Brussel: bespreking begroting en beleidsbrief 2011-2012

2.2. Strategische en operationele doelstellingen

SD 1 – Vlaanderen voor Brussel

2.2. Strategische en operationele doelstellingen

SD 1 – Vlaanderen voor Brussel

OD 1.4 – Een permanente dialoog met het middenveld organiseren
Mevrouw Ann Brusseel had graag wat meer concrete ideeën gezien over hoe de minister de dialoog met het middenveld wil aanpakken.

De minister antwoordt dat hij het eindrapport van de Task Force Brussel afwacht, die de opdracht kreeg voorstellen te formuleren hoe het middenveld meer betrokken kan worden bij het Vlaams Brusselbeleid.

SD 3 – Vlaanderen in Brussel: sterk verankerd blijven

OD 3.2 – ‘Wonen waar je werkt’ in de praktijk brengen
Over ‘Wonen waar je werkt’, werd reeds verschillende malen gediscussieerd, zegt mevrouw Ann Brusseel. De minister haalt nu financiële, logistieke en praktische redenen aan die de haalbaarheid in vraag stellen van een beleid dat erop gericht is mensen die in Brussel werken ook daar te laten wonen. Het lid had die haalbaarheid bij de bespreking van de beleidsnota reeds te berde gebracht. In verband met het beleidsvoornemen in het regeerakkoord ten aanzien van de ambtenaren zegt de minister dat hij een beleidsmatige input verwacht van zijn collega bevoegd voor Ambtenarenzaken. Heeft de minister zijn collega daar al over aangesproken? Wat zijn diens voornemens?
Het tekort aan studentenkoten is ook een probleem. Heeft de minister daaromtrent nog concrete plannen?

De minister zegt dat er niet echt nieuwe initiatieven genomen werden. Hij heeft altijd gezegd dat hij initiatieven voor ‘Wonen waar je werkt’ wil realiseren naar het einde van de legislatuur toe als de financiële toestand het toelaat.
Inzake de studentenkoten heeft de minister aan Bri)k de opdracht gegeven om 1 miljoen euro van haar werkmiddelen prioritair in te zetten voor het realiseren van studentenhuisvesting. Hij verwijst naar zijn vroeger uitvoerig antwoord op een schriftelijke vraag (nr. 555 (2010-2011) van 10 augustus 2011).

SD 4 – Brussel in Vlaanderen: de banden aanhalen
OD 4.1 – Brussel behouden als hoofdstad van Vlaanderen en OD 4.2 – De 11 juliviering in Brussel positioneren en vernieuwen

Mevrouw Ann Brusseel vindt – gezien de budgettaire problemen – 445.000 euro voor de 11 juliviering veel om in een enkele dag op te souperen. Er zijn andere meer prangende problemen in Brussel zoals het capaciteitstekort in het onderwijs bijvoorbeeld.

De minister stelt voor om het debat over de 11 juliviering te voeren op de werklunch waarop hij de commissieleden uitgenodigd heeft. Hij noteert wel dat mevrouw Brusseel 445.000 euro voor die viering te veel vindt. De minster vindt het belangrijk om dat bedrag te houden; wel moet een andere formule gevonden worden. Daartoe zal de brainstorming dienen.

OD 4.3 – Het imago van Brussel in Vlaanderen en bij Vlamingen verbeteren

Mevrouw Ann Brusseel trekt de aandacht op een filmpje over de zes mooiste dorpen van Vlaanderen dat mede tot stand is gekomen met de steun van vzw de Rand. Daarin wordt Brussel voorgesteld als een soort uitdeinend kwaad. Het lid hoopt dat de minister dat zal aankaarten bij zijn collega bevoegd voor de Vlaamse Rand. Het is zonde om enerzijds een aanzienlijk budget te moeten vrijmaken om het imago van Brussel te verbeteren en anderzijds middelen uit te trekken voor een vzw die het imago van Brussel besmeurt. Het lid zal het filmpje bezorgen aan de minister.
Het valt spreekster verder op dat veel succesvolle projecten (Theater aan Zee, kunstenaarsproject Freestate) naar Oostende gaan. Deelt de minister hier snoepjes uit? Gaat zijn voorkeur uit naar Oostende om politieke redenen? Er zijn nog andere kuststeden waar veel Vlamingen komen in de zomer. Het lid hoopt dat de minister de komende jaren ook aandacht heeft voor andere plaatsen in Vlaanderen zodat men hem niet van vriendjespolitiek kan beschuldigen.

Het verbaast de minister dat mevrouw Brusseel niet blij is met de aandacht die aan
Oostende besteed wordt. Dat heeft niets te maken met de politieke meerderheid in
Oostende. De vraag tot samenwerking komt niet van het gemeentebestuur of de Vlaamse Gemeenschap, maar is ontstaan uit het culturele middenveld in Brussel en Oostende. Oostende en Brussel hebben een historische band. Veel Brusselaars gaan in Oostende wonen. Er zijn ook raakvlakken inzake stedelijke problematiek. Oostende is een trekpleister voor veel Vlamingen. Er ontstaan veel mooie kruisbestuivingen. De Vlamingen ontdekken er Brussel op een andere manier, via de kunst. Kunst verheft, verlicht. Wat vanuit de basis is gegroeid, verrijkend is en zich naar een breed publiek richt, daar kan de minister niet tegen gekant zijn. Overigens zijn de Brusselse projecten die naar Vlaanderen uitgedragen worden niet tot Oostende beperkt. ‘Brussel Op ’t Spoor’ bijvoorbeeld richt zich op Mechelen, Aalst, Leuven en andere plaatsen.
Verder vraagt de minister dat mevrouw Brusseel hem het filmpje over de Rand mailt.

Het doet de heer Paul Delva denken aan zijn vraag om uitleg naar aanleiding van een artikel in Randkrant over de uitdeining van de criminaliteit vanuit Brussel naar de Vlaamse Rand (nr. 893 (2010-2011) van 19 januari 2011). Spreker hoopt dat de Rand Brussel niet als een vijand beschouwt. Het kan niet de bedoeling zijn dat gesubsidieerde instanties tegen elkaar beginnen werken.

Mevrouw Ann Brusseel voegt aan haar betoog toe dat het voor de stad Oostende handig is om met haar financiële putten te kunnen rekenen op (project)subsidies uit Brussel. Oostende is mooi, Palermo ook.

SD 5 – Het Nederlands in Brussel: positief omgaan met taal
OD 5.1 en 5.2 –De waardering voor het Nederlands stimuleren en een positief promotiebeleid voeren

Mevrouw Ann Brusseel is tevreden met de investering in het Huis van het Nederlands. Het is ook belangrijk verder onder de loep te nemen hoe succesvol de lessen NT2 zijn. Welk publiek komt erop af? Gaan de deelnemers zo ver met de lessen dat ze meer kans maken op de arbeidsmarkt?

In de conceptnota van de Vlaamse minister van Inburgering staat dat het Huis van het Nederlands Brussel het aanspreekpunt voor taalpromotie en taalbeleid blijft in het gebied Brussel-Hoofdstad. In die zin verandert er ook niets voor de opdrachten die worden toevertrouwd vanuit het Brusselbeleid, beklemtoont de minister. De hervormingen in de sector zullen natuurlijk wel een invloed hebben op de partnerschappen die het huis heeft met de andere Huizen van het Nederlands die vandaag bestaan.

SD 6 – Samenwerking in Brussel: zoveel mogelijk werken aan synergieën

OD 6.1 – Het lokale Brusselbeleid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie als prioritaire partner beschouwen

Ook mevrouw Ann Brusseel stelt vast dat er al lang over het kerntakendebat gepraat wordt, maar nog weinig vooruitgang is. De minister vraagt telkens om geduld. Kan het echt niet sneller? Welke belemmeringen zijn er?

Antwoord
De Vlaamse minister voor Stedenbeleid, Freya Van den Bossche, verwacht in de komende weken het rapport van de visitatiecommissie Stedenbeleid, zegt de heer Pascal Smet. De aanbevelingen uit dat visitatierapport zullen besproken worden binnen de Vlaamse Regering en ook in de desbetreffende commissie in het Vlaams Parlement. De minister is benieuwd welke aanbevelingen daarin betreffende de VGC en Brussel zullen worden gemaakt. Minister Van den Bossche bepaalde wel reeds dat – binnen het huidige budget – niet kan worden geraakt aan de huidige trekkingsrechten en dus de middelen van de betrokken steden, en dat – om diezelfde reden – het aantal geselecteerde steden momenteel ongewijzigd blijft. Met andere woorden: geen wijzigingen zonder een verhoging van het budget van het Stedenfonds.
De VGC en de Stad Antwerpen krijgen in de huidige situatie beiden een voorafname. De minister stelt voor om dat debat verder te voeren als de resultaten van het rapport bekend zijn.
Uiteraard zal de minister, als hij overlegt met zijn collega voor Stedenbeleid binnen de Vlaamse Regering, niet in de plaats treden van de VGC, integendeel.
In verband met het kerntakendebat benadrukt de minister dat hij geen problemen wil met de VGC. De Brusselaar heeft daar geen boodschap aan. Het grote uitgangspunt is goede samenwerking. De minister kan enkel vaststellen dat er een probleem is in het functioneren. De Vlaamse Gemeenschap geeft vertrouwen aan haar ambtenaren die in de ambtelijke Task Force zitten; bij de VGC is dat niet zo. Het ontbreken van een vertrouwensrelatie tussen de administratie en het College van de VGC werkt enorm vertragend.

De ambtenaren hebben voor alles een formeel fiat nodig. Ook in het voorbereidend werk wordt er gestuurd door de politiek.
Zie ook 10.3 Brede School
 

OD 6.2 – Een gemeenschappelijk Brusselbeleid via samenwerking tussen overheden mogelijk maken

Samenwerking inzake gewestmateries is ook opgenomen in het regeerakkoord meer bepaald voor Werk, Mobiliteit en Ruimtelijke Ordening. Mevrouw Ann Brusseel stelt vast dat er voor Werk stappen gezet werden. Op de andere terreinen gebeurt er echter te weinig. Inzake Mobiliteit bijvoorbeeld, bij grote werken, is er te weinig samenwerking tussen het Brusselse en het Vlaamse Gewest. Het lid vraagt zich af of er dialoog geweest is tussen het Vlaamse en het Brusselse Gewest over de inplanting van Uplace. Zo ja, was de minister daar bij betrokken?
De minister vraagt of het lid voor of tegen het dossier Uplace is. Volgens mevrouw Ann Brusseel doet dat niet ter zake. Los van enig standpunt over dat dossier is het belangrijk dat de uitvoerende macht de verschillende projecten, in casu met ‘shoppingervaring’ (twee in Brussel en één in Vlaanderen nabij Brussel) op elkaar afstemt. Hoe wil de Vlaamse Brusselminister daarin een rol spelen? Heeft hij met zijn collega Muyters in de Vlaamse Regering gepraat daarover? Met zijn Brusselse collega’s, meer bepaald met de burgemeester van Brussel? Voor de werkgelegenheid en de mobiliteit is het belangrijk dat het om realistische projecten gaat. Een goed ondernemer consulteert de beleidsmakers en beleidsmakers moeten zorgen dat er geen nieuwe problemen gecreëerd worden. De minister staat misschien niet op de eerste plaats om dat te trancheren, maar hij heeft er ongetwijfeld een mening over. In het algemeen moet er meer samengewerkt worden voor dat soort projecten die grote gevolgen kunnen hebben op het vlak van ruimtelijke ordening en mobiliteit. Samenwerking in een open geest, in het belang van de mensen die wonen en werken in Brussel.

Antwoord en repliek
Minister Pascal Smet vindt dit niet de gepaste commissie om over Uplace te praten. Hij stelt voor dat het lid haar vragen stelt aan haar partijgenoot en Brussels viceminister-president Jean-Luc Vanraes. Hij had ook eventueel overleg kunnen initiëren. Overigens, voor overleg over gewestmateries ligt het initiatief bij de minister-president, in samenwerking met de Vlaamse minister voor Brussel; over gemeenschapsmateries is het omgekeerd. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zou naar verluidt niet altijd even alert gereageerd hebben op vragen van Uplace. De minister weet nog steeds niet of mevrouw Brusseel voor of tegen Uplace is. Als het lid duidelijk is zal hij ook duidelijk zijn.

Mevrouw Ann Brusseel betreurt dat ze ook over Uplace met Brussels viceminister-president Jean-Luc Vanraes moet gaan praten. De minister heeft toch een duidelijk zicht op de rol die hij moet spelen. Het is evident dat de Vlaamse parlementsleden uit Brussel in deze commissie antwoorden hopen te krijgen op hun vragen. Blijkbaar is het moeilijk een open gesprek te hebben over het shoppingscenter. Het vertrekpunt van het lid is het Vlaamse regeerakkoord waar de minister bevoegd voor Brussel achter staat. Daarin staat dat er samenwerking moet zijn tussen de overheden.
Mevrouw Yamila Idrissi merkt op dat de minister-president vorige week in plenaire vergadering op alle vragen over Uplace geantwoord heeft. Spreekster vindt het unfair om te stellen dat er in deze commissie geen openheid is. Men moet de werking van dit parlement en de commissies respecteren. Mevrouw Brusseel had haar vraag daar kunnen stellen.
Mevrouw Ann Brusseel zegt enkel te willen weten welke rol de Brusselminister kan/wil vervullen als er overleg nodig is tussen de gewesten. Hij moet erop toezien dat er goede samenwerking en synergie is tussen Vlaanderen en Brussel. Het lid hoopt dat hij zijn rol als Brusselminister nog ten volle kan spelen in de Vlaamse Regering.

SD 8 – Media, communicatie en city imaging: de actualiteit over, informatie in en het imago van Brussel kenbaar maken

OD 8.1 – Synergiëen ontwikkelen tussen de Vlaams-Brusselse media

De minister wil efficiëntiewinsten boeken inzake nieuwsgaring, beeldvorming, berichtgeving enzovoort. Er wordt gewacht op de resultaten van het onderzoek naar potentiële efficiëntiewinsten door Capgemini Consulting. Ondertussen heeft men kunnen vaststellen dat de Vlaams-Brusselse media geapprecieerd worden voor hun werk. Mevrouw Ann Brusseel vindt de Brusselse media zeker belangrijk maar het lid vraagt na te denken over de middelen die daaraan worden besteed, zeker gezien de huidige financiële situatie. De redactionele onafhankelijkheid mag dan wel gewaarborgd zijn maar het lid wordt er ongemakkelijk van dat die Brusselse media zonder overheidssteun geen overlevingskans hebben. Het lid wenst meer te weten over de verhouding eigen inkomsten en overheidssubsidies. Een bijkomende bedenking: wat is de noodzaak van een gratis papieren krant tegenover de efficiëntie van de website Brusselnieuws die overigens zeer succesvol is?

Minister Pascal Smet antwoordt dat de studie van Capgemini ondertussen is opgeleverd. Alle commissieleden – en ook de leden van de raad van de VGC – ontvingen een uitnodiging voor de presentatie van het onderzoek naar efficiëntiewinsten, op donderdag 1 december.

OD 8.2 – Muntpunt uitbouwen als hedendaagse verblijfsbibliotheek en hoofdstedelijk informatiecentrum

De minister stelt dat de transitieoperatie van het huidige personeel in het najaar kan plaatsvinden als de VGC een eenduidig standpunt heeft ingenomen en consensus heeft bereikt over de terbeschikkingstelling van haar personeelsleden en ook de onderhandelingen met de vakorganisaties zijn afgerond. Mevrouw Ann Brusseel hoopt dat dat snel gebeurt. Als er problemen zijn met de VGC, welke zijn dat dan precies? Het lid vreest dat na de oplossing van dit probleem de calvarietocht nog niet ten einde is. Verschillende zaken zijn nog niet ver gevorderd – zo lijkt het: de uitbating en catering van het café, de uniformisering van de verschillende personeelsstatuten, de uitrol van het ICT-park, de selectieprocedure voor de website enzovoort. Is er dan nog geen duidelijkheid omtrent de IT? Het lid is tevreden over die concrete initiatieven maar ze vernam graag wat het tijdspad hiervoor is. Welke resultaten wil de minister boeken in 2012? Wat wordt bedoeld met de cryptische omschrijving dat Muntpunt “communicatief zal uitbreken” in 2012? Is dat de effectieve opening?

Het is mevrouw Brusseel blijkbaar ontgaan dat er voor Muntpunt een vzw met een raad van bestuur is opgericht, zegt de minister. Het is de vzw en de raad van bestuur die nu in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de uitbouw van Muntpunt. Er is een EVA opgericht die die opdracht meegekregen heeft. De Vlaamse Gemeenschap ondersteunt uiteraard maximaal waar ze kan. De bouwwerken hebben vertraging opgelopen zoals dat vaak met bouwwerken gebeurt. De problemen werden opgelost. Voor de inrichtingswerken moet opnieuw een dossier opgesteld worden. Ook het ICT-dossier, de ontwikkeling van de tweede website – en het meertalig karakter ervan – en de aanwervingsprocedure voor de vier sleutelfuncties zitten op schema. Er is momenteel één fundamenteel probleem – ook ten aanzien van het personeel – en dat is nu de hoofdbevoegdheid van de VGC: het uitblijven van een regeling voor de terbeschikkingstelling van het statutair personeel van de VGC aan Muntpunt. De minister wil daar niet in conflict over gaan met de VGC. Hij hoopt dat de VGC eindelijk tot een oplossing komt. De minister heeft ook al deelgenomen aan gemeenschappelijke vergaderingen om tot oplossingen te komen. Er moet dringend een regeling komen voor het personeel.

Voor de domeinconcessie voor een openbare dienstverlening voor het café en de catering is de vzw verantwoordelijk. De administratie heeft de nodige voorbereidende ondersteuning gegeven, maar de vzw Muntpunt moet bekijken wat de beste formule is.

SD 9 – Welzijn en gezondheid: een zorgaanbod verzekeren met aandacht voor Nederlandskundige voorzieningen

OD 9.3 – Zorg voor senioren blijven vernieuwen

Ook mevrouw Ann Brusseel vindt dat de zorg om senioren ter plaatse trappelt. Het regeerakkoord heeft tal van voorzieningen in het vooruitzicht gesteld. Er werd geïnvesteerd in het woonzorgproject in Evere, in Solidariteit voor het Gezin in Anderlecht. Dat is toe te juichen. Zoals collega Arckens zei moet de nodige aandacht aan de zorgvoorzieningen geschonken moeten worden. Spreekster hoopt dat er in 2012 wat werk in de diepte geleverd kan worden.
Ook dit behoort in eerste instantie tot de bevoegdheid van de desbetreffende vakminister, antwoordt minister Pascal Smet. Hij heeft alle concrete initiatieven in het kader van woonzorg die werden voorgelegd, gehonoreerd. Er moeten natuurlijk concrete projecten ingediend worden.

OD 9.4 – Gezondheidsvoorzieningen structureel laten samenwerken
In verband met het Huis voor Gezondheid meent mevrouw Ann Brusseel dat het belangrijk is dat de Vlaamse Brusselaar op herkenbare plaatsen in Brussel voor zorg terecht kan. Het lid vraagt zich wel af of het Huis voor Gezondheid niet bijdraagt tot een proliferatie van koepels en steunpunten, platforms, huizen … Zal de Brusselaar er nog zijn weg naar toe vinden?
De minister vindt het Huis voor Gezondheid wel een toegevoegde waarde in Brussel.

SD 10 – Onderwijs en jeugd: de slaagkracht en omkadering van het onderwijs verhogen om kinderen en jongeren in de stad maximale ontplooiingskansen te geven

De minister wil werk maken van een loopbaanplan voor leerkrachten. Mevrouw Ann Brusseel beaamt dat het moeilijk is leerkrachten aan te trekken naar Brussel; nog moeilijker is het om ze te behouden. Dat geldt trouwens voor andere beroepen ook. Het is echter nog steeds niet duidelijk hoe de minister deze grote uitdaging precies wil aanpakken. Twee jaar geleden werd daarover al gediscussieerd in deze commissie. Staat de minster ondertussen verder in zijn standpuntbepaling?
Het lid vernam verder graag of ook de onderwijswereld vertegenwoordigd is in de ambtelijke werkgroep voor de uitwisseling van ‘native speakers’. Kwam de werkgroep al bijeen? Het lid zou het een gemiste kans vinden als de mensen uit het onderwijsveld zelf niet geconsulteerd worden.

Mevrouw Ann Brusseel heeft nooit over een Brusselpremie gesproken. Ze had gehoopt op een concrete visie over het aantrekken en behouden van leerkrachten naar/in Brussel.

OD 10.2 – Gerichte uitbreiding van het onderwijsaanbod

Ook mevrouw Ann Brusseel kreeg graag een stand van zaken betreffende de capaciteitsproblematiek in het onderwijs.

Antwoord
De minister meent dat het hele debat niet moet worden overgedaan. De standpunten zijn gekend. Ondertussen is er nog niet veel verandering in gekomen. Ook niet inzake de coördinatiefunctie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het BHG moet coördineren, de gemeenschappen moeten uiteraard bevoegd blijven. Er kan samengewerkt, uitgewisseld worden. Alleen: it takes two to tango, en de tangopartner blijft te vaak afwezig.
Voor de bijkomende plaatsen die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met veel poeha heeft aangekondigd, stuurt het dan wel de factuur naar anderen door want eenmalige capaciteitsuitbreiding is een ding, maar daar staat natuurlijk ook een jaarlijkse werkings- en personeelskost tegenover.
De minister wil dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest meer regie neemt op het vlak van infrastructuur opdat (nieuwe) scholen goed gespreid worden. Bovendien zullen gebouwen omgevormd moeten worden tot scholen en het BHG is bevoegd voor vergunningen, inplantingsbeleid enzovoort, allemaal harde gewestbevoegdheden. Dat is niet in strijd met het beroep dat de Vlaamse Regering heeft aangespannen tegen het BHG. Daar heeft het BHG een techniek gebruikt waarbij ze rechtstreeks met gewestmiddelen een gemeenschapsbevoegdheid uitoefent. Als ze het geld aan de gemeenschapscommissies hadden gegeven die het op hun beurt aan onderwijs gaven, was het wettelijk in orde. De minister begrijpt nog steeds niet waarom ze die techniek niet gebruikt hebben. Een openbaar bestuur moet de juiste juridische technieken hanteren.

OD 10.3 – Initiatieven Brede School ondersteunen

Mevrouw Ann Brusseel staat volledig achter de oproep – samen met de VGC – naar de gemeenten die werk willen maken van een bredeschoolwerking. Blijkbaar gaat dit ook niet erg vooruit. De minister hoopt dat het lid zich goed geïnformeerd heeft vooraleer ze deze vraag stelt. Mevrouw Ann Brusseel zegt zich te willen informeren bij de minister.

De minister wacht al maanden tot het VGC een eensgezind standpunt inneemt. Alle Vlaamse schepenen zijn het met de minister eens om vanuit de Vlaamse Gemeenschap aan de gemeenten een bredeschoolcoördinator toe te kennen. De minister hoopt eerstdaags het antwoord te krijgen van de VGC. De vertraging ligt dus aan het feit dat de minister wil samenwerken. Het heeft tot gevolg dat de 750.000 euro dit jaar niet kan worden uitgegeven. De minister heeft er wel voor gezorgd dat de middelen volgend jaar gebruikt kunnen worden.

Mevrouw Ann Brusseel zegt zich te zullen inzetten om de problemen beter bespreekbaar te maken tussen de VGC en de lokale overheden en misschien tussen de minister en de VGC. Hopelijk komt er een doorbraak.

3. Moties van aanbeveling
Mevrouw Ann Brusseel kondigt tot besluit van de bespreking van de beleidsbrief Brussel een motie van aanbeveling aan, alsook de heer Erik Arckens.

4. Indicatieve stemming
De aan de commissie toegewezen artikelen 15 (AB0/1AG-I-2-A/WT tot AB0/1AG-I-2-B/WT, AB0/1AG-I-2-Z/IS) en 140 en de begrotingstabellen wat programma AG Coördinatie Brussel (beleidsdomein A Diensten voor het algemeen regeringsbeleid) betreft (zie opsplitsing begrotingsverslag commissie Algemeen Beleid, Financiën en Begroting, Parl. St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 15/4), worden met 7 stemmen tegen 1 bij 3 onthoudingen aangenomen.