet je eerst je baccalaureaat behalen, in Duitsland de Abitur.

In Vlaanderen staat de deur open voor nagenoeg iedereen. Het slaagpercentage van eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs blijft laag. Zij verwerven gemiddeld 63% van de opgenomen studiepunten en slechts 40% van hen slaagt voor het eerste jaar. Ongeveer 30% van de studenten die starten in het hoger onderwijs behalen uiteindelijk geen diploma. Dat maakt het allemaal ontzettend duur. Het is een grote maatschappelijke kost, zowel voor ouders, voor studenten als voor de overheid. Die middelen die nu verloren gaan, hebben we echter nodig om de kwaliteit van ons onderwijs te garanderen en om een sociaal beleid te voeren. Bovendien willen we jongeren liever de teleurstelling van verloren jaren besparen.

Hoe pakken we dit aan? De leerlingen beter begeleiden in hun studiekeuze, hen beter oriënteren en nagaan of de kandidaat student klaar is voor de studies zijn hoogdringende ingrepen. We moeten bovendien niet aarzelen om milde toelatingsvoorwaarden in het leven te roepen. Niet halsoverkop, maar na een degelijk onderzoek en een breed parlementair debat. Ik verwijs ook graag naar het recent gepubliceerde onderzoek van de heren Koen Declercq en Frank Verboven (Leuvense Economische Standpunten dd 30 september 2014). Zij concluderen: “Milde tot gematigde toelatingsvoorwaarden blijken alleen positieve effecten te hebben: het aantal diploma’s stijgt doordat studenten sneller de juiste studierichting kiezen, de studieduur daalt en er beginnen minder studenten die hun studies nooit afmaken.” Iedereen die er klaar voor is, die het aankan, moet naar ons hoger onderwijs kunnen. En wat open Vld betreft, kunnen dat meer studenten zijn dan vandaag het geval is.

Meer efficiëntie = meer studiebeurzen

Ten tweede moeten we de komende jaren ook nagaan hoe we het aanbod rationeler kunnen maken. Want nu zijn er 549 bacheloropleidingen, aangeboden door 5 universiteiten en 17 hogescholen. Bovendien is ook de studieduur toegenomen doordat studenten per jaar te weinig studiepunten opnemen. Slechts 30% behaalt nog een bachelor in drie jaar. Amper de helft van de studenten slaagt na 4 jaar voor een bachelor. De flexibele regelgeving (in jargon: ‘de flexibilisering’) kost ons pakken geld. Geld dat we veel beter zouden kunnen gebruiken, niet in het minst om meer en hogere beurzen te geven. Deze regering vergroot al voor een deel de sociale correctie. De groep bijna-beursstudenten zal verdubbelen. Maar vandaag stromen te weinig kinderen van lager opgeleide ouders door naar hoger onderwijs. De beurzen moeten hierin nog sterker dan vandaag het verschil maken. Een efficiënter gebruik van de middelen voor onderwijs biedt ons de kans om meer te besteden aan studiebeurzen.

Begin vanaf de kleuterschool

Ons hoger onderwijs moet de diversiteit van de samenleving weerspiegelen, je afkomst mag je toekomst niet bepalen. Een beter onderwijsbeleid, vanaf de kleuterklas, zorgt ervoor dat meer kinderen van allochtone origine naar de hogeschool en de universiteit gaan. Diverse studies tonen aan dat de eerste jaren op school cruciaal zijn voor het leren. Tal van vaardigheden leren in de kleuterklas heeft een groter effect op de doorstroming naar hoger onderwijs dan alle mogelijke extra programma’s of fondsen die ingevoerd worden in het middelbaar of aan de hogeschool. Het rendement van de inspanning daalt immers naargelang de leerling ouder wordt. Wanneer je wacht met sterk taalonderricht en begeleiding van anderstalige en/of kansarme kinderen tot halverwege het basisonderwijs, heb je al een pak talent verloren. Samengevat: willen we meer hogeropgeleiden, dan is een investering in beter en meer kleuteronderwijs, met specifieke aandacht voor taalverwerving, de meest doeltreffende beleidskeuze.

Het gaat dus niet om 270 euro meer of minder. Er is werk op de plank om de hoger onderwijsinstellingen te helpen: de regels vereenvoudigen, jongeren beter oriënteren en de allerjongsten sterker ondersteunen. Zo zal elk talent de kans krijgen te bloeien.

 

Dit opiniestuk verscheen als column in de Liberales nieuwsbrief van 31/10/2014.