Draagkracht Nederlandstalig onderwijs Brussel

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de draagkracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel

Vraag om uitleg van de heer Paul Delva tot de heer Pascal Smet , Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de draagkracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel

De heer Paul Delva : Mijnheer de minister, bij het begin van het nieuwe schooljaar hebt u zich als nieuwe minister van Onderwijs in sommige kranten uitgesproken over een aantal van uw prioriteiten voor de komende legislatuur, zoals het inzetten op talenkennis, het versterken van de band tussen leerplichtonderwijs en deeltijds kunstonderwijs, de hervorming van het secundair onderwijs. U had het ook over een onderzoek naar de draagkracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.

In een interview in een aantal kranten pleit u onder andere voor een gesprek tussen de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Brusselse gewest over het onderwijs in Brussel. U meent dat de draagkracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is overschreden: het aantal kinderen met een Nederlandstalige achtergrond wordt steeds kleiner. Als we kijken naar de huidige cijfers, zien we dat minder dan 10 percent van de leerlingen in het kleuteronderwijs uit homogeen Nederlandstalige gezinnen komt. Tegelijkertijd zijn er heel wat anderstalige ouders die hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen vanwege de kwaliteit. Op zich is dat een nobele bedoeling. Als dat echter leidt tot schoolachterstand, dan is er natuurlijk een probleem. U dringt er onder andere op aan dat anderstalige ouders die hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen, een groter engagement nemen om hun kinderen ook buiten de schoolmuren en schooluren kennis te laten maken met het Nederlands.

De werkgeversorganisatie Voka vreest voor de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in de Nederlandstalige scholen in Brussel door het lage aantal Nederlandstalige leerlingen in de klas. Voka pleit daarom voor meer controle over de middelen die gaan naar het onderwijs in Brussel, bijvoorbeeld via taaltesten en een dialoog met de Franstalige scholen.

Het VGC-collegelid voor Onderwijs Jean-Luc Vanraes stelt dat de schoolachterstand in Brussel minder groot is dan in andere vergelijkbare steden zoals Antwerpen, Gent of Mechelen, ondanks de moeilijke, meestal Franstalige, omgeving waarin Nederlandstalige scholen in Brussel moeten werken.

Het collegelid wil het capaciteitsprobleem hoog op de agenda plaatsen. Uit een studie van het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO) blijkt namelijk dat er over 10 of 15 jaar 3000 nieuwe plaatsen nodig zullen zijn in het Nederlandstalig basisonderwijs in Brussel, en dat daarom de bouw van nieuwe scholen noodzakelijk is. De heer Vanraes wil dit probleem aanpakken in overleg met de Franstalige partners, aangezien zij ook met dit vraagstuk kampen of zullen kampen.

Mijnheer de minister, kunt u uitgebreider toelichten waarom u meent dat de draagkracht in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel vandaag overschreden is? Beschikt u over cijfers die aangeven hoe groot de schoolachterstand in Brussel zou zijn door de taalachterstand? Kunt u deze situatie vergelijken met de rest van Vlaanderen en in het bijzonder de grote steden Antwerpen en Gent?

De beweringen van collegelid Vanraes zijn natuurlijk interessant en belangrijk. Ik weet echter niet zo goed waarop hij zich baseert. Kunt u me wat helpen? Hebt u al initiatieven genomen om dit overleg tussen de drie vernoemde actoren – de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Brusselse gewest – te laten plaatsvinden? Misschien is dat nog wat vroeg. Wat waren eventueel de reacties van de andere partners? Wanneer zou dat debat plaatsvinden? Welke concrete agendapunten wil u bespreken? Bent u van plan de VGC en in het bijzonder het bevoegde VGC-collegelid voor Onderwijs bij dit overleg te betrekken? In hoeverre steunt u het voorstel van collegelid Vanraes voor de bouw van extra scholen in Brussel?

In welke mate is het debat over de draagkracht gekoppeld aan het onderzoek naar de evaluatie van het inschrijvingsbeleid in Brussel, en daarmee verbonden, aan een eventuele herziening van het inschrijvingsbeleid voor de Nederlandstalige scholen in de stad? Kunt u ook meedelen of u reeds opdracht hebt gegeven voor dit onderzoek? Wat houdt de exacte onderzoeksopdracht in? Kunt u meer gedetailleerd toelichten in welke plannen u voorziet om de grote groep anderstalige ouders meer te betrekken bij en een groter engagement te vragen jegens het Nederlandstalig karakter van de school waar ze hun kinderen naartoe sturen?

De voorzitter : Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge : Mijnheer de voorzitter, het is natuurlijk niet evident een bijkomende vraag te stellen als er al zoveel zijn van de heer Delva. Zijn vragen zijn allesomvattend.

Mijnheer de minister, we hebben in de pers gevolgd wat u hierover hebt gezegd. We zien daar een aantal interessante pistes in. Mijn partij zegt al lang dat de limiet inzake de draagkracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is bereikt. Kinderen moeten ook buiten de schooluren en schoolmuren in contact komen met het Nederlands willen ze die taal echt beheersen. Wat we ook opvallend vinden, is de eensgezindheid om met Franstaligen rond de tafel te gaan zitten om de Brusselse problemen gezamenlijk aan te pakken. We zijn daar uiteraard niet tegen. Volgens ons zal dat de hardste noot zijn om te kraken. In het verleden zijn al pogingen mislukt. We zijn benieuwd naar de antwoorden die u zult geven, vooral op de vraag over de eventuele herziening van het inschrijvingsbeleid en die over het engagement van anderstalige ouders. Dat is ook een van de punten uit de rondetafelconferentie.

Er werd hier een engagementsverklaring goedgekeurd. Wij staan daar kritisch tegenover, want volgens ons is dit een lege doos. Volgens minister Vandenbroucke was er geen andere mogelijkheid dan de huidige regeling, namelijk inschrijven in het schoolreglement. We zijn benieuwd naar uw maatregelen.

De voorzitter : Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop : U hebt daarstraks al uitspraken gedaan. Dat is enigszins sfeerscheppend. U doet alsof het beleid dat in Brussel werd en tot op heden wordt gevoerd in contradictie zou staan met het beleid in Vlaanderen. Vorige legislatuur is er een rondetafelconferentie geweest over Brussel. Daaruit zijn enkele actiepunten gevolgd. We hebben het deze ochtend al uitgebreid over een van die actiepunten gehad.

De problematiek hebt u daarstraks geschetst. Er is kansarmoede en daaruit volgend taalarmoede. Er zijn heel wat anderstalige kinderen in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs. Wat we niet weten, is hoe u dat wilt aanpakken. U verwijt de Open Vld-minister in het VGC-college dat hij te optimistisch zou zijn. Maar ik denk net dat hij alle beschikbare instrumenten heeft aangegrepen, samen trouwens met voormalig minister Vandenbroucke. Ik verwijs naar de engagementsverklaring voor ouders en de taaltest voor kinderen uit het kleuteronderwijs. Ik ben benieuwd in welke mate uw aanpak anders zal zijn.

U zegt ook dat er een probleem is met de kwaliteit van het onderwijs in Brussel. In deze vraag wordt daarnaar ook nog eens verwezen. De studie toont aan dat de problemen die er zijn niet groter zijn dan die in andere grootsteden. Het is een grootstedelijke problematiek. Ik heb het gevoel dat u, mijnheer de minister, Brussel afschildert als de slechte leerling van de klas, terwijl de problematiek in elke centrumstad gelijkaardig is.

Waarop baseert u zich in godsnaam om te zeggen dat de draagkracht in Brussel bereikt is? Wat betekent dat? Betekent dat dat wij anderstalige kinderen de toegang tot de school moeten ontzeggen? Waarop baseert u zich dat u het recht op onderwijs zou weigeren aan anderstalige kinderen?

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik heb een positieve noot opgevangen, mijnheer de minister. Ik ben zeer blij dat u pleit voor overleg tussen de verschillende gemeenschappen en het gewest. Ik ben voorstander van doorgedreven overleg en samenwerking. U hebt ook wel al eens gezegd dat als we één grote stad willen zijn, we een visie moeten ontwikkelen die goed is voor alle inwoners van deze stad. Dat maakt mij dus zeer blij.

Bij ‘draagkracht’ denk ik aan een platform, iets mechanisch, en ik maak mij ongerust als u die term gebruikt. Wat zult u doen als de draagkracht overschreden wordt? Beschouwt u dan degenen die uw draagkracht overschrijden als overtollig gewicht? Ik heb het daar vanuit een ideologisch standpunt wel erg moeilijk mee.

Misschien is er bij die ‘draagkracht’ opnieuw geknipt in uw communicatie. Maar u knipt zelf ook in uw communicatie. U zegt niet wat u eraan zou willen doen. Gaat u quota invoeren? Gaat u quota verscherpen? Dan wil ik u erop wijzen dat onderwijs een kerntaak is van de overheid en dat het in bepaalde wijken zeer moeilijk zal zijn om quota in te voeren, want als overheid kunt u het geboortecijfer in een bepaalde gemeenschap niet bepalen. Zo simpel is dat.

Ten slotte wil ik wijzen op ons standpunt inzake integratie. Ik denk dat u ook een voorstander bent van een grote integratie van de verschillende gemeenschappen in Brussel. Welk signaal geeft u aan anderstaligen of mensen uit een andere gemeenschap wanneer u hen de toegang tot Nederlandstalige instellingen zou ontzeggen of die toegang zou beperken omdat ze de draagkracht in het gedrang brengen? Doet u dan een selectie op basis van de afkomst van die mensen? Ik heb het daar heel erg moeilijk mee. Integratie gebeurt via de school en niet via zwemlessen, mijnheer de minister. Ik hoop dat u daar aandacht voor hebt.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Ik heb het woord ‘quota’ nog nooit in de mond genomen. Dat is niet de eerste keer vandaag dat u naar iets verwijst waarvan ik me niet bewust ben dat ik het ooit heb gezegd. Aan de reactie van veel mensen hier te zien, denk ik dat u de enige bent. Ik begin bijna te denken dat u van mij droomt. (Gelach)

U hebt nu ook al een probleem met het woord ‘draagkracht’. Ik dacht dat dat in het Nederlands een typische uitdrukking was. Het betekent of een maatschappij of een organisatie iets nog kan verwerken.

Ik baseer me niet op wilde dromen, maar op veel gesprekken met ouders, leerkrachten, scholen, directies, inrichtende machten, netten en koepels. Er ontstaan bepaalde fenomenen, sommige nog heel recent, zoals het feit dat meer en meer Nederlandstalige en ook wel anderstalige Brusselse ouders hun kinderen in de Rand naar school brengen. Men vindt dat daar nog voldoende Nederlandstaligen aanwezig zijn. Als je dat vaststelt, mag je niet doen alsof er niets aan de hand is.

In de Brusselse context is het sowieso niet evident om Nederlandstalig onderwijs te organiseren. Versta me niet verkeerd: we moeten dat doen. We moeten dat blijven doen voor de stad, voor de Vlamingen die er wonen, voor de Nederlandstaligen die er wonen, voor de anderstaligen die Nederlandstalig onderwijs wensen. Veel van die jonge gasten, meisjes en jongens, zullen in de toekomst ons pensioen betalen. Het is in ons eigen belang dat we ervoor zorgen dat die goed opgeleid zijn. Bovendien vind ik het een maatschappelijke en sociale plicht.

Maar je zit in een stad waar het Frans de lingua franca is. Je kunt dat graag hebben of niet, maar het is wel zo. Het is een tweetalige stad, maar de gemeenschappelijke communicatietaal is het Frans. Engels wordt ook meer en meer gebruikt, maar dat is een ander debat. Die kinderen komen vaak enkel tijdens de formele schooltijd met het Nederlands in contact. Het Nederlands wordt zo geen knuffeltaal, maar een instructietaal. Voor de psychologie van een kind is dat niet evident. Wie enkel tijdens de leertijd met een taal in contact komt, zal niet direct warme gevoelens voor die taal ontwikkelen. De startpositie is dus moeilijk.

Bovendien gaat het om ouders waarvan veel moeders geen diploma hebben, het gemiddelde gezinsinkomen laag is, de wijk waarin ze wonen niet gemakkelijk is en de thuistaal niet het Nederlands is. Alle gelijkekansenindicatoren staan dus in het rood. Ik zeg niet dat we daar niets aan moeten doen; ik stel enkel vast dat de startpositie moeilijk is.

Dat probleem doet zich niet enkel in Brussel voor, maar ook meer en meer in Antwerpen en in mindere mate in Gent, Mechelen, Genk en andere steden. In Brussel stelt het probleem zich het scherpst. Daar zijn twee grote verschillen met de andere steden merkbaar: het is een stad met vele overheden en twee taalgemeenschappen, en het is ook een stad waar de omgevingstaal niet het Nederlands maar het Frans is. Elders, ook in Antwerpen, is de omgevingstaal het Nederlands. Dat moet zo blijven.

Ik geef u enkele concrete cijfers. In deze stad klagen veel ouders dat hun Nederlandstalige kinderen ’s avonds thuiskomen en dan Frans spreken. Dat is toch een knipperlicht? Die kinderen worden in het Nederlands opgevoed en lopen school in het Nederlands. Geen probleem dat die kinderen goed Engels en Frans spreken, maar hun voertaal is toch het Nederlands. Ik ben op dat punt niet geborneerd, maar ik vind het wel belangrijk dat kinderen die Nederlandstalig onderwijs volgen op achttienjarige leeftijd niet enkel functioneel Nederlands kunnen spreken maar ook abstract in die taal kunnen denken en eventueel naar het Nederlandstalige hoger onderwijs kunnen doorstromen.

Over schoolachterstand zijn cijfers beschikbaar. Ik geef deze die worden gebruikt om de buurtindicator van het nieuwe financieringssysteem te berekenen. Dat lijkt me een heel objectief uitgangspunt. Dat is mijns inziens een geschikte indicator om de schoolse vertraging na te gaan. Op vijftienjarige leeftijd heeft in het schooljaar 2008-2009 11,5 percent van de leerlingen in Brussel ten minste twee jaar schoolachterstand. Dat cijfer bedraagt voor Antwerpen 10,4 percent, voor Gent en Mechelen 6 percent en het Vlaamse gemiddelde is 4 percent. Dat zijn de officiële cijfers die op het departement beschikbaar zijn. Ik weet dus niet waar de heer Vanraes het vandaan haalt om te stellen dat Brussel het beter doet dan andere steden.

De instroom van niet-Nederlandstaligen in de Nederlandstalige scholen is de afgelopen jaren enorm toegenomen. Dat is een bijkomend knipperlicht, en zonder ingrijpen zullen er ernstige problemen ontstaan. Als beleidsmaker mag ik dus mijn kop niet in het zand steken. We moeten die knipperlichten onder ogen zien. Het is onze maatschappelijke plicht om kwaliteitsvol Nederlandstalig onderwijs te blijven aanbieden aan de Vlamingen die hun kinderen naar school sturen maar ook aan de anderen die op basis van een weloverwogen keuze kun kinderen ook naar het Nederlandstalig onderwijs sturen.

Uiteraard gelden voor de Nederlandstalige scholen in Brussel alle maatregelen die ook in Vlaanderen gelden. Ik denk dan aan het ondersteuningsaanbod van het GOK-beleid. Er is ook de Brusselweging die voordeliger is dan wat in Vlaanderen geldt. Er zijn verder de zorgomkadering, de maatregelen ter ondersteuning van de kleuterparticipatie, de tweedelijnsondersteuning, GOK+, Zorg+, instaplestijden enzovoort. Bovendien gebeurt in Brussel een aparte telling, is een voordeliger schaal voor kleine scholen in voege en zijn er lagere programmatie- en rationalisatienormen. Dat alles moet voor een versterkte draagkracht van de Brusselse scholen zorgen.

Het klopt dat uit de rondetafelconferentie maatregelen zijn voortgekomen waarvan mijn voorganger, ikzelf en ook de heer Vanhengel, de voormalige Brusselse collegevoorzitter, voorstander waren. We hebben ervoor gezorgd dat die kleuters 220 halve dagen in de derde kleuterklas zitten om dan pas in de school in te stromen. Er is de engagementsverklaring, het voorrangsbeleid en het Onderwijscentrum. Dat moet allemaal beter op elkaar worden afgestemd. En omdat dit zo belangrijk is, is in het regeerakkoord opgenomen dat er in dat verband een decretaal initiatief ten voordele van de onderwijsondersteuning komt.

Er zijn ook het Brussels Ondersteuningscentrum Secundair Onderwijs (BROSO) en extra detacheringen voor een begeleidingsproject om het beleidsvoerend vermogen van Brusselse basisscholen te verhogen. Er zijn dus al veel maatregelen genomen. Maar dat neemt niet weg dat we ons eens de vraag moeten stellen waar we met het Nederlandstalige onderwijs in Brussel naartoe willen. Daarover moeten we een brede discussie voeren, niet alleen in Vlaanderen maar ook met de Franse Gemeenschap. Want die laatste is een belangrijke onderwijsverstrekker in Brussel. Dat moet ook gebeuren met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat bevoegd is voor vorming, beroepsbegeleiding enzovoort. De afstemming van het onderwijs op de arbeidsmarkt is immers belangrijk.

Op basis daarvan moeten we de grootste tijdbom in deze stad aanpakken: er zijn enorm veel werklozen omdat ze zonder kwalificaties uit het onderwijs stromen. In vergelijking met Vlaanderen zijn er immers zeer veel spijbelaars in Brussel. Ik stel dus niet voor om Brussel op te geven. Ik stel voor om goed na te denken vooraleer we nieuwe scholen inplanten. We moeten goed nagaan wat de draagkracht is. Ik denk dat er heel gericht nieuwe scholen kunnen bijkomen. Maar dat moet gebeuren waar de nood het grootst is. Het is immers niet zo dat in Brussel globaal gezien een tekort is aan plaatsen in Nederlandstalige scholen voor mensen die uitdrukkelijk kiezen voor het Nederlandstalige onderwijs. Er is wel een globaal schoolcapaciteitstekort in Brussel ten gevolge van de demografische evolutie, zoals dat bijvoorbeeld ook in Antwerpen en andere steden het geval is.

We moeten echter een vraag durven stellen die we hier in de commissie en ook met alle actoren op het terrein in alle sereniteit moeten durven beantwoorden: is het aangewezen dat kinderen die thuis het Nederlands niet als thuistaal hebben en waarvan de ouders zich niet engageren om hen in het Nederlands te laten opgroeien, kansen krijgen in het Nederlandstalig onderwijs? Dat is een cruciale vraag die we in het belang van de kinderen moeten beantwoorden. Vandaag wil ik alle gerezen vragen niet beantwoorden. Op het moment dat we mijn beleidsnota zullen bespreken, zullen we daar nog op terugkomen.

In elk geval wil ik niet dat we ons onderwijs uit Brussel terugtrekken. Ik wil dat de kwaliteit gegarandeerd wordt en dat we, in het belang van ons onderwijs en ook om bij mensen geen illusies of valse hoop te creëren, een aantal fundamentele vragen beantwoorden. En we doen dat liefst over de grenzen van meerderheid en oppositie heen, want het is een maatschappelijk gegeven dat te belangrijk is om het voorwerp te worden van gekrakeel tussen meerderheid en oppositie. We zijn niet de gemeenteraad van Brussel, als u begrijpt wat ik bedoel.

Ik zal alleszins een initiatief nemen om met alle partners rond de tafel te gaan zitten. Ik heb het dan niet alleen over de officiële partners – de overheden –, maar ook de scholen en andere actoren. Uiteraard is de VGC daarbij een prioritaire partner. We zullen met de VGC nauw samenwerken. Ik zal de heer Vanraes opnieuw ontmoeten. Ik vind alleszins dat het initiatief van de Vlaamse Gemeenschap moet komen, want wij zijn de hoofdverantwoordelijken, ook al werd in het verleden in Brussel soms een andere indruk gecreëerd. Laten we daar in elk geval samen aan werken, en niet tegen elkaar.

De voorzitter : De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva : Het belang van deze discussie is zo ruim dat we op alle mogelijke vlakken moeten samenwerken, met meerderheid en oppositie, en zeker ook met de Franse Gemeenschap. Brussel zal in de komende decennia een sterke demografische evolutie kennen. In 2050 zal het aantal kinderen in Brussel met de helft toegenomen zijn. Vandaag geeft de Vlaamse Gemeenschap les aan ongeveer één kind op vijf in het kleuter- en lager onderwijs.

Het idee van de capaciteitsuitbreiding gaat ervan uit dat we ook in de toekomst les zullen blijven geven aan een kind op vijf in Brussel. Als we daarvan uitgaan, zullen we tientallen scholen moeten bijbouwen tegen 2020, 2030, 2040 enzovoort. Die een op vijf kinderen ligt nergens vast, dat is een historische toevalligheid. Het heeft te maken met het aantal scholen dat er vandaag is, met het feit dat er vroeger meer Nederlandstaligen waren in de stad.

Daarover kunnen we praten met de Franstaligen. We kunnen naar 25 gaan, we kunnen naar 15 gaan, dat ligt nergens vast. Aan de kinderen aan wie we geen les geven, zal de Franse Gemeenschap les moeten geven. De vragen over capaciteitsuitbreiding die op ons afkomen, zijn voor de Franse Gemeenschap maal vier. Dat wil zeggen dat de Franse Gemeenschap massaal veel scholen zal moeten bijbouwen. We moeten ons daarvan goed bewust zijn. Het aantal kinderen in Brussel zal heel sterk toenemen en ze zullen les moeten krijgen. Wie dat organiseert, daarover moeten we discussiëren met de Franse Gemeenschap.

Dit is een interessante discussie, temeer daar het aandeel Nederlandstalige kinderen aan wie les wordt gegeven, zakt. Dat is misschien geen fataliteit, maar het aantal Nederlandstaligen in de stad daalt, het aantal kinderen uit de Rand die naar onze scholen komen, daalt, en het aantal kinderen uit Brussel die les volgen in de Rand, stijgt. Die trend zal zich wellicht in de komende jaren doorzetten. Ik ben blij dat de minister die discussie wil aangaan. Pinnen we ons vast op die 20 percent? Ik weet het niet, alles ligt open, maar dit wordt een cruciaal punt voor onze commissie in de komende jaren.

Mijnheer de minister, misschien is het daarvoor te vroeg, maar ik wil nog horen welke weg u wilt ingaan inzake het inschrijvingsbeleid. Bij sommige directies en Nederlandstalige ouders leeft de angst dat ze hun kinderen moeilijk zullen kunnen inschrijven. We zullen dit punt in de komende weken opnieuw te berde moeten brengen in de commissie.

De voorzitter : Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel : Ik heb het begrip ‘quota’ gebruikt omdat ik daaraan denk als het over draagkracht gaat en omdat ik enkele maanden geleden dergelijke zaken heb gelezen. Het inschrijvingsbeleid is een probleem. We vragen u aan welke oplossingen u denkt, mijnheer de minister. U hebt een uiteenzetting gegeven over de situatie vandaag. We kennen die situatie ook in Brussel. Maar daarom hoef ik het niet eens te zijn met een bepaalde retoriek. U mag het mij niet kwalijk nemen dat ik kritische vragen stel. Het lijkt me normaal dat ik vraag waaraan u denkt als ik het over draagkracht heb. Het is ook geoorloofd dat ik deze vraag hier stel. Voor het overige kunt u van mij en mijn partij een positieve houding verwachten in dit debat. Hoe meer succes het Nederlandstalig onderwijs heeft, hoe minder problemen we zullen hebben op de arbeidsmarkt. Dat weet u ook.

Het is goed om alert te zijn en al die knipperlichten te zien, maar er zijn geen negatieve verslagen geweest van de visitatiecommissies. De VGC levert al jaren grote inspanningen, en met succes, niet alleen voor het Nederlandstalig onderwijs, maar ook voor het gebruik van de Nederlandse taal buiten de schoolmuren. Mensen zijn vrij om thuis met hun kinderen hun taal te spreken, ook al is dat geen Nederlands. Dat kan misschien een moeilijkheid opleveren, maar het is wel hun recht. De thuistaal is niet heilig. Dat is niet het enige probleem. Hier zijn heel veel kinderen van ouders uit verschillende Europese landen, die als ex-pat werken, en die hebben geen problemen en die hebben ook een andere thuistaal. De materie is veel complexer dan alleen anderstaligheid.

De voorzitter : Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet : Mijnheer Delva, we gaan het inschrijvingsbeleid evalueren. We hebben ons daartoe geëngageerd en we gaan dat ook doen. Dan is het ruimer dan de aanmeldingsprocedure.

Mevrouw Brusseel, als je ex-pats op de gelijkekansenindicatoren zou afwegen, dan zijn dat mensen die heel veel kansen hebben. Bovendien richten ze eigen scholen op.

De voorzitter : Het incident is gesloten.
 

Tussenkomst VOU 1 Paul Delva – draagkracht Nederladstalig onderwijs in Brussel