Dierencrematoria – Vergunningsaanvragen

In Vlaanderen zijn er momenteel zeven dierecrematoria vergund voor het verbranden en eventueel tijdelijk opslaan van dode gezelschapsdieren. Deze dierencrematoria moeten voldoen aan VLAREM-emissiegrenswaarden voor dioxines en furanen, stof, zwaveldioxide en stikstofdioxide.

In Vlaanderen zijn er momenteel zeven dierecrematoria vergund voor het verbranden en eventueel tijdelijk opslaan van dode gezelschapsdieren. Deze dierencrematoria moeten voldoen aan VLAREM-emissiegrenswaarden voor dioxines en furanen, stof, zwaveldioxide en stikstofdioxide.

Voor het exploiteren van een dierencrematorium is een milieuvergunning klasse 1 noodzakelijk. Deze wordt in eerste aanleg afgeleverd door de bestendige deputatie van de provincieraad waar het crematorium is gelegen. Naast een milieuvergunning moet een dierencrematorium een erkenning als verbrandings- en meeverbrandingsinstallatie voor dode gezelschapsdieren bezitten. Indien het zelf dode dieren ophaalt, moet het daarenboven over een erkenning voor het ophalen van dierlijk afval beschikken.

Ann Brusseel ondervroeg minister Schauvliege over de vergunningsaanvragen.

1. Wat betreft de milieuvergunningsaanvragen klasse 1 voor dierencrematoria.

a) Hoeveel vergunningsaanvragen werden er reeds ingediend voor de uitbating van een dierencrematorium? Graag een overzicht per provincie.

Hierna volgt een overzicht per provincie van het aantal vergunningsaanvragen die geldig werden ingediend voor de uitbating van een dierencrematorium:
– Antwerpen: 6
– Limburg: 2
– Oost-Vlaanderen: 2
– Vlaams-Brabant: 1
– West-Vlaanderen: 4

b) Hoeveel werden er goedgekeurd? Hoeveel werden er geweigerd en op welke basis? Werd er eventueel beroep aangetekend? Graag een overzicht per provincie.

c) Werden er voorlopige vergunningen of vergunningen op proef afgeleverd? Graag een overzicht per provincie.

Hierna volgt een overzicht per provincie van het aantal vergunningsaanvragen die resulteerden in een vergunning enerzijds en een weigering van de vergunning anderzijds, met vermelding van de motivering die leidde tot de weigering. Ook wordt aangegeven wanneer er beroep werd aangetekend en wanneer de vergunning op proef werd verleend:
Antwerpen: 4 aanvragen resulteerden in een vergunning, waarvan 1 hervergunning. 1 vergunning werd op proef afgeleverd die daarna definitief werd vergund. 2 aanvragen werden geweigerd: 1 omwille van de risico’s voor de volksgezondheid en het ontbreken van riolering en 1 omwille van de onverenigbaarheid met de ruimtelijke bestemming.
Limburg: 2 aanvragen resulteerden in een vergunning. Tegen 1 vergunning werd beroep aangetekend, waarbij de vergunning in beroep werd bevestigd.
Oost-Vlaanderen: 1 aanvraag resulteerde in een vergunning, waartegen vervolgens beroep werd aangetekend. De vergunning werd in beroep bevestigd. 1 aanvraag resulteerde in een weigering omwille van de te kleine afstand tot de nabijgelegen woningen en de vrees voor hinder in geval van een calamiteit.
Vlaams-Brabant: 1 aanvraag resulteerde in een vergunning. Tegen deze vergunning werd beroep ingediend. Ingevolge dat beroep werden bijkomende voorwaarden opgelegd.
West-Vlaanderen: 2 aanvragen resulteerden in een vergunning en 1 in een proefvergunning. Voor 1 aanvraag is de procedure nog lopende.

2. Worden door de verschillende Vlaamse provincies steeds dezelfde vergunningsvoorwaarden bepaald? Om welke voorwaarden gaat het? Worden deze voorwaarden op dezelfde wijze en met dezelfde frequentie gecontroleerd?

Voor dierencrematoria gelden, naast de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen van titel II van het VLAREM, ook de bepalingen van hoofdstuk 5.2 (inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen). Binnen dit hoofdstuk zijn in elk geval de bepalingen van de afdeling 5.2.1 (algemene bepalingen) en de subafdeling 5.2.3bis.3 (voorwaarden voor dierencrematoria) van toepassing. De vergunningverlenende overheid kan daarenboven bij het verlenen van een vergunning bijzondere vergunningsvoorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Bij het opleggen van deze bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt onder meer rekening gehouden met de technische kenmerken en de ligging van de installatie, alsmede met de plaatselijke milieuomstandigheden, zoals de lokale milieukwaliteitsdoelstellingen. Dit heeft als gevolg dat de bijzondere voorwaarden die worden opgelegd in de vergunningen voor dierencrematoria, verschillend kunnen zijn.
De volgende bijzondere voorwaarden werden in de betrokken vergunningen opgelegd:
– voorwaarden met betrekking tot het ophalen en de opslag van krengen;
– voorwaarden met betrekking tot de bedrijfsvoering in het algemeen;
– voorwaarden met betrekking tot de exploitatie en opvolging van de verbrandingsinstallatie;
– voorwaarden met betrekking tot luchtemissies, zowel inzake beperking van emissies, emissiemetingen, emissiegrenswaarden en de schoorsteenhoogte;
– voorwaarden met betrekking tot het beperken van geuremissies;
– voorwaarden met betrekking tot het lozen van afvalwater;
– voorwaarden met betrekking tot de brandveiligheid;
– voorwaarden met betrekking tot verstrooiing van de as;
– voorwaarden met betrekking tot de opvang van hemelwater;
– voorwaarden met betrekking tot het groenscherm.
Door de buitendiensten van de afdeling Milieu-inspectie (MI) wordt het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de exploitant op regelmatige basis en nauwgezet gecontroleerd met bijzondere aandacht voor resultaten van de periodieke luchtemissiemetingen die moeten uitgevoerd worden in opdracht van de exploitant, en met de mogelijkheid om in eigen opdracht luchtemissiemetingen te laten uitvoeren op de betreffende installaties.

3. Welke bewijzen worden er aan de vergunningsaanvrager gevraagd met betrekking tot de oven? Wordt de kwaliteit van de oven bij een vergunninghouder opgevolgd?

Bij de adviesverlening over een milieuvergunningsaanvraag wordt de oven getoetst aan de eisen die worden gesteld conform subafdeling 5.2.3bis.3 van titel II van het VLAREM, met inbegrip van de toepasselijke emissiegrenswaarden. Dit gebeurt op basis van de gegevens verstrekt in het aanvraagdossier en de technische specificaties van de installatie.
De kwaliteit van de oven wordt door de afdeling Milieu-inspectie (MI) opgevolgd door controle van de samenstelling van de rookgassen die bij crematoria ontstaan. De samenstelling van de rookgassen geeft immers aan of de oven (incl. rookgasreinigingsinstallatie) al dan niet goed werkt. In eerste instantie wordt door MI nagegaan of de exploitant de periodieke meetverplichting voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen waarin Vlarem II voorziet, naleeft. Aansluitend worden de rapporten van de luchtemissiemetingen door MI geëvalueerd om na te gaan of de emissiegrenswaarden voor de betreffende parameters worden gerespecteerd. Zo nodig kan MI beslissen om in eigen opdracht een luchtemissiemeting te laten uitvoeren op deze installaties.

4. De dierencrematoria moeten voldoen aan Vlarem-emissiegrenswaarden voor dioxines en furanen, stof, zwaveldioxide en stikstofdioxide. Minstens tweejaarlijks moeten ze in het kader van de zelfcontrole analyses uitvoeren op dioxines en furanen in de rookgassen. Voor de andere parameters geldt een jaarlijkse meetplicht.

Werden deze grenswaarden nageleefd? Graag een overzicht van de resultaten van deze metingen.

Niet alle crematoria die vergund werden, worden op heden geëxploiteerd. Een aantal van deze crematoria moet nog worden gebouwd, anderen zijn niet meer operationeel. Voor de crematoria die momenteel in exploitatie zijn, kan de volgende informatie worden meegedeeld:
1. Hokatrans/Intraskins (Roeselare)
Op 15 maart 2010 en 16 november 2010 werden in opdracht van de exploitant luchtemissie¬metingen uitgevoerd. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden. In de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning van dit crematorium werd daarenboven een strengere emissiegrenswaarde opgelegd voor de parameter stof, die eveneens niet werd overschreden.
2. Somnia (Oudenburg)
Op 12 januari 2009 en op 15 december 2010 werden in opdracht van de exploitant luchtemissiemetingen uitgevoerd. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden.
3. Last Animal Services (Tielt)
Op 27 mei 2010 werd in opdracht van de exploitant een luchtemissiemeting uitgevoerd. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissie¬grenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden. In de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning van dit crematorium werd daarenboven een strengere emissiegrenswaarde opgelegd voor de parameter stof, die wel werd overschreden. Voor deze feiten werd door MI een proces-verbaal van overtreding opgesteld.
4. Antverpia Liberty (Zandhoven)
De laatste luchtemissiemetingen op de 3 oude crematieovens werden in opdracht van de exploitant uitgevoerd op 23 en 24 juni 2009. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden.
In 2010 heeft dit crematorium alle ovens volledig vernieuwd. Door de ombouw gebeurden er vanaf medio 2009 tot de ingebruikname van de nieuwe ovens geen crematies en werden er bijgevolg geen luchtemissiemetingen uitgevoerd.
Op 22 maart 2011 werden in opdracht van de exploitant luchtemissiemetingen uitgevoerd op de 3 nieuwe crematieovens. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden.
Recent werd in opdracht van MI een luchtemissiemeting uitgevoerd op 1 van de 3 nieuwe crematieovens. Officiële resultaten van deze meting zijn nog niet voor handen.
5. Eerste Belgische Huisdierencrematorium (Boom)
Op 5 maart 2009 werd in opdracht van MI een luchtemissiemeting uitgevoerd. Uit de gerapporteerde waarden bleek dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters stof en dioxinen/furanen werden overschreden. Voor deze feiten werd door MI een proces-verbaal van overtreding opgesteld.
De exploitant heeft de crematieoven en de filterinstallatie laten aanpassen en vervolgens werd op 4 januari 2010 in opdracht van de exploitant een luchtemissiemeting uitgevoerd. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden nog steeds niet werden gerespecteerd waarop de exploitant opnieuw een aantal aanpassingen liet aanbrengen aan de crematieoven en de filterinstallatie. Op 1 april 2010 werd in opdracht van de exploitant opnieuw een luchtemissiemeting uitgevoerd,. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden.
MI heeft ondertussen de opdracht gegeven aan een erkend laboratorium in de discipline lucht om dit jaar een luchtemissiemeting uit te voeren op deze installatie.
6. Dirk & Dogs (Lummen)
Op 25 augustus 2008 werd in opdracht van de exploitant een luchtemissiemeting uitgevoerd op de crematieoven. Na controle van de gerapporteerde waarden werd door MI vastgesteld dat de sectorale emissiegrenswaarden voor de parameters NOx, SO2, stof en dioxinen/furanen niet werden overschreden.
Door MI werd vastgesteld dat voor het jaar 2009 en 2010 geen rapporten van luchtemissiemetingen uitgevoerd in opdracht van de exploitant konden worden voorgelegd. Voor deze feiten werd door MI een proces-verbaal van overtreding opgesteld.

5. Voor de uitbating van een dierencrematorium is geen specifiek statuut voorhanden – dit in tegenstelling tot begrafenisondernemers.

Waarom is er geen specifiek statuut voor uitbaters van dierencrematoria (en later van dierenbegraafplaatsen)?

Dode huisdieren vallen onder de Europese Verordening dierlijke bijproducten (VO 1069/2009). Hierin is bepaald hoe er met dode huisdieren moet omgegaan worden. In Vlaanderen moet een uitbater van een dierencrematorium, en in de toekomst van een dierenbegraafplaats, beschikken over een milieuvergunning.
Voor het uitbaten van een dierencrematorium moet de uitbater ook beschikken over een erkenning in kader van de Verordening 1069/2009. De uitbaters van een dierenbegraafplaats zullen zich moeten registeren in het kader van dezelfde Verordening.
Bij het verlenen van een vergunning, erkenning en/of registratie wordt er door de bevoegde autoriteit gecontroleerd of de exploitant beschikt over de sectorale beroepsbekwaamheid (cf. statuut van de begrafenisondernemers).

6. Bestaat er een moratorium op de bouw van dierencrematoria in Vlaanderen? Momenteel zijn er twee dierencrematoria in Antwerpen, één in Limburg, één in Vlaams-Brabant en drie in West-Vlaanderen, er is dus geen sprake van een geografisch evenwichtige spreiding.

Lijkt het niet zinvol om, gelet op de milieuproblematiek die gepaard gaat met een (dieren) crematorium te voorzien in een geografisch spreidingsplan en per provincie slechts een beperkt aantal dierencrematoria toe te laten?

Voor het uitbaten van een dierencrematorium moet de exploitant beschikken over een milieuvergunning in het kader van de Vlarem-wetgeving. Dierencrematoria die voldoen aan de milieuhygiënische bepalingen uit het Vlarem, brengen slechts zeer beperkte hinder toe aan mens en milieu. Er wordt daarom vanuit het oogpunt milieuhygiëne geen spreidingsplan voor dierencrematoria voorzien.

Het aantal huisdieren laat zich niet sturen door middel van een capaciteitsplanning. Het instellen van een dergelijk moratorium lijkt mij dan ook niet zinvol.
 

in bijlage kunt u het volledig verslag (vraag en antwoord) van deze parlementaire vraag (SV 419 – 5 april 2011) lezen.