Bespreking Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010-2014 in de commissie Brussel

Tijdens de bespreking van het Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010-2014 in de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand uitte Ann Brusseel haar bezorgdheid over verschillende specifieke punten waarmee Brussel te kampen heeft (woonzorg, armoedebestrijding bij ouderen, diversiteti, kost residentiële ouderenvoorzieningen,…).

Tijdens de bespreking van het Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010-2014 in de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand uitte Ann Brusseel haar bezorgdheid over verschillende specifieke punten waarmee Brussel te kampen heeft (woonzorg, armoedebestrijding bij ouderen, diversiteti, kost residentiële ouderenvoorzieningen,…).

Mevrouw Ann Brusseel is bezorgd over het ouderenbeleid, meer bepaald de woonzorg, in Brussel. Het lid heeft vragen met betrekking tot de Brusselse situatie. Voor informatie, inspraak en participatie zou er samengewerkt worden met lokale besturen. Zij zouden gestimuleerd worden om op zoek te gaan naar ouderen die hun rechten niet benutten en hen toe te leiden naar hulpverlening. Is er al overleg geweest met de Brusselse instanties en lokale besturen? Hoe gaat dat in zijn werk?

Armoedebestrijding in Brussel heeft meer aandacht nodig, vindt mevrouw Brusseel. Zal het decreet Sociale Bescherming ook in Brussel toegepast worden, op de manier zoals de zorgverzekering kan worden toegepast?

Hoe zal men de kosten voor residentiële ouderenvoorzieningen concreet begrenzen? Dat zou er toe moeten leiden dat de kostprijs gereglementeerd wordt en dat op termijn de kostprijs het inkomen van de resident niet overschrijdt. Hoe kunnen de Vlamingen beschermd worden die niet in een Nederlandstalige voorziening terechtkomen? De Open Vld-fractie wil de armoede in Brussel structureel verminderen, op een voor Brussel passende manier. Hoe kan dat concreet gerealiseerd worden met de institutionele versnippering, zowel intern, als in de verhouding tussen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de andere regio’s?

Diversiteit is voor Brussel meer dan essentieel, meent mevrouw Brusseel. Het Vlaams Ouderenbeleidsplan kondigt voor 2011 aan dat een visie op interculturaliteit wordt ontwikkeld en dat ‘good practices’ in kaart worden gebracht. Kan de minister daar al een stand van zaken van geven? Voor Brussel moet worden nagegaan hoe in de ouderenzorg een beroep kan worden gedaan op allochtone werkkrachten. Het zorgberoep moet aantrekkelijker gemaakt worden. Er wordt personeel uit andere Europese landen naar hier gehaald voor zorgberoepen. Is er gezien de werkloosheid al overleg gepleegd met Actiris? Wordt gedacht aan bijkomende beroepsopleiding? Zo ja, op welke wijze?

In Vlaanderen worden griepvaccins kosteloos ter beschikking gesteld. Hoe kan dat voor Brussel in zijn werk gaan, vraagt mevrouw Brusseel. Er wordt een actieplan opgesteld ter verbetering van de vaccinatiegraad tegen seizoensgriep. Voor de thuiswonende ouder wordt een aparte aanpak voorzien voor Brussel, via personeel van rustoorden, maar ook van thuiszorg- en verpleging. Het lid denkt dat onder meer Solidariteit voor het Gezin een dergelijk project heeft in Molenbeek. Zijn er al contacten geweest tussen de diensten van de minister en dat project? Het lid is verheugd over de aangekondigde Staten-Generaal woonzorg-Brussel. Werden er al concrete actiepunten voor die Staten-Generaal uitgewerkt? Is er een tijdspad voorzien? Zullen de noden in kaart gebracht worden en zal een meerjarenplanning opgesteld worden? Kan het parlement daar zicht op krijgen?

In verband met de dienstverlening wordt de nood aan een gecentraliseerde virtuele loketfunctie en een centraal infonummer onderzocht. Mevrouw Brusseel vraagt of er al resultaten bekend zijn van dat onderzoek.

Antwoord van de minister
De heer Jo Vandeurzen, Vlaams minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bekent nog in ‘de lerende fase’ te zitten wat de Brusselse context betreft. Welzijnsbeleid in de Brusselse context is moeilijk. De idee van de gemeenschapsbevoegdheden is sterk gebonden aan de idee dat men ze via voorzieningen en instellingen organiseert. Naarmate men in de welzijnssector meer en meer persoonsgebonden redeneert, ontstaat er in Brussel discussie over het aanknopingspunt. De trend in de welzijnssector naar meer persoonsgebonden benadering is dus niet eenvoudig in de Brusselse context. De problematiek inzake niet-Nederlandstalige instroom in het onderwijs doet zich ook voor bij kinderopvang, Vlaamse woonzorgcentra en tal van initiatieven die vanuit Vlaanderen via de gemeenschapsbevoegdheid worden meegenomen.

Voor het decreet Sociale Bescherming is men niet aan zijn proefstuk toe; de minister verwijst naar de ervaringen met de zorgverzekering. Natuurlijk moet het decreet Sociale Bescherming van toepassing zijn op de Brusselaars die zich op een of andere manier in het systeem van de Vlaamse sociale bescherming situeren. Naarmate het welzijnsbeleid veel meer de nadruk legt op een geïntegreerde aanpak Wonen-Welzijn komen er meer vragen over de mogelijke aanpak in de Brusselse context waar de beleidsdomeinen niet meer behoren tot de actieradius van de Vlaamse overheid. Dat betekent meer overlegstructuren en meer complexiteit.

Hoe komt het dat programmaties niet ingevuld worden? De minister maakt een onderscheid tussen Brussel, de Vlaamse Rand en Vlaams-Brabant. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met het feit dat lokale actoren de samenwerking met vanuit de Vlaamse regelgeving erkende voorzieningen niet ter harte nemen, de thuiszorg bijvoorbeeld. Het heeft ook te maken met de kostprijs van de investeringen. VIPA is een betoelagingsinstantie die niet zelf op zoek gaat naar actoren, maar wacht op kandidaten die een beroep doen op financiering vanuit de overheid. Blijkbaar zijn er weinig socialprofitvoorzieningen in het Brusselse die dat soort vraag stellen of die opkijken tegen een hele specifieke investeringskost, en dat in een grootstedelijke context die niet evident is. Dat is voor de minister ook deels de verklaring van de zogenaamde blinde vlekken in de Vlaamse Rand. De minister heeft vanzelfsprekend ook de verslagen van de provincie Vlaams-Brabant gelezen. Vlaams-Brabant vindt de ‘Limburgtaktiek’ nu uit: ze vergelijken het aanbod in Vlaams-Brabant met dat in de rest van Vlaanderen. Dat is een legitieme aanpak. In de programmatie is er ruimte; jaarlijks wordt gezocht naar bereidwillige initiatiefnemers in Vlaams-Brabant. Men stoot er inderdaad op de grondprijzen. Misschien moet op lokaal en provinciaal niveau bekeken worden hoe in een aantal zaken corrigerend opgetreden kan worden. Toen in Limburg werd vastgesteld dat er een serieuze achterstand was in de woonzorgcentra heeft men de kritische factoren onderzocht waarop men moet inwerken om een en ander te faciliteren. Een specifieke benadering is voor een aantal zaken zeker te verantwoorden.

Concreet over de betrokkenheid van de Brusselse actoren bevestigt de minister dat er voor het ouderenbeleidsplan en het sociaal beleid, voor welzijn in het algemeen, overlegstructuren zijn met de VGC en met Brussels minister Brigitte Grouwels bevoegd voor Welzijn. Via de lokale sociale beleidsplannen worden de lokale besturen betrokken. Het is absoluut de ambitie om het decreet Sociaal Beleid van toepassing te maken op Brussel. De twee woonzorgcentra die binnen Vlaamse bevoegdheid vallen krijgen gratis vaccins. Dat zijn de aanknopingspunten om daar beleid te voeren. Het systeem van de maximum eigen bijdrage in de residentiële zorg zal nog niet operationeel zijn de eerste jaren. Onmiddellijk rijst de vraag: is dat persoonsgebonden of instellingsgebonden? Als men enkel via prijsbeleid impact kan uitoefenen is men beperkt tot het geringe aantal Brusselse woonzorgcentra waar men een dergelijk flankerend beleid kan voeren. Het is dus complex.

Wat het armoedeoverleg aangaat, is er een taskforce operationeel bestaande uit vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap en de VGC, op het ambtelijke niveau. Tegen 30 juni 2011 zal de taskforce een grondige omgevingsanalyse presenteren met gemeenschappelijke doelstellingen, de ontwikkeling van een gemeenschappelijk meet- en weetinstrument, en de manier waarop de Brusselnorm geïmplementeerd zal worden. Ook de thema’s programmatie van gemeenschapsinstellingen en taalbeleid komen aan bod. Een aandachtspunt dat betrekking heeft op armoedebeleid is toegevoegd.

Als de vraag om de betrokkenheid van de Vlaamse Rand legitiem is, heeft de minister daar geen problemen mee. Met collega Pascal Smet en minister Brigitte Grouwels zal bekeken worden in welke mate de scoop van de Staten-Generaal uitgebreid kan worden.

Over de problematiek van de interculturaliteit in de zorgsector probeert de Vlaamse overheid overleg te organiseren tussen de middenveldorganisaties van de allochtone gemeenschappen en de zorgsector. Dat zit nog niet in het stadium van de rapportering.

Het plan over de zorgberoepen zal ook op de Brusselse context gericht worden. Het is evident dat gepoogd wordt jonge mensen in Brussel te interesseren voor zorgberoepen. Dat is geen eenvoudig verhaal.

De timing voor de Staten-Generaal over de woonzorg is 2012. De programmastudie die daarvoor een belangrijke basis zal zijn, wordt momenteel op ambtelijk niveau voorbereid. Er worden heel wat ministers betrokken, ook Brussels staatssecretaris Emir Kir, binnen de COCOF bevoegd voor Gezin. Het is de bedoeling het breed te bekijken.

Ingaand op de vraag van mevrouw De Vits en de heer Dehaene antwoordt de minister verder dat een eerste rapporteringsmoment over het ouderenbeleidsplan wordt voorzien in het najaar 2011.

Minister Vandeurzen beaamt voorts dat de Brusseltoets werd toegepast op het ouderenbeleidsplan. Het plan werd voorgelegd aan minister Pascal Smet die coördinerend minister is voor Brussel. De Brusseltoets zal ook toegepast worden op de indicatoren en de rapportering.

Gezien de problematiek van dementerenden heeft men er alle belang bij om de Vlaamse voorzieningen in Brussel behoorlijk uit te bouwen. De minister is zich daarvan bewust. In de meeste programmaties zijn er als het ware voorafnames om aan Brussel prioriteit te kunnen geven.

De minister bevestigt dat het de bedoeling is om ook de Brusselse minister van Huisvesting te betrekken bij de Interdepartementale cel Wonen-Welzijn.


Repliek van de leden met antwoord van de minister
Mevrouw Ann Brusseel blijft nog wat op haar honger zitten. De minister erkent de complexiteit van de materie, maar het lid had graag vernomen of het overleg al concrete resultaten had, over woonzorg, over een tijdspad. Er is nog geen rapport over de interculturele kwestie, maar het lid had graag een visie bij de minister ontwaard. Hij spreekt over investeringen van Vlaanderen in gemeenschapsvoorzieningen in Brussel en de concurrentie met de Franse Gemeenschap, maar het lid weet niet hoe ze de visie van de minister moet interpreteren. Wil de minister weten hoeveel ‘echte Vlaamse’ Nederlandstalige Brusselaars gebruik maken van de voorzieningen? Hij verwijst immers naar de situatie in het onderwijs. Daar zijn ook veel niet-Nederlandstalige leerlingen. Alludeert de minster dat Vlaanderen die inspanning niet zou moeten leveren? Het lid begrijpt dat men de honderd percent voor de thuiszorg niet kan halen. Is er overleg met de OCMW’s en gemeenten? Het lid beschouwt dit als een dringende zaak. Het lid had graag ook meer concrete cijfers en data gekregen inzake de realisatie van de woonzorgzones.

Minister Jo Vandeurzen verontschuldigt zich dat hij niet concreter kan zijn, maar in juni 2011 zal er een grondig debat gevoerd kunnen worden op basis van een status quaestionis. De minister zegt dat mevrouw Brusseel niet meer moet zoeken achter zijn uitspraken. Hij stelt alleen vast dat naarmate men in de welzijnssector evolueert van een instellingsgebonden naar een persoonsgebonden benadering, men een ander beleidskader krijgt dat in de Brusselse context niet zomaar te hanteren is. Inzake VIPA antwoordt de minister dat er organisatorisch vermogen nodig is om een initiatief te nemen. Er is een vzw met ervaring nodig die kan prefinancieren, die over knowhow beschikt, die een dossier kan trekken. Zijn die geïnteresseerde initiatiefnemers aanwezig? Concreet voorbeeld: is een initiatiefnemer in Halle geïnteresseerd om in Brussel een bijkomend initiatief te starten? Ten tweede is de regelgeving voor de initiatiefnemers ontzettend ingewikkeld. Ten derde moet een initiatief een draagvlak hebben, de nodige stedenbouwkundige vergunningen krijgen enzovoort. Het traject van zo’n dossier moet opgevolgd worden. Dit zijn elementen die de minister intuïtief vermoedt als mogelijke hinderpalen voor initiatiefnemers in Brussel. Het is moeilijk om exact de redenen te kennen waarom de initiatieven niet van de grond komen. Voor de thuiszorg bijvoorbeeld, probeert de Vlaamse overheid initiatiefnemers warm te maken om in Brussel te investeren en hen op de financiële steun te wijzen. Men moet wel rekening houden met het feit dat men het traditionele bestuurlijke kader niet aantreft in Brussel zoals in Vlaanderen. Men moet meer evolueren naar een netwerksysteem dat op zijn eigen merites zaken kan dragen, omdat de natuurlijke aansluiting bij het lokale draagvlak in Brussel niet aanwezig is zoals in Vlaanderen.

Lees hier het volledig verslag van de bespreking van het Vlaams Ouderenbeleidspalen 2010-2014 in de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand. (Stuk 686 nr 3)