Ann Brusseel vraagt Minister Smet naar resultaten bevraging scholen co-schoolschap

Naar aanleiding van de discussie over de problematiek van het co-schoolschap in de Commissie Onderwijs van 9 december 2010 kondigde de minister aan dat hij de directies in het basisonderwijs zou bevragen om de omvang van het probleem in kaart te brengen. De resultaten zouden op het einde van januari 2011 beschikbaar zijn. Ann Brusseel vroeg naar de resultaten van deze bevraging.

Naar aanleiding van de discussie over de problematiek van het co-schoolschap in de Commissie Onderwijs van 9 december 2010 kondigde de minister aan dat hij de directies in het basisonderwijs zou bevragen om de omvang van het probleem in kaart te brengen. De resultaten zouden op het einde van januari 2011 beschikbaar zijn. Ann Brusseel vroeg naar de resultaten van deze bevraging.

Resultaten bevraging coschoolschap

Alle kleuterscholen, lagere en basisscholen die wilden konden deelnemen aan de bevraging die via een beveiligde toegang is verlopen. 696 scholen of 27% hebben geantwoord. Het is niet te achterhalen of de antwoorden zomaar geëxtrapoleerd kunnen worden naar alle scholen van het basisonderwijs maar zeker is wel dat niet alle scholen met kinderen in co-schoolschap hebben geantwoord. Zo is de bevraging bijvoorbeeld maar bij 4 kinderen door beide scholen ingevuld.

Van de 696 scholen die hebben geantwoord, zijn er 17 scholen met kinderen die in twee scholen zitten. In totaal gaat het om 14 kleuters tussen 2,5 jaar en 5 jaar en 3 lagere schoolkinderen tussen 6 en 12 jaar. Voor 6 kinderen wordt er wekelijks een schoolverandering (uitschrijven in de ene school en inschrijven in de andere) opgesteld. Voor eveneens 6 kinderen worden er afspraken gemaakt in welke school de leerling financierbaar/subsidieerbaar is. Bij 1 kind worden beide manieren gebruikt. De overige volgen een ander regime dan week om week of er is geen overeenkomst.

Effect op het kind

De scholen geven aan dat dit voor het kind geen gunstige situatie is. Veelal is het ook moeilijk communiceren met de ouders. Naast de praktische problemen, is ook de omslachtige administratie van schoolveranderingen een verzuchting. Voor één van de twee scholen met een kind in co-schoolschap is het kind daarenboven niet financierbaar/subsidieerbaar. Meerdere scholen hebben aangegeven dat ze in het verleden al kinderen in een dergelijk regime van co-schoolschap hebben gehad. Enkele scholen hebben van ouders ook al de vraag naar co-schoolschap gekregen maar zijn daar niet op ingegaan.

Regelgevende maatregel?

Ann Brusseel: " Tijdens de discussie in commissie stelde de minister dat afhankelijk van de omvang van het probleem dit probleem geregeld zou worden via een omzendbrief of via Onderwijsdecreet XXI. Nu het probleem beter in kaart werd gebracht wou ik weten welke wettelijke aanpak de Minister voorziet. Minister Smet antwoordde mij dat hij zijn administratie de opdracht gaf om na te gaan of co-schoolschap niet onmogelijk kan worden gemaakt door een eenvoudige ingreep in de regelgeving. Momenteel is het dus nog onduidelijk hoe dit verankerd kan worden in de regelgeving."

Ann Brusseel: " Ik hoop dat de Minister snel tot een regelgevende oplossing zal komen. Co-schoolschap is een onaanvaardbare evolutie. ui de resultaten van de bevraging van de scholen blijkt nogmaals dat dit zeer nadelig is voor de kinderen. Gescheiden mensen zijn vrij om in het leven een nieuwe richting in te slaan. Maar zij moeten de gevolgen daarvan zelf dragen, ze mogen de gevolgen niet afwentelen op hun kinderen." 

Lees hier het volledig verslag van de parlementaire vraag (SV 242) over de omvang van co-schoolschap.