BZN De Stobbe – proefproject anders omgaan met huiselijk geweld

Ann Brusseel : Voorzitter, minister, collega's, in de pers hebben we de open brief kunnen lezen van de Bond Zonder Naam De Stobbe. Mensen maken zich inderdaad terecht zorgen over het toenemend geweld in de samenleving. In 2008 waren in Antwerpen 5.000 meldingen van huiselijk geweld, 1.000 meer dan in 2007. Het effect van geweld in de eerste levensjaren is wetenschappelijk bewezen en heeft invloed op de ontwikkeling van de hersenen en de persoonlijkheid. Uit het onderzoek van professor Bruce Perry blijkt dat zwaar mishandelde kinderen tot een derde minder herseninhoud hebben dan kinderen die in een veilige omgeving opgroeien.

De Stobbe, een centrum voor integrale gezinszorg (CIG), vangt al 20 jaar moeders en kinderen op die wegvluchten van huiselijk geweld. Na al die jaren stellen ze vast dat het systeem van hulpverlening blijft falen. Kinderen blijven desondanks deel uitmaken van een keten die kinderen schaadt, in plaats van hen de veiligheid te bieden waar ze recht op hebben. Schrijnende verhalen zijn schering en inslag. Het is onverantwoord dat jarenlang bij een gezin minstens 28 instellingen en diensten werden betrokken, die wellicht wel professioneel werk leverden, maar uiteindelijk bleef het geweld duren.

Jeugdzorg worstelt met een groot pijnpunt. Men kan pas naar de jeugdrechter als alle kansen uitgeput zijn om het gezin op vrijwillige basis het roer te laten omgooien, hoewel vluggere, gedwongen hulpverlening in veel omstandigheden noodzakelijk is om het kind te beschermen. Dit stelt ook De Stobbe. Als een instantie op deskundige wijze signalen van mishandeling onderzoekt, moet volgens De Stobbe die instantie de rechter direct kunnen inschakelen. Bij gebrek aan een rechtstreekse toegang gaat er soms veel energie en tijd verloren, zonder een meerwaarde voor het gezin. Integendeel: de schade wordt alleen maar groter.

Een viertal jaar geleden heeft uw voorgangster en partijgenote, toenmalig minister Inge Vervotte, De Stobbe de toestemming gegeven een gezinsdiagnostiek te ontwikkelen. Deze aanpak heeft uiteraard zijn gevolgen voor de werking van De Stobbe: sindsdien wordt er met kortere verblijven gewerkt. Er wordt gekozen voor de ‘korteketenaanpak’. Gezinnen worden nu voor een kortere duur residentieel opgevangen. In die periode wordt een accurate evaluatie van het gezin met de hulp van kinder- en jeugdpsychiaters gemaakt en ook een plan opgesteld om uit die spiraal te geraken. De jeugdrechter wordt ingeschakeld om over dit plan te waken.

De werking van BZN De Stobbe is gestoeld op ondernemerschap, creatieve inzet en verant­woordelijkheid. De Stobbe heeft gezocht naar de ontwikkeling van een model om anders met gezinsgeweld om te gaan. Dat concept kreeg eind vorig jaar de steun van de stad Antwerpen. In de pers hebben we vernomen dat De Stobbe aan de minister heeft gevraagd om de voorwaarden te creëren voor de proefondervindelijke uitbouw van een volledige ketting. Ze vragen om een creatieve ruimte te mogen creëren waarin ze met de relevante actoren kunnen werken en leren.

Hun opdracht overstijgt weliswaar de bevoegdheid welzijn. Veiligheid vereist een samen­werking tussen politie, justitie, welzijn, gezondheidszorg, enzovoort. Om die creatieve ruimte, die we kunnen opvatten als een proeftuin, te kunnen ontwikkelen, moet De Stobbe uiteraard loskomen van de bestaande reglementering. Met hun ‘korteketenaanpak’ komen zij nu reeds in de problemen om aan de voorwaarden van subsidiëring als centrum voor integrale gezinszorg te voldoen. Ze botsen op de subsidieparameters: wegens de nieuwe aanpak met verblijfsperioden van kortere duur en een groter verloop wordt de opgelegde bezettingsgraad van 80 percent niet meer gehaald.

Het beleid moet in een veranderende samenleving oog hebben voor de nodige zoekprocessen en creatieve oplossingen aanbieden voor jarenlang aanslepende schrijnende toestanden. De Stobbe biedt dergelijke creatieve oplossing. Het zou een uitdaging voor het beleid moeten zijn om inderdaad eens out of the box te denken en te handelen, in plaats van vast te houden aan de bestaande hulpverleningsketen die geen oplossing biedt voor de tragische toestanden.

Minister, bent u bereid om voor De Stobbe gedurende een periode van 4 jaar af te wijken van de erkenningsregels voor een CIG en de vzw de mogelijkheid te bieden een creatieve ruimte te creëren waarin men kan werken met andere relevante actoren, weliswaar onder de voorwaarde dat het project na 4 jaar op een wetenschappelijke manier wordt geëvalueerd?

Minister Jo Vandeurzen : Voorzitter, collega's, recentelijk, op 11 mei 2010, kreeg ik een aangetekende brief van het CIG BZN De Stobbe, waarin het centrum vraagt om zich gedurende 10 jaar te mogen loskoppelen van de bestaande reglementering van de CIG’s teneinde met de relevante actoren op de vloer “een korte keten veiligheidsplan voor kinderen, slachtoffer van huiselijk geweld” te kunnen uitbouwen.

Het CIG De Stobbe vraagt dus om niet langer als een CIG erkend te worden, maar te worden losgekoppeld van de huidige reglementering, maar wel met het behoud van de huidige overheidsfinanciering. Die bedraagt ruim anderhalf miljoen euro: 1.522.146 euro in 2009. Ook krijgt De Stobbe al 2 jaar lang 50.000 euro extra voor het project gezinsbehandeling. Daarbovenop wou CIG De Stobbe minimaal nog ongeveer 140.000 euro om het labo optimaal te kunnen laten functioneren: het centrum vraagt bijkomend 3 voltijdsequivalenten, werkingsmiddelen en een budget voor vorming.

In de brief staat ook deze passage: “Indien we op vrijdag 21 mei 2010 geen formele toestemming hebben om te mogen doen wat we in eer en geweten menen te moeten doen in functie van de opdracht waarvoor de burger ons betaalt, dan gaan we over op een ultieme actie die wat ons betreft kan worden aangehouden tot en met de vorming van een nieuwe regering. Onze dossiers liggen klaar.”

Mevrouw Brusseel, aangezien uw vraag geheel op hun brief gebaseerd is, zal ik ook mijn antwoord citeren.

“Geachte mevrouwen,

Geachte heer,

Ik nam met de nodige aandacht uw aangetekend schrijven van 11 mei door. Eens te meer lees ik hierin uw grote frustratie over een Vlaams beleid dat uw centrum niet de ruimte geeft om in een laboratoriumsituatie een eigen werkwijze in de aanpak van intrafamiliaal geweld te kunnen uitbouwen. De wijze waarop deze frustratie geuit wordt, betreur ik. Wat mij betreft, staat dit haaks op een goede communicatie tussen beleid en werkveld. In wat volgt, beperk ik me echter tot de inhoudelijke vragen in uw brief.

De vraag die u stelt, is om De Stobbe gedurende de volgende 10 jaar de huidige overheids­financiering te laten behouden en hierbij minimaal nog zo’n 140.000 euro aan toe te voegen om het labo optimaal te kunnen laten functioneren. De Stobbe wil op die manier een korte keten veiligheidsplan voor kinderen, slachtoffer van huiselijk geweld, uitbouwen. Het centrum wil dan ook op deze eigen werkwijze geëvalueerd worden. Uw centrum vraagt hiermee dus om niet langer als CIG erkend te worden, maar losgekoppeld te worden uit de huidige reglementering.

Het mag duidelijk zijn dat dit een zeer ingrijpende vraagstelling is. Los van de wenselijkheid om hier al dan niet op in te gaan, stel ik de juridische onmogelijkheid hiervan vast. CIG De Stobbe haalt zijn financiering uit een erkenning als een CIG. Hiertoe heeft de overheid in haar regelgeving bepaald onder welke voorwaarden en voor welke opdrachten zij CIG’s wenst te erkennen. Een CIG kan, conform de regelgeving, wel een aanvraag doen voor een bepaald project. Artikel 16bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 staat de minister toe om binnen de beschikbare kredieten projectsubsidies te verlenen. Het is echter duidelijk dat men met dergelijke projectwerking niet datgene bedoelt wat hier voorligt: gedurende een periode van 10 jaar een afwijking van de geldende erkenningsnormen voor de CIG’s. Een minister kan niet – en zeker niet algemeen – afwijken van normen die bij een besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd.

De gestelde vraag is ook niet nieuw. Zoals u terecht aanhaalt, is deze vraag reeds eerder gesteld, en is steeds duidelijk gemaakt dat we niet voor dergelijke labosituatie opteren. Wel is er de mogelijkheid geboden om de werking intern te heroriënteren. Bijkomend is er gedurende 2 jaar een extra financiering geweest om verder te werken aan het aspect van de gezinsbehandeling. Een overeenkomst die alleen met uw centrum werd afgesloten en waarvoor nu de vraag voor verlenging voorligt.

Daarnaast komt de vraag op een moment dat mijn kabinet in overleg met de CIG’s en de Administratie Welzijn en Samenleving overlegt over een nieuwe regelgeving voor deze diensten, een decreet dat de opdrachten en doelstelling van een CIG vastlegt. Ik verneem dat uw centrum hier ook aan meegewerkt heeft. Deze vraag voor loskoppeling vind ik dan ook verwonderlijk.

Het element dat me echter het meest verwondert omtrent de gestelde vraag, is de verhouding tussen de intenties van De Stobbe en de realisaties. Ik verneem van mijn administratie dat CIG De Stobbe in 2007 en 2008 niet de vereiste bezettingsgraad van 80 percent realiseerde. Ik begrijp dat men hierbij 2007 niet in beschouwing neemt. Immers, door de keuze voor de nieuwe werking was de bezettingsgraad inderdaad lager, wat zowel door uw centrum als door mijn administratie erkend werd. Echter, in 2008 wordt geen verbetering vastgesteld: de bezettingsgraad is dan 57 percent. Dit lage cijfer wordt in 2009 spijtig genoeg bevestigd met een bezettingsgraad van 59 percent. Hierbij houden we nog geen rekening met de bijkomende capaciteit voor tienermoeders (twee plaatsen) die in 2009 niet benut werd. Ik meen dat het duidelijk is dat zich hier een ernstig probleem stelt.

Tegelijk met deze lage bezetting blijkt dat bepaalde kwetsbare groepen niet worden opgenomen in het CIG (mensen met een psychiatrische en/of afhankelijkheidsproblematiek, anderstaligen, zwangere meisjes of vrouwen). De resultaten van de projecten met bijkomende subsidiëring voor De Stobbe die in 2007 en 2008 werden goedgekeurd, geven niet direct aan op welke manier in de toekomst een beter bereik van de doelgroep zal worden gerealiseerd.

Ten slotte signaleert men me ook dat de samenwerking met andere partners in de jeugdhulp een aandachtspunt blijft. Het lijkt mij belangrijk dat uw praktijkervaringen in de netwerken kunnen worden gedeeld. Het geeft u ook de mogelijkheid om uw werking beter en ruimer bekend te maken. Tegelijk liggen daar ook kansen om met andere diensten die werken rond het thema ‘intrafamiliaal geweld’ concrete samenwerkingsverbanden aan te gaan. Ik denk hierbij vooral aan de Centra voor Algemeen Welzijnswerk en de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg.

Deze vaststellingen zijn niet van die aard om uw centrum nu als piloot naar voren te schuiven. Het subsidiërende kader van een CIG is duidelijk, ook wat dit met zich meebrengt aan opdrachten. Zolang De Stobbe als werking erkend is als CIG, verwacht ik dat aan deze opdrachten voldaan wordt.

Het mag ten slotte ook duidelijk zijn dat er momenteel geen budgettaire ruimte is om tot extra financiering over te gaan. Ook in 2011 zal ik proberen om zo min als mogelijk aan de financiering van de diensten te raken.

In de geuite frustratie erken ik echter ook een gedrevenheid om naar vernieuwing te zoeken met als focus de veiligheid van de kinderen. Het spijt me te moeten vaststellen dat het kader waarbinnen De Stobbe zich als CIG bevindt volgens jullie niet kan worden gebruikt om deze doelstellingen te realiseren. Ik hoop dat uw engagement, dat ik wel degelijk apprecieer, zich in eerste instantie kan richten op het optimaal benutten van de huidige capaciteit.

Vriendelijke groeten.”

Ik meen dat het duidelijk is dat zich hier een ernstig probleem voordoet. We kunnen ons dan ook vragen stellen over de oorzaken van deze lage bezettingsgraad in CIG BZN De Stobbe. Is het aanbod onvoldoende gekend bij de relevante actoren? Is het CIG onvoldoende toegankelijk voor cliënten? Haken cliënten af in de diagnostische fase omdat het gevraagde engagement te groot is? Is het beschikbare aanbod niet aangepast aan de vragen en noden van gezinnen? Zijn de opnamecriteria te streng geformuleerd? Enzovoort.

We stellen ook vast dat er geen wachtlijst meer is in CIG BZN De Stobbe, terwijl de andere CIG’s hoge bezettingscijfers voorleggen en noodgedwongen moeten werken met soms lange wachtlijsten, ook voor tienerouders. Alle voorzieningen in de jeugdhulp halen hun bezettingscijfer ruimschoots, ook bijvoorbeeld de onthaal-, oriëntatie- en observantiecentra (OOOC’s) die ook met korte opnames en veel wisselingen van cliënteel zitten.

Om te besluiten wil ik even ingaan op het pijnpunt in de jeugdzorg dat u aanhaalt, enerzijds het feit dat alle kansen in de vrijwillige hulp uitgeput moeten zijn, en anderzijds de nood aan snellere gedwongen hulpverlening om kinderen te beschermen. Als algemeen uitgangspunt krijgt hulpverlening met instemming en medewerking van het betrokken gezin voorrang op eventuele gerechtelijke interventies. Ik kan u bijtreden, mevrouw Brusseel, dat in bepaalde situaties waar de integriteit van kinderen ernstig bedreigd wordt, men snel moet kunnen handelen. In die zin zal ik binnenkort het mandaat van de vertrouwenscentra voor kinder­mishandeling versterken. Ik heb bovendien een protocol afgesloten met de minister van Justitie dat nu wordt uitgerold over heel Vlaanderen. Daarin wordt de juiste samenwerking tussen de diensten, de politie, de actoren van justitie en de hulpverlening specifiek in de sector van de kindermishandeling voor heel Vlaanderen georganiseerd en gestroomlijnd.

Tegelijk werk ik in het kader van de integrale jeugdhulp aan een kortere keten voor de overgang van vrijwillige naar gedwongen hulpverlening. Gemandateerde voorzieningen, met rechtstreekse toegang tot het parket, zullen hierbij de huidige werking van comités voor bijzondere jeugdzorg en bemiddelingscommissies als noodzakelijke procedurele stappen vervangen.

Mevrouw Ann Brusseel : Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. Ik wil nog eens benadrukken dat het een heel delicaat en belangrijk dossier is.

Ik deel uw mening dat er bij BZN De Stobbe een frustratie leeft. Ik heb gesproken met mevrouw Dejonckheere, en ik heb begrepen wat zij de afgelopen jaren allemaal heeft gezien en meegemaakt. Wie een beetje mens is, raakt daardoor gefrustreerd. Ten einde raad was ze in haar schrijven van 11 mei een beetje hard voor de overheid. Men zou echter van minder hard worden als men vaststelt dat de overheid kinderen, jongeren en ouders die slachtoffer zijn van geweld, vaak laat verdwalen in een bureaucratisch labyrint. De overheid moet erop toezien dat hulpbehoevenden snel hulp krijgen. In de media kwamen de voorbije jaren schrijnende gevallen aan het licht van kinderen die uiteindelijk overleden zijn na jarenlange verwaarlozing en mishandeling. Als wij zoveel instellingen en diensten hebben, vraag ik me af hoe het komt dat een kind uiteindelijk moet overlijden aan mishandeling. Dat gebeurt al te vaak. En dat is ook de grote zorg van BZN De Stobbe.

Ik zal dit dossier verder onderzoeken en uw opmerkingen grondig nakijken. Ik heb mijn vragen bij die vereiste bezettingsgraad. Als men ziet dat in een stad als Antwerpen het huiselijk geweld drastisch toeneemt, dan denk ik dat er iets moet gebeuren. Er moet meer samenwerking zijn tussen de instanties om bepaalde opvangcentra bekend te maken bij de mensen. Blijkbaar weten veel te weinig mensen dat er opvang mogelijk is. Ik denk dat daar ook een rol is weggelegd voor u.

Ik ben blij dat u het mandaat van de vertrouwenscentra voor kindermishandeling zult versterken. Welke concrete maatregelen zult u daartoe nemen? Hebt u daarvoor al een tijdspad ontwikkeld?

Minister Jo Vandeurzen : Er is een protocol tussen de Vlaamse overheid en Justitie over de specifieke problematiek van kindermishandeling. Dat is een vrij uitvoerig document met alle mogelijk afspraken en verwijzingen. Dat wordt nu uitgerold over heel Vlaanderen.

De versterking van die centra vergt een hele procedure. We moeten onder meer langs bij de Inspectie van Financiën om de nodige stappen te zetten.

In het kader van de intersectorale toegangspoort en de jeugdzorg moeten nieuwe duidelijke afspraken worden gemaakt.

Ik wil nog even terugkomen op de concrete vraag. Ik zal geen afbreuk doen aan het engagement. Dat heb ik ook in die brief geschreven. Anderzijds is het zo dat niet alleen De Stobbe wordt geconfronteerd met schrijnende situaties, daar verontwaardigd op reageert en het beste van zichzelf geeft. Wij doen dat met heel velen in Vlaanderen. Vaak worden we daarbij geconfronteerd met te weinig middelen en mogelijkheden. Dat is echt niet het monopolie van de ene of de andere.

Wij vinden het allemaal verschrikkelijk dat sommige zaken gebeuren. De overheid probeert inspanningen te doen om daar meer middelen voor uit te trekken. Een bezettingscijfer van 57 percent, terwijl geen enkele andere Vlaamse voorziening dat bezettingscijfer haalt, in een stad waar zich een enorme problematiek stelt, doet vragen rijzen over samenwerking en netvorming. En daarbij wordt het jaar van de reorganisatie dan nog weggelaten. En dan wordt aan de minister gevraagd om op enkele dagen tijd toe te zeggen dat er gedurende 10 jaar tijd met de middelen kan worden gewerkt, zonder enige reglementering. Zo niet, zal duidelijk worden wat er gebeurt vlak voor de verkiezingen. Dat is niet de manier waarop het overleg moet worden georganiseerd.

Mevrouw Ann Brusseel : U hebt het dan over de brief die De Stobbe naar u heeft geschreven. Ik heb die niet geschreven. Als politici krijgen we allemaal wel eens een opmerking die een beetje hard aankomt. Dat is omdat we hebben gekozen om in het stoeltje van de verantwoordelijke, de beleidsmaker te gaan zitten. En dan krijgt men effectief zulke opmerkingen van mensen die al jaren in die sector werken. Ik weet ook dat iedereen het beste van zichzelf geeft in die sector. Ik ga daar ook van uit. Ik stel echter vast dat er een bureaucratisch kluwen is of dat er kafkaiaanse toestanden blijven bestaan. Er zijn heel veel diensten die er niet allemaal in slagen om even goed samen te werken. Ik zal met De Stobbe nagaan hoe de samenwerking met de andere instanties in Antwerpen is verlopen.

Minister, u moet een onderscheid maken tussen mijn vraag en de brief. Ik heb het gehad over 4 jaar, niet over 10 jaar. Ik ben ervan overtuigd dat men eens rond de tafel zal moeten zitten met een aantal instanties, om wat creatiever na te denken over opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. Daar is het me om te doen, niet om een politiek oorlogje of het brengen van artikels in de krant, die u dan al dan niet verontrusten. Ik sta wel achter de vraag van De Stobbe dat met een open blik een creatieve benadering zou worden gezocht om de keten te verkorten en de hulp aan hulpbehoevenden te versnellen.
 

Verslag VOU 2114 BZN De Stobbe