Dringend nood aan uitvoeringsbesluiten op decreet houdende toegankelijkheid publieke plaatsen personen met een assistentiehond

Op 20 maart 2009 keurde het Vlaams Parlement het decreet houdende toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond goed. Tot op heden zijn er echter nog geen uitvoeringsbesluiten, waardoor het decreet niet in werking kan treden.

Op 20 maart 2009 keurde het Vlaams Parlement het decreet houdende toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond goed. Tot op heden zijn er echter nog geen uitvoeringsbesluiten, waardoor het decreet niet in werking kan treden.

Ann Brusseel ondervroeg de ministers van welzijn en Gelijke Kansen reeds verschillende malen over dit thema (Vraag om uitleg 11 januari Vandeurzen, SV 222 Vandeurzen en SV 243 Smet).

Eén van de knelpunten bij het maken van een uitvoeringsbesluit is dat noch het VAPH (Vlaams Agentschap Personenen met een Handicap) noch de Cel Gelijke Kansen over de midelen noch de kennis beschikt om de controle op de naleving van het toegangsrecht uit te oefenen. Het VAPH en Gelijke Kansen beschikken niet over de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen enin de inning ervan te voorzien. Het is ook nog steeds onduidelijk wie de honden moet of mag attesteren – de opleidingscentra of het VAPH.

Het uitblijven van uitvoeringsbesluiten hangt voor een groot stuk af van het standpunt van de cel Gelijke Kansen. De vraag is of deze uitvoeringsbesluiten moeten worden afgestemd op het decreet Gelijke Kansen van 10 juli 2008.

Naar aanleiding van een vraag om uitleg van collega Helga Stevens stelde Ann Brusseel het volgende: "Er is de problematiek van de decreetgeving. Als men het toegangrecht wil regelen via het Gelijkekansendecreet of via het decreet Toegangsrecht, dan zit men met een essentieel verschil. Het Gelijkekansendecreet is erop gericht om personen met een handicap een oplossing te bieden. Als wordt gekozen voor die oplossing waarover u het ook had in het antwoord op mijn schriftelijke vraag 243 van 8 februari 2011, dan zorgt dat ervoor dat trainers, honden in opleiding en gastgezinnen uit de boot vallen. Daar vloeien zijdelingse problemen uit voort die niet opgelost geraken, daarom pleit ik er net als mevrouw Stevens voor om werk te maken van die uitvoeringsbesluiten, het decreet van 2009 absoluut in werking te doen treden en te zorgen voor alle wettelijke middelen die daarvoor nodig zijn.

Toegangsrecht moet afdwingbaar zijn. Er moet een manier bestaan om te controleren en te bestraffen als het toegangsrecht niet wordt gerespecteerd. Volgens de cel Gelijke Kansen is het moeilijk. Zij willen niet werken met een sanctioneringsrecht. Nochtans staat er in het decreet van 2008, hoofdstuk 4, paragraaf 4, artikel 30, dat geldboetes mogelijk zijn. Wat zijn dan de mogelijkheden volgens dat decreet? Dat is mij niet duidelijk. De sancties zouden kunnen worden opgelegd zoals gestipuleerd in het decreet van 2008 voor overtredingen. U zou op een gelijkaardige manier te werk kunnen gaan.

Ik sluit me aan bij de laatste vraag van mevrouw Stevens. Is er nood aan sensibilisering? Volgens de sector is er niet meteen een groot probleem met horecazaken. Ik zou in eerste instantie een goede decretale omkadering willen, en dat de uitvoeringsbesluiten eindelijk uitgewerkt worden. Als dat opgelost is, kunnen de centen voor sensibilisering worden gebruikt. Wat is uw mening daarover, minister?"

Minister Pascal Smet: "Het was uiteraard een zeer nobel parlementair initiatief om via het decreet van 20 maart 2009 houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond te trachten een oplossing te vinden voor de onterechte weigeringen van personen met een assistentiehond. Zeer snel is echter gebleken dat dit decreet op gespannen voet staat met het Gelijkekansendecreet van 10 juli 2008, dat het algemene kader uittekent voor het Vlaamse antidiscriminatiebeleid en dus alle vormen van discriminatie binnen Vlaanderen op een eenvormige manier wil bestrijden.

Het decreet inzake het toegangsrecht voor assistentiehonden voorziet immers in zijn artikel 5 in een – niet verder gedefinieerde – controle-instantie, die toeziet op de toepassing van het recht op toegang, en koppelt aan het weigeren van toegang de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete. Het decreet voorziet in de opdracht aan de Vlaamse Regering om deze controle-instantie verder aan te wijzen. Bij het zoeken naar deze instantie is er ook gedacht aan de toebedeling van deze opdracht aan de meldpunten discriminatie die zijn opgericht binnen het kader van het Gelijkekansendecreet.

Een dergelijk specifiek controle- en sanctioneringsmechanisme is evenwel niet verenigbaar met de bemiddelende rol die aan deze meldpunten in het Gelijkekansendecreet wordt toegekend. Deze bemiddelende rol impliceert dat ze onpartijdig moeten zijn. Indien hun de taak zou worden opgedragen om boetes op te leggen, zou dat een hypotheek kunnen leggen op dit principe van onpartijdigheid. Overigens beschikken de meldpunten niet over de nodige capaciteit en financiering om deze bijkomende rol op zich te nemen.

Teneinde minimaal de ratio legis van het decreet inzake het toegangsrecht voor assistentiehonden te behouden hebben mijn diensten, samen met de diensten van minister Vandeurzen bekeken in hoeverre we deze problematiek verder kunnen regelen, bijvoorbeeld bij uitvoeringsbesluit op het Gelijkekansendecreet van 10 juli 2008. Deze piste lijkt evenwel weinig zinvol te zijn, in die zin dat je dan als uitvoerende macht met betrekking tot één onderwerp de bevoegdheid van de rechterlijke macht om te beoordelen of een indirect onderscheid ook een indirecte discriminatie is, zelf gaat beslechten.

Daarom bekijken we verder of een alternatief scenario mogelijk is. Dit alternatief kan zijn om artikel 5 van het decreet op het toegangsrecht voor assistentiehonden te wijzigen. Maar ik wil benadrukken dat verder onderzoek nodig is, inzonderheid om zeker te zijn dat we wel bevoegd zijn om in deze materie regelgevend op te treden. Het gaat dan om de materiële deelstatelijke bevoegdheid. Op grond van artikel 11 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 kan elke deelstaat immers voor de eigen bevoegdheden beoordelen of zij de niet-naleving van haar bepalingen – in casu het toegangsrecht voor assistentiehonden – strafbaar wil stellen. Door de wijziging van de administratieve geldboetes in een stelsel van strafrechtelijke geldboetes zouden ook de politionele diensten kunnen optreden en processen-verbaal opstellen. We onderzoeken deze mogelijkheid verder, dat lijkt ons zinvol.

Deze wijziging van artikel 5 van het decreet houdende toegangsrecht voor assistentiehonden geeft in elk geval een antwoord op het probleem van de controle-instantie, die vandaag niet makkelijk op te lossen is. Deze licht andere werkwijze doet uiteraard geen afbreuk aan de noodzaak om voor dergelijke geleidehonden een attest uit te werken. Deze attestering is en blijft een noodzakelijke voorwaarde om gewone honden, die geen toegangsrecht krijgen, objectief te kunnen onderscheiden van geattesteerde honden, die wel toegangsrecht krijgen. Het uitwerken van regels, zowel inzake de attestatie van assistentiehonden als de erkenning van de opleidingscentra, behoort tot de bevoegdheid van minister Vandeurzen, zoals hij zelf trouwens reeds aangaf in antwoorden op eerdere parlementaire vragen.

In de hypothese dat een wijziging van artikel 5 van het decreet inzake toegangsrecht voor assistentiehonden een goed voorstel zou zijn, kan het toegangsrecht op verschillende wijzen worden afgedwongen. Een persoon die geweigerd wordt, zou een proces-verbaal kunnen laten opmaken, wat kan leiden tot een strafrechtelijke geldboete. Een tweede mogelijkheid is dat deze persoon verkiest om het geschil bemiddelend op te lossen en een beroep doet op een meldpunt discriminatie. Een derde mogelijkheid is dat, naast deze bemiddeling, het slachtoffer van discriminatie zich ook steeds tot de rechter kan wenden, en dit – als eenmaal een onafhankelijk orgaan aangeduid is – ook met bijstand van dit orgaan. Indien het slachtoffer zich tot de burgerlijke rechter wendt, of zich burgerlijke partij stelt voor een strafrechter, kan hij bovendien nog een schadevergoeding eisen.

In alle omstandigheden zal de controle op de naleving, zowel wat betreft het Gelijkekansen­decreet, als wat betreft het decreet inzake het toegangsrecht voor assistentiehonden, gebeuren op basis van klachten van slachtoffers. Het is dus belangrijk dat de personen die zich laten bijstaan door een assistentiehond, goed geïnformeerd zijn over hun rechten. Het is dan ook belangrijk om iedereen te informeren. Ik wil benadrukken dat er ook voor andere, even zwaarwegende vormen van discriminatie geen systematisch controlesysteem bestaat.

Daarbij wil ik overigens ook nog wijzen op een bijkomend probleem. In vele gevallen zal het toegangsrecht in min of meerdere mate samenhangen met het aanbieden van goederen en diensten. Allicht is hierbij federale regelgeving in het geding, en dus is er een beroep nodig op de federale antidiscriminatieregelgeving, en niet op de Vlaamse. Het is overigens belangrijk om te verwijzen naar rechtspraak, mee geïnitieerd door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, waarbij de weigering van een persoon met een assistentiehond strijdig werd bevonden met de federale antidiscriminatiewetgeving.

Zodra duidelijk is wat de voorwaarden zijn voor de toegang van assistentiehonden tot publieke plaatsen – waaronder horecazaken – zal ik, samen met minister Vandeurzen, maar ook met andere actoren, verder bekijken of en hoe sensibilisering op dit vlak gewenst is. Samenwerking en overleg met Horeca Vlaanderen, waarmee we ook in het dossier van de toegankelijksverordening overleg hebben, is dan ook nodig."

Mevrouw Ann Brusseel: "Ik ben blij dat minister Smet momenteel een wijziging van artikel 5 van het decreet van 20 maart 2009 onderzoekt om zo tot de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten te komen. Ik hoop dat het overleg met de sector nu snel zal volgen en dat alle knelpunten kunnen weggewerkt worden. Ik zal dit uiteraard verder blijven opvolgen."

Lees hier het volledige verslag van de parlementaire discussie op 30 juni 2011.