Buitenlands Beleid: bespreking begroting en beleidsbrief 2011-2012

1.7. Tussenkomst van mevrouw Ann Brusseel

Mevrouw Ann Brusseel deelt de bemerkingen van de heer Delva inzake de nood aan meer
aandacht voor Brussel, als hoofdstad van alle Vlamingen. Daar waar er in de beleidsbrief

1.7. Tussenkomst van mevrouw Ann Brusseel

Mevrouw Ann Brusseel deelt de bemerkingen van de heer Delva inzake de nood aan meer
aandacht voor Brussel, als hoofdstad van alle Vlamingen. Daar waar er in de beleidsbrief
(pagina 15) gewag gemaakt wordt van een verdere Europeanisering van de Vlaamse overheid, lijkt het tamelijk ongerijmd dat men daarbij geen gebruik zou maken van het feit dat Brussel tegelijk ook de zetel van belangrijkste Europese instellingen is. In het verlengde van de zogenaamde ‘Brusseltoets’ die reeds op een aantal andere beleidsdomeinen wordt toegepast, zou er voor Brussel ook een veel sterkere rol moeten zijn weggelegd binnen ons buitenlands beleid.

Het inzetten van deze onmiskenbare Vlaamse troef zal volgens het lid natuurlijk wel op
een enigszins creatieve wijze moeten gebeuren. De strikte bevoegdheidsverdeling binnen
de federale staatsstructuur en de daaruit voortvloeiende contraintes zouden bij een oppervlakkige beschouwing immers wel eens de indruk kunnen wekken dat een en ander niet evident is. Toch liggen er hier wel degelijk mogelijkheden voor Vlaanderen. Mevrouw
Brusseel verklaart zich in elk geval voorstander van een zekere erkenning en pleit dienovereenkomstig voor een positief engagement. Ze twijfelt er daarbij niet aan dat er voor deze piste heel wat medestanders te vinden zijn in de Vlaamse politieke beleidswereld.

Daarnaast deelt ze ook de mening van de heer Delva voor wat betreft het cultuurbeleid
en onze ambassadeurs op dat vlak. Vlaanderen heeft immers heel wat waar het trots op
mag zijn.

Mevrouw Brusseel komt dan tot een aantal bedenkingen en vragen over de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.
Zo leest ze op pagina 54 van de beleidsbrief dat de Vlaamse overheid de in het kaderdecreet Ontwikkelingssamenwerking vastgelegde transversale thema’s wil respecteren. Dit klinkt prima facie weliswaar goed, maar is toch niet bepaald duidelijk geformuleerd. Zo kan ze hieruit bijvoorbeeld niet opmaken wat er nu precies zal gebeuren met betrekking tot de ondersteuning van het genderbeleid.

Dit genderbeleid is een belangrijke component van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen.
Het accent komt steeds meer op de microfinanciering en op de financiering van kleinere projecten te liggen. Alle experts zijn het er dan ook over eens dat een goed genderbeleid cruciaal is. Veel andere zaken volgen hieruit. De erkenning van de rechten van vrouwen en de bescherming van vrouwen en kinderen in conflictgebieden kan ertoe leiden dat ook op andere vlakken vooruitgang wordt geboekt. Mevrouw Brusseel verwijst in dit verband ook naar de hier eerder eveneens reeds aangehaalde VN-resolutie 1325. In de beleidsbrief staat dat de minister-president een inspanning voor de kinderrechten wil leveren. Alles staat of valt echter met een goed genderbeleid in de ontwikkelingssamenwerking.
Ze zou derhalve graag vernemen wat op dat vlak de concrete projecten zijn.

Het is verder ook de bedoeling de multilaterale organisaties structureel te ondersteunen.
Volgens de minister-president wil de regionale ontwikkelingssamenwerking zich minder
op projecten en meer op structurele ondersteuning richten. Op zich is het lid daar uiteraard
niet tegen. De vraag is echter of en in welke mate de minister-president op die manier
nog op het beleid van die internationale instellingen zal kunnen wegen. Ze vraag zich
af of het niet beter ware dat een kleine donor als Vlaanderen met andere onmiddellijk
betrokken donoren – dat wil zeggen met de federale overheid en met andere deelstaten en
staten – naar synergieën zou zoeken.

Mevrouw Ann Brusseel komt daarna tot thema ‘noodhulp’. Ze stelt vast dat we het in
deze commissie al heel vaak over diverse interventies en over mogelijke samenwerkingen
hebben gehad. Ze leest in deze beleidsbrief echter niets over een structurele verankering
van de werking van de V-Med. Mag ze daaruit afleiden dat dat punt niet langer aan de
orde is?

De noodhulp maakt volgens haar in feite ook geen deel uit van de ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelingssamenwerking moet immers structureel van aard zijn. En noodhulp is per definitie niet structureel. Ze onderschrijft dan ook ten volle de reeds door andere interveniënten aan de orde gestelde vraag om dit punt uit het toekomstige kaderdecreet te lichten. We moeten vermijden dat er problemen ontstaan – zoals dat recent nog het geval was met het vinden van een juridische grondslag voor het verstrekken van noodhulp aan de door een aardbeving getroffen gebieden in Turkije – wanneer de Vlaamse overheid een bijdrage voor een gebied in nood wil leveren.
 

Het lid constateert verder dat het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking in Vlaanderen in 2010 volgens de OESO 48,1 miljoen euro bedroeg. Daarvan kwam slechts
48 procent van het eigenlijke budget voor Ontwikkelingssamenwerking zelf. Ze vraagt zich dan ook af welke andere Vlaamse departementen aan de ontwikkelingssamenwerking
hebben meegewerkt. Wie waakt er over de coherentie? Beschikken alle participanten wel
over de nodige expertise? En wordt ook afdoende geverifieerd of alle middelen wel  deltreffend worden besteed?
 

Afsluitend wil mevrouw Brusseel nog een opmerking maken over de samenwerking met
Zuid-Afrika. Ze wijst er dienaangaande op dat ze vorig jaar reeds heeft opgemerkt dat
Zuid-Afrika het eigenlijk helemaal niet slecht doet. Misschien kunnen we de Zuid-Afrikaanse Regering eens voorzichtig vragen wat ze inzake de herverdeling van de middelen zelf tot stand kunnen brengen? Op bepaalde vlakken doen ze het immers goed. Het is volgens het lid dan ook de vraag of we nog steeds op Zuid-Afrika als partnerland voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking moeten mikken. Misschien kunnen die middelen beter ingezet worden voor een ander land of een ander project.

2.7. Antwoorden ter attentie van mevrouw Ann Brusseel
De minister-president meent dat de opmerking van mevrouw Brusseel aangaande de grote multilaterale oganisaties en de mate waarin Vlaanderen daar kan wegen op hun beleid, terecht is. We moeten voldoende zin voor realisme aan de dag leggen en erkennen dat we niet zwaar kunnen wegen, precies omdat onze bijdrage niet altijd zo omvangrijk is.

Een ander aspect is de efficiëntie. Wanneer wij voor een aantal projecten iets willen doen,
kunnen we proberen zelfs iets uit de grond te stampen en dat op te volgen. In bepaalde
omstandigheden is het echter wijzer om niet zelf die initiatieven te nemen, maar te werken
met die grotere organisaties. Een daarvan is bijvoorbeeld het CERF. Dit is weliswaar een
erg efficiënt instrument, maar het zorgt zeker niet voor de nodige exposure en visibiliteit.
De voor- en nadelen van een en ander moeten dus worden afgewogen.

Wat V-Med en B-FAST betreft, is er een goede samenwerking. B-FAST heeft bij de
recente aardbeving in Turkije tenten opgezet. Wij hebben vooral expertise inzake medische
interventies en minder inzake het opzetten van tenten. Het heeft weinig zin om dokter
Beaucourt naar Turkije te sturen om tenten op te zetten. We moeten dan ook omzichtig te
werk gaan bij het inzetten van die organisaties.

Het lid formuleerde ook terechte opmerkingen over de genderproblematiek. Ook vanuit
ontwikkelingssamenwerking wordt daar de nodige aandacht aan besteed. Het gaat dan
onder meer over gezondheidzorg. Het Steunpunt Buitenlands Beleid heeft een voorbereidende oefening gedaan voor twee transversale thema’s waaronder de genderproblematiek. Het rapport werd onlangs opgeleverd, de implementatie wordt in 2012 verder bekeken. De problematiek van de seksuele en reproductieve gezondheid en de gezinsplanning is evidenterwijze sterk gendergericht. In dat kader steunen wij bijvoorbeeld een nachtkliniek in Moatize, Mozambique.

De minister-president kan mevrouw Brusseel ook verzekeren dat de genderproblematiek
verder opgenomen zal blijven in het pakket en dat daar dus verder rond gewerkt zal worden.

Met betrekking tot de vraag welke middelen er vanuit andere Vlaamse departementen
worden besteed aan ontwikkelingssamenwerking, zal de minister-president de cijfers laten toevoegen aan het verslag (bijlage 8). Wel kan hij hic et nunc reeds verwijzen naar een grafiek die is opgenomen in het recentste ODA-rapport over de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking, waarin terug te vinden is welke departementen er allemaal aan internationale samenwerking doen. Naast het Departement internationaal Vlaanderen gaat het bijvoorbeeld ook over het Departement Onderwijs en Vorming en het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.

3. Slotreplieken

Mevrouw Ann Brusseel verklaart daarop dat het haar niet wijs voor komt om ons te mengen
in de situatie op Cyprus. Als Vlamingen en als Belgen kunnen we beter eerst ons eigen
boeltje opruimen voor we ergens elders gaan zeggen hoe het moet.
Wat de financiering van de grote multilaterale organisaties betreft, blijken we het erover
eens te zijn dat het moeilijk is om als kleine donor op hun besluitvorming te wegen. Net
om die reden vraagt het lid zich af of de minister-president synergieën met de andere
beleidsniveaus in dit land zoekt. Op die manier zou hij het gewicht van zijn inbreng in de
discussie kunnen verhogen.

Tot slot heeft mevrouw Brusseel ook nog een korte vraag over het genderbeleid. Het is
haar tijdens de lectuur van de beleidsbrief niet echt duidelijk geworden in welke mate de
gendercomponent op de ontwikkelingssamenwerking weegt. Kan de minister-president
hier misschien een overzicht van geven? Aangezien ze voor haar fractie dit thema met
betrekking tot de verschillende beleidsdomeinen opvolgt, zou ze daar echt wel een beter
zicht op willen krijgen.

Voor wat de inspanningen op het vlak van gender betreft, zegt minister-president Kris
Peeters toe aan de commissie – ten behoeve van het verslag – een overzicht te zullen bezorgen (bijlage 9). Zo kan mevrouw Brusseel zicht krijgen op wat Vlaanderen dienaangaande allemaal doet.

Wat de problematiek van de multilaterale instellingen betreft, moeten we zelf wel in onze
eigen kracht geloven. Tegelijkertijd moeten we maximaal synergieën zoeken. Misschien
kent mevrouw Brusseel voorbeelden van plaatsen waar dit onvoldoende gebeurt of waar
meer synergie mogelijk is. De minister-president is in elk geval steeds bereid dit nader te
bekijken. Die synergieën mogen er echter, zoals hoger reeds gezegd, niet toe leiden dat we onszelf wegcijferen. Maar voor het overige is hij steeds gewonnen voor een samenwerking met de federale overheid, met de andere deelstaten of met andere landen. Er zijn immers nog heel veel noden. We mogen de zaken zeker niet in verspreide slagorde aanpakken. Dat zou niet enkel een verspilling van mensen en van energie inhouden; de mensen waar we het voor doen, hebben daar ook geen boodschap aan. Gelukkig is iedereen hier steeds meer van overtuigd.

Inpikkend op dat laatste verklaart mevrouw Brusseel dat er in een goed huwelijk veel
synergieën en veel energie zijn, terwijl niemand zich hoeft weg te cijferen. Ze is er ten
gronde van overtuigd dat er op dit vlak nog heel veel mogelijkheden zijn en zal dit dan
ook goed blijven opvolgen.

Open Vld diende een motie van aanbeveling in bij deze beleidsbrief. – zie bijlage