Ann Brusseel vraagt een efficiëntere aanpak van discriminatie in discotheken en danscafés

Mevrouw Ann Brusseel : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, binnen een aantal duidelijke grenzen mogen discotheken en danscafés zelf bepalen wie binnen mag en wie niet. Om dat te controleren, mogen ze een portier aan de ingang zetten. Maar dat recht houdt geen absolute vrijheid in.

Sinds 1981 is er een antiracismewet, en op basis van die wet kan een discotheek bezoekers niet weigeren alleen maar omdat ze een andere huidskleur hebben of omdat ze van allochtone origine zijn.

Mevrouw Ann Brusseel : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, binnen een aantal duidelijke grenzen mogen discotheken en danscafés zelf bepalen wie binnen mag en wie niet. Om dat te controleren, mogen ze een portier aan de ingang zetten. Maar dat recht houdt geen absolute vrijheid in.

Sinds 1981 is er een antiracismewet, en op basis van die wet kan een discotheek bezoekers niet weigeren alleen maar omdat ze een andere huidskleur hebben of omdat ze van allochtone origine zijn.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) ontving in de periode 2003-2008 258 klachten inzake een discriminerend deurbeleid van megadancings en danscafés. Deze klachten, samen met de resultaten uit andere onderzoeksmethoden, praktijktesten, enquêtes en dergelijke, geven aan dat er wel degelijk sprake is van een maatschappelijk probleem. De antiracismewet is ontoereikend om deze specifieke vorm van discriminatie tegen te gaan. De kans tot een veroordeling is erg klein. Als het al tot een veroordeling komt, dan is het meestal de portier die beboet wordt, terwijl de uitbater veelal vrijuit gaat.

Daarom heeft het CGKR tien aanbevelingen geformuleerd voor een efficiëntere aanpak van discriminatie in discotheken en danscafés. Ik zal niet alle tien de aanbevelingen opsommen omdat een aantal aanbevelingen specifiek bestemd zijn voor de gemeenten, de uitbaters van dancings en danscafés en de politie en het Openbaar Ministerie.

Het CGKR pleit vooral voor samenwerking, contact en overleg tussen alle partijen – overheid, uitbaters, politie en jongeren. Deze samenwerking zou bij voorkeur moeten leiden tot een horecapact waarin een aantal zaken zijn vastgelegd. Ten eerste mogen uitbaters en portiers voortaan alleen duidelijke huisregels stellen aan het gedrag en de kleding van bezoekers. Ten tweede moet aan geweigerde bezoekers verteld worden op basis van welke criteria ze werden geweigerd. Ten derde ziet een overlegplatform met vertegenwoordigers van de gemeente, meldpunt discriminatie, CGKR, politie, horeca, parket en jongeren toe op de naleving van de gemaakte afspraken. Ten vierde worden uitbaters jaarlijks verplicht om verslag uit te brengen over de wijze waarop ze het beleid hebben uitgevoerd. En ten vijfde worden jongeren betrokken bij de evaluatie van dat beleid.

Mijnheer de minister, ik ben er mij bewust van dat het hier om een ruim maatschappelijk probleem gaat dat niet beperkt is tot de Vlaamse Gemeenschap, maar toch zou ik graag het volgende willen vragen. Bestaan er over discriminatie van jongeren in het algemeen en van uitsluiting tot het uitgaansleven in het bijzonder samenwerkingsakkoorden met andere overheden, federale, lokale enzovoort? Zo ja, welke? Zo neen, zijn er plannen om hierover in de toekomst samen te werken? Hoe staat u tegenover de aanbevelingen van het CGKR?

De heer Jan Roegiers : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dames en heren, ik ben naar deze commissievergadering gekomen om me aan te sluiten bij de bezorgdheden van mevrouw Brusseel. De collega’s die hier al wat langer meedraaien, weten dat we het al vaak gehad hebben over discriminatie in discotheken en danscafés. Het is een oud probleem. Ik zat nog in de eerste jaren van het secundair onderwijs toen daar al acties tegen gevoerd werden.

Het concrete voorbeeld dat ik wil aanhalen, was misschien wel symptomatisch. Ons scoutslokaal lag naast een bordeel. Op de deur hing een bordje: ‘Accès interdit aux chiens et Nord-Africains’. Dat was geen uitzonderlijk beeld. Met de Antiracismewet zijn zulke bordjes verboden, terecht, maar de praktijk is gedeeltelijk blijven bestaan, tot op vandaag zelfs. Ik vind dat we alle middelen moeten inzetten om discriminatie in het algemeen, en zeker deze vorm ervan, te bestrijden. Dit is een vieze vorm van discriminatie omdat jongeren worden uitgesloten van gewoon plezier. We moeten alles doen om dat te vermijden.

Ik wil tegelijk zeggen dat ik besef dat er vaak problemen zijn met jongeren, en vaak zijn het dan ook nog allochtone jongeren. Maar er zijn niet enkel problemen met alleen maar allochtone jongeren. Op grond van huidskleur of geloofsovertuiging mensen zomaar de toegang weigeren, kunnen we niet aanvaarden.

Tijdens de vorige legislatuur hebben verschillende ministers inspanningen gedaan. Ik denk in de eerste plaats aan de meldpunten van toenmalig minister Van Brempt. Hoe staat het daarmee, mijnheer de minister? Kunnen ze dergelijke problemen effectief opvangen? Wat zijn de resultaten daarvan?

Voormalig minister Keulen heeft naar aanleiding van een incident met de heer Mahassine – hem was in een café de toegang geweigerd en hij heeft daar een rechtszaak van gemaakt – een horecacharter aangekondigd. Het is me niet duidelijk wat daarvan geworden is. Dat zou gebeuren in overleg met Ho.Re.Ca Vlaanderen en met de uitbaters. Gelukkig zijn niet alle cafébazen racisten. Is er zo’n charter gekomen, mijnheer de minister? Hoe gaat dat in zijn werk?

Mevrouw Brusseel is niet in detail getreden, maar voor een efficiëntere aanpak van discriminatie van allochtone jongeren in dancings en danscafés heeft het CGKR een persdossier opgesteld. Ik geloof dat dat in samenwerking met Kif Kif en andere allochtone verenigingen gebeurde. Het omvatte aanbevelingen aan de gemeenten. Ik vind dat we het moeten opentrekken naar de Vlaamse bevoegdheden. Eén voorstel was de installatie van informeel toezicht in uitgangsbuurten. Dat is niet zo formeel als een meldpunt, maar het vraagt wel inspanningen. Men zou getrainde teams laten opereren in de uitgaansbuurten. Ze moeten herkenbaar en gekend zijn door de jongeren. Dit initiatief komt uit Nederland. Het inzetten van deze mensen heeft vooral een sussend karakter, ze worden ‘susteams’ genoemd. De jongeren kunnen zelf onmiddellijk bij deze teams terecht, die onmiddellijk ter plaatse gaan en proberen te bemiddelen tussen de horeca-uitbater die een groepje weigert en de jongeren zelf. Mijnheer de minister, ook al werd dit opgenomen in de aanbevelingen voor de gemeenten, kan het Vlaamse Gewest daar een bijdrage aan leveren? Misschien kan dat via een proefproject in een van de Vlaamse steden waar regelmatig problemen zijn.

De heer Boudewijn Bouckaert : Ik heb zelf al gelijkaardige situaties meegemaakt. Ik draai mee in een Erasmusprogramma. Daar nemen studenten van allerlei huidskleur en herkomst aan deel. Om die periode af te sluiten, gaan we eens uit in Gent, nietwaar Fatma? Ik heb al meegemaakt dat andersgekleurde studenten aan de discotheek werden geweigerd. Ik vond dat triestig en vreselijk. Ik vind dat dat niet kan.

Aan de andere kant wordt een allochtoon niet altijd en uitsluitend geweigerd omdat hij allochtoon is. Er kunnen andere redenen zijn om de toegang te weigeren, zoals veiligheid en kledij. In veel dancings in Gent zijn er vaak te veel jongens. Als Turkse jongeren uitgaan, mogen de meisjes niet mee. De genderbalans in een dancing moet min of meer in evenwicht zijn. Als tachtig jongens begerig zitten te kijken naar twintig meisjes is dat geen werkbare situatie meer.

Dergelijke problemen zijn er dus ook. We mogen er niet per se van uitgaan dat het weigeren van bepaalde personen door racisme is ingegeven, het heeft vaak ook te maken met andere zaken. Daarom pleit ik ten zeerste voor overleg met de discotheek- en dancinguitbaters. We mogen geen keurslijf opleggen dat het hun onmogelijk maakt om nog te functioneren vanuit economisch oogpunt. Ze hebben het recht om die zaken commercieel uit te baten. Ze vervullen ook een belangrijke functie. Dit zijn socialiseringsoorden, hoewel misschien volgens sommigen niet de beste. Dit moet dus ook op dat vlak werkbaar blijven.

Minister Pascal Smet : Mijnheer de voorzitter, ik wist niet dat mevrouw Pehlivan een groot discotheekspecialist is. Een mens leert altijd iets bij, zelfs van partijgenoten. (Gelach)

Tot op heden werden vanuit het gelijkekansenbeleid geen samenwerkingsakkoorden gesloten met andere overheden specifiek over de discriminatie van jongeren of over de uitsluiting van bepaalde groepen tot het uitgaansleven. Dat impliceert niet dat er geen samenwerking zou zijn tussen de Vlaamse overheid, de federale overheid en de lokale overheden. Mijn voorgangster, mevrouw Van Brempt, heeft inderdaad in een aantal centrum- en grootsteden proefprojecten opgestart voor de oprichting van meldpunten discriminatie. Vanaf 2010 kunnen die, als ze voldoen aan een aantal criteria, worden erkend en op die manier ook structureel gesubsidieerd. Deze meldpunten ontvangen meldingen over vermeend discriminatoir gedrag, onder meer ten aanzien van jongeren in het uitgaansleven. De meldpuntmedewerkers trachten tot een oplossing in der minne te komen voor elke individuele situatie, maar hebben eveneens, op basis van het Gelijkekansendecreet, de opdracht preventieve acties uit te werken. Daarvoor moeten ze een beroep doen op het lokale netwerk van verenigingen, politie en parket. Door die nadruk op netwerken geven de meldpunten een stimulans aan de middenveldorganisaties om het antidiscriminatiebeleid mee uit te dragen. Dat is een heel bewuste strategie.

Gelijke Kansen in Vlaanderen zorgt niet enkel voor de erkenning en subsidiëring van de lokale meldpunten discriminatie, maar staat eveneens in voor de uitwisseling van expertise en het aanbod van vorming om die diensten te professionaliseren. Hiervoor sloot Gelijke Kansen in Vlaanderen een contract met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Mijn diensten werken dus samen met het Centrum. Die samenwerking is geformaliseerd in een contract en behelst eveneens een samenwerking met betrekking tot de uitbouw van preventieve acties, zoals ik daarnet zei. Het horecabeleid vormt daar een onderdeel van.

Ik heb gegevens opgevraagd bij de drie meldpunten die al een jaar operationeel zijn, namelijk die van Antwerpen, Gent en Leuven. Zoals meegedeeld in de persberichten die eind oktober zijn verschenen naar aanleiding van de horecacampagne in Leuven, lopen er niet zo veel meldingen binnen over deze materie. Dat wil helemaal niet zeggen dat er geen probleem zou zijn. Uit Europees onderzoek dat in 2007 werd uitgevoerd in het kader van de Eurobarometer, blijkt dat slechts een op de vier mensen die worden getroffen door discriminatoire handelingen, daar daadwerkelijk aangifte van doet. Om aangifte te doen, moet iemand immers eerst weten dat wat hem overkomen is, onwettig is. Hij moet ook de kanalen kennen waarlangs hij aangifte kan doen. Hij moet vertrouwen hebben in die diensten, en die diensten moeten dan ook nog eens bereikbaar willen zijn. Uit Nederlands onderzoek dat eveneens in 2007 werd uitgevoerd door de antidiscriminatiewetbureaus, blijkt dat 85 percent van de uitgaande jongeren die getroffen worden door een weigering, niet bereid zijn daarvan aangifte te doen. We kunnen er wellicht van uitgaan dat de cijfers voor Vlaanderen dezelfde zullen zijn.

De medewerkers van de Vlaamse meldpunten discriminatie halen hun informatie over de omvang en persistentie van het probleem daarom niet zozeer uit het aantal meldingen, maar uit hun contacten met de sector en met het ontwikkelde netwerk. Voor Leuven beschikken we voort ook over de resultaten van de enquête ‘Tijd voor diversiteit’ die werd uitgevoerd door het universitair centrum voor buitenlandse studenten Pangaea. De Vlaamse meldpunten komen dus tot eenzelfde vaststelling.

Mevrouw Brusseel, de aanbevelingen van het Centrum zijn uiteraard een inspiratiebron voor wat wij aan Vlaamse zijde zullen doen. Meer nog, de aanbevelingen van het Centrum zijn tot stand gekomen op basis van de ervaringen met de gevolgde werkwijzen in de Vlaamse meldpunten discriminatie van de regio Leuven en van de regio Gent. Met andere woorden, er wordt intensief samengewerkt, en het Vlaamse gelijkekansenbeleid dient als voorbeeld.

Het spreekt vanzelf dat we moeten streven naar een uitgaansleven waar iedereen aan kan participeren, zonder blind te zijn voor de overlast. Die overlast is ook een feit. Jong zijn, geeft geen overlast. In groep zijn, geeft geen overlast. Gekleurd zijn, geeft geen overlast. Wat wel overlast geeft, is verstorend en provocerend gedrag, agressie en vandalisme, ongeacht de kleur, ongeacht of iemand jong of oud is, ongeacht of mensen al dan niet in groep zijn. Ik onderschrijf dus de analyse en de richting van de aanbevelingen. We passen ze eigenlijk al voor een groot deel toe.

We zullen echter verder gaan. In 2010 zullen Gelijke Kansen in Vlaanderen en het CGKR samenwerken aan de uitbouw van preventieve acties ter voorkoming en bestrijding van een ongelijke behandeling in de horecasector. We zullen ons daarbij voort laten inspireren door zowel het Gentse model als de werkwijze van de stad Leuven. Leuven vaardigde als eerste stad in België een politiereglement uit met betrekking tot het uitoefenen van portiersactiviteiten. Gent trad dan weer toe tot de Europese coalitie van steden tegen racisme. In het tienpuntenactieplan uit de toetredingsverklaring is een project ‘Non-discriminatie in de Gentse horeca’ opgenomen. Bij dat project is er sprake van een bijkomende portiersvergunning. De portiers ondergaan een moraliteitsonderzoek en worden verplicht een logboek bij te houden. Beide steden starten een horecaoverleg op dat de vinger aan de pols houdt.

Een andere bron van verdere inspiratie vormt het Nederlandse Panel Deurbeleid. Kort samengevat houdt dat in dat in het belang van orde en veiligheid een convenant ondertekend wordt tussen horeca-uitbaters, politie en gemeente. De kern is dat enkel functionele eisen, met betrekking tot gedrag, kleding en kredietwaardigheid, gesteld worden aan de gast en dat deze eisen transparant en controleerbaar meegedeeld worden aan alle potentiële bezoekers. Uitsluiten omwille van zogenaamde raciale kenmerken en opleggen van een maximum aantal bezoekers per etnie, zijn niet toegestaan.

Volgens dit Nederlandse model behoort het tot de verantwoordelijkheid van de horeca-uitbater om zijn portiers hierover te instrueren. De politiediensten reageren alert op discriminatiemeldingen en de burgemeester kan de vergunning van een horecazaak geheel of gedeeltelijk intrekken.

In 2010 zullen we in Vlaanderen werken aan nieuwe initiatieven en aan de mogelijkheid om de verschillende bestaande praktijken in Vlaanderen en Nederland te combineren. Daarmee antwoord ik meteen op uw vraag, mijnheer Roegiers. We zullen de verschillende aanpakken laten onderzoeken door de meldpuntmedewerkers, begeleid door Gelijke Kansen in Vlaanderen en door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Zo nodig zullen we zelf bijkomende actie nemen.

Mevrouw Ann Brusseel : Mijnheer de minister, ik wens u te danken voor uw uitvoerige antwoord.

De heer Jan Roegiers : De minister heeft een antwoord gegeven op wat u hebt gezegd, mijnheer de voorzitter, namelijk dat kledijvoorschriften gebruikt kunnen worden om mensen niet toe te laten. Ik begrijp dat het kan, maar dan moet het transparant zijn en moet duidelijk worden aangegeven wat de vereiste kleding is. Nu gebeurt het vaak dat men tegen mensen zegt dat hun kledij niet in orde is, maar is dat eigenlijk een manier om bepaalde mensen, vaak op basis van huidskleur, de toegang te weigeren. Ik ga ermee akkoord dat zulke zaken bepaald worden, maar dan moet het voor iedereen gelijk zijn. Dat heeft de minister heel goed geduid.

Verslag VOU 226 – Efficiëntere aanpak discriminatie in discotheken en danscafés