Ann ondervraagt minister over holebivriendelijk onderwijs

Eind augustus drong de topman van het stedelijk onderwijs in Brussel er tijdens het sollicitatiegesprek van een homoseksuele leerkracht op aan discreet te blijven over zijn geaardheid. Ann Brusseel uitte haar verontwaardiging in een opiniestuk, maar stelde ook een schriftelijke vraag aan de Vlaamse minister van Onderwijs om dergelijke onzin in het Vlaams onderwijs te voorkomen. In haar antwoord stelt de minister ondubbelzinnig dat seksuele identiteit niets van doen heeft met iemands neutraliteit. Ann vroeg ook of de minister zal vasthouden aan de twee gedetacheerde leerkrachten die netoverschrijdend mogen werken aan de ontwikkeling van genderbewuste en holebivriendelijke schoolomgevingen. Spijtig genoeg kan de minister de toekomst van het project (nog) niet garanderen.

‘Het zal afhangen van de afweging die voor alle detacheringen gebeurt’, stelt de minister. De evaluatie is pas voorzien in het voorjaar 2015. ‘We gaan er alleszins op toekijken dat dit initiatief in de toekomst alle kansen krijgt’, stelt Ann Brusseel. ‘Het is van fundamenteel belang dat scholen ondersteuning krijgen voor het ontwikkelen van een holebivriendelijke omgeving. We weten al te goed uit onderzoek dat heel wat jongeren negatief staan ten aanzien van homoseksualiteit.’

Het goede nieuws is dat er sinds het onderzoek in Klasse vorig jaar, waaruit bleek dat veel ouders vinden dat de school te kort schiet op het vlak van seksuele en relationele opvoeding, al een aantal zaken gebeurd zijn. ‘Ik ben vooral opgetogen over het feit dat Sensoa hierover gesprekken heeft aangeknoopt met lerarenopleiders en nu werkt aan een draaiboek dat lerarenopleiders op maat kunnen gebruiken’, zegt Ann Brusseel. ‘Het blijft voor heel wat leerkrachten een delicaat onderwerp. Ook de minister erkent in haar antwoord trouwens dat ze zich kan voorstellen dat niet iedereen zich geroepen voelt om relationele en seksuele vorming aan leerlingen te geven. Zelf wijst ze dan op de autonomie van de scholen om uit te maken welke maatregelen het best ter ondersteuning worden genomen, maar zo’n draaiboek in de lerarenopleiding kan het probleem bij de wortel aanpakken.’

Voorts had Ann Brusseel ook ongerustheid uitgedrukt over het feit dat sommige scholen een beroep doen op niet erkende organisaties om de voorlichting te geven. ‘Zolang het gaat over organisaties als Sensoa, die wetenschappelijk en professioneel werken, is dat uiteraard een pluspunt, maar het wordt ronduit gevaarlijk als conservatieve organisaties als Pro Vita foutieve informatie over seksualiteit en liefde in de scholen gaan verkondigen. Daarop stelde de minister dat gewerkt wordt aan een betere samenwerking met externe organisaties om dit soort toestanden te voorkomen.’

Wat de vraag over de onderwijsinspectie betrof, was het antwoord van de minister eerder formeel: de inspectie is autonoom. ‘Vanzelfsprekend begrijp ik de minister als ze de autonomie van de inspectie inroept om te bepalen of eindtermen worden gehaald of nagestreefd, maar het feit dat de inspectie geen uitspraak doet over de methoden om de eindtermen te halen, bestendigt nog altijd het risico dat scholen zelf een conservatieve kijk op seksualiteit en relatievorming kunnen doordrukken of er een beroep voor doen op conservatieve organisaties.’