Ann stelt bijkomende vragen aan minister Vandeurzen over holebidiscriminatie in de pleegzorg

In de commissie Welzijn van 26 maart 2013 (VOU 1289) ondervroeg ik de minister over het verzoek van de Turkse overheid en Turkse ouders om homoseksuele pleegouders te mijden bij de plaatsing van Turkse kinderen in de pleegzorg. De vzw Opvang had immers in de media laten verstaan hierin geen enkel probleem te zien. Ook de minister ziet hier geen graten in. Hij verwees naar het nieuwe decreet inzake pleegzorg en stelde dat het belang van het kind en de “morele ontwikkeling” ervan centraal moeten staan. Onder die morele ontwikkeling wordt ook de religieuze beleving verstaan. De minister stelde in zijn antwoord letterlijk dat het ingaan op deze eisen “volledig conform het Gelijke Kansenbeleid is van de Vlaamse Regering”.

Quid andere landen?

Ik wou weten of ook al door  andere landen analoge vragen werden gesteld om kinderen vanuit hun religieus en cultureel oogpunt niet onder te brengen bij homoseksuele pleegouders.  Dit was niet het geval.

Quid Yogjakartha-principes?

Volgens minister Vandeurzen werden er door de Turkse overheid geen eisen gesteld en werden er geen toegevingen gedaan. De regelgeving die voortvloeit uit het decreet van 7 maart 2008 betreffende de bijzondere jeugdbijstand alsook deze die volgt uit het decreet van 29 juni 2012 houdende organisatie van pleegzorg stelt in deze materie het belang van het kind centraal naast inspraak en participatie vanwege de opvoedingscontext van het kind. Deze regelgeving biedt een ruime en voldoende basis om de uitvoering van het Gelijke Kansenbeleid van de Vlaamse Regering te garanderen en de Yogjakarta-principes te respecteren.

Wat met kinderen van Turkse origine die hier geboren zijn en de Belgische nationaliteit hebben?

De relaties tussen de Belgische overheden en de Turkse republiek worden onder meer geregeld door het “Verdrag van Wenen inzake consulair verkeer van 17 juli 1970” en de “Consulaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Turkije” ondertekend te Ankara op 28 april 1972. In het algemeen kan gesteld worden dat de specifieke overeenkomsten wat meer gedetailleerd zijn dan het verdrag van Wenen.

Waar het in deze overeenkomsten over “onderdanen van de zendstaat” gaat, staat vast dat de bevoegdheid van de consul beperkt is tot die personen die enkel de nationaliteit van deze zendstaat bezitten. Wanneer een persoon (ook) over de nationaliteit van de “verblijfstaat” beschikt is er geen basis om de betrokken overeenkomsten in te roepen.

De meeste kinderen van Turkse afkomst die in ons land wonen hebben ook de Belgische nationaliteit en behoren dus niet tot de doelgroep van de vermelde overeenkomsten.

Reactie Ann Brusseel

 

In bijlage kunt u de parlementaire vraag SV 399 van 29 maart 2013 over de vraag van de Turkse overheid mbt pleegzorg voor Turkse kinderen lezen.

Lees ook het verslag van mijn vraag om uitleg aan minister Vandeurzen in de commissie welzijn over dit thema.

Lees ook het verslag van mijn interpellatie aan minister Smet in de commissie Gelijke Kansen over dit thema.