Ann Brusseel pleit voor meertaligheid in plaats van tweetaligheid!

Actuele vraag van mevrouw Ann Brusseel tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het voorstel van de minister om Engels als tweede taal in te voeren in het Vlaams onderwijs

Mevrouw Ann Brusseel: Voorzitter, minister, op de Europese Dag van de Talen lanceerde u in de pers het voorstel om Engels als tweede taal in het Vlaams onderwijs in te voeren in de plaats van het Frans.

Actuele vraag van mevrouw Ann Brusseel tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over het voorstel van de minister om Engels als tweede taal in te voeren in het Vlaams onderwijs

Mevrouw Ann Brusseel: Voorzitter, minister, op de Europese Dag van de Talen lanceerde u in de pers het voorstel om Engels als tweede taal in het Vlaams onderwijs in te voeren in de plaats van het Frans.

Wij vinden dat niet het juiste uitgangspunt van de discussie. Ten eerste beantwoordt Engels als tweede taal niet aan de reële noden van studenten en leerkrachten. Ten tweede lijkt het ons dat u eerder een symbolische daad hebt willen stellen of dat u een confrontatie of provocatie met de Franse Gemeenschap wou aangaan. Niemand heeft daar natuurlijk baat bij. De vraag die moet worden gesteld, is hoe we ervoor kunnen zorgen dat onze leerlingen aan het einde van het middelbaar onderwijs meertalig zijn. Het gaat niet om tweetaligheid, het gaat om meertaligheid. Dat is wat we vandaag nodig hebben.

Minister, waarom verkiest u plots het Engels als tweede taal ten nadele van het Frans?

De voorzitter: De heer Vandaele heeft het woord.

De heer Wilfried Vandaele: Minister, u wilt inderdaad het Frans als tweede taal in het onderwijs vervangen door het Engels. Dat heeft, ook deze voormiddag in dit halfrond, enige commotie veroorzaakt. U noemde de discussie een detail. Welnu, voor de N-VA is dit geen detail. Wij vinden de talenregeling in het onderwijs een zaak van de eerste orde. De N-VA is voorstander van een goede talenkennis en van meertaligheid. Ook Europa vraagt grondige kennis van de moedertaal, aangevuld met de kennis van twee andere talen. Wij vinden de positie van het Nederlands en het versterken daarvan een zaak van groot belang. Daarnaast willen wij andere talen leren: het Frans, het Engels, het Duits. Over de volgorde kunnen wij discussiëren. Dat moet gebeuren op een geschikt moment. Wij denken, om een aantal redenen, niet dat vandaag het moment geschikt is.

U stelt ook voor dat niet-taalvakken zoals aardrijkskunde en geschiedenis in het Engels zouden worden gegeven. Er loopt een experiment op Vlaams niveau en wij wachten de resultaten daarvan af. U hebt die evaluatie niet afgewacht om uw voorstellen de ether in te sturen. Wij hopen dat die oefening in immersieonderwijs niet ten koste gaat van het Nederlands noch van de inhoud van het vak zelf.

Minister, wij hebben vanmorgen van de minister-president vernomen dat het eigenlijk niet was doorgesproken in de regering. U hebt dit weekend dus uw hoogstpersoonlijke Septemberverklaring afgelegd. De minister-president zei ook dat er geen ontwerpdecreet in de maak is. Ik wil u toch formeel vragen of het klopt dat er op uw administratie, in uw kabinet, inderdaad niet wordt gewerkt aan een aanpassingsregeling voor het taalregime. Als u ‘neen’ antwoordt, ben ik daar blij mee. Dan geloof ik dat ook. Ik hoop dan natuurlijk dat er geen documenten bovenkomen die het tegendeel aantonen. Als u ‘ja’ zegt, vraag ik u welk tijdpad u voor ogen hebt en wanneer u denkt daarmee naar dit parlement te komen.

De voorzitter: Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge: Voorzitter, ik begin met een citaat. “Onderwijs is een beleidsdomein waarin niets gerealiseerd wordt als het zich in woelig water bevindt.” Minister, dit is de derde zin van uw beleidsnota. Ik heb de indruk dat u, met alle ballonnetjes die u oplaat, het onderwijs meer in woelig water brengt dan dat u het onderwijs uit woelig water wilt houden. (Applaus van de heer Dirk de Kort)

Wij zijn voor meertaligheid. De volgorde van de talen is voor mij van minder belang. Wel belangrijk is de keuzevrijheid. Er is te veel staatsinmenging in de vrijheden die er zijn. U wilt er een eenheidsworst van maken. U verwees naar China. U zei dat er in China miljoenen ‘Chinezekes’ zijn die Engels gaan leren. Daar heb ik schrik van, minister. Met uw socialistische redenering probeert u via staatsinmenging van bovenaf iedereen tot een eenheidsworst te brengen.

U wou ook meer de Europese gedachte naar voren brengen. Maar u bent hier in strijd met Europa want Europa wil nu net talendiversiteit. Europa zegt dat naast de moedertaal verschillende talen moeten worden aangeleerd, en het promoot daarbij zeker niet het Engels.

Minister, u had het ook over het immersieonderwijs. Ik vrees dat u via het meertalig onderwijs naar het immersieonderwijs wilt gaan. Wilt u het immersieonderwijs uitbreiden en wordt dit standpunt gedragen door de voltallige regering?

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet: Voorzitter, mocht ik Luc Van den Bossche heten, dan zou ik zeggen dat ik in de volgende commissievergadering een les begrijpend lezen en begrijpend luisteren zal geven. (Rumoer)

Gelukkig heet ik niet Luc Van den Bossche. Opnieuw hoor ik in de vragen dingen zeggen die ik nooit heb gezegd. Het volstaat om naar de radio te luisteren en een krant te lezen om te zien wat ik heb gezegd.

Ik zal mijn voorstel, voor het verslag, nog eens heel duidelijk herhalen.

Er is een Europese Dag van de Talen 2010 geweest. Als voorzitter van de Raad Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport van de Europese Unie ken ik de Europese aanbevelingen zeer goed. Iedereen moet zijn moedertaal en twee vreemde talen goed kennen. Daarnaast kan iedereen vaststellen dat het Europese eenmakingsproces wat problemen kent. Het enthousiasme in alle lidstaten daalt zienderogen. Ik vind dit een groot probleem voor onze kinderen en voor onze welvaart, zowel op het vlak van het geluk als op het materiële vlak.

Volgens mij is een van de oorzaken van deze situatie het feit dat we geen gemeenschappelijke taal hebben. Dit is een logische redenering. In Vlaanderen vinden we het heel belangrijk dat iedereen die hier komt wonen, een gemeenschappelijke taal leert. We moeten elkaars verhalen kunnen begrijpen. Mensen die elkaars verhalen niet begrijpen, kunnen geen gemeenschappelijke toekomst schrijven. We pleiten er dan ook terecht voor dat iedereen die in Vlaanderen komt wonen, Nederlands leert.

De Europese Unie is onze toekomst. Ik veronderstel dat iedereen het daarover eens is. Het is onze betrachting tot een verregaande Europese eenmaking te komen. Daarover bestaat in België haast een politieke consensus. In het licht van mijn redenering over een gemeenschappelijke taal heb ik de vraag gesteld waarom we in Europa niet allemaal als tweede taal voor het Engels zouden kiezen.

Ik kies dan voor het Engels omdat dit de taal van de internationale economie, van de zakenwereld, van de politieke wereld en van de diplomatie is. Bovendien leven we in een tijdperk waarin zich een shift van Europa en de Verenigde Staten naar Azië voltrekt. De Chinese regering heeft 2 jaar geleden beslist dat alle Chinese kinderen Engels moeten leren. Het volstaat in feite naar Zuid-Korea te gaan. Al die kleine Koreaantjes kennen Engels. Een ander mooi bewijs is dat de Fransen volop Engels aan het leren zijn.

Uiteraard moeten we ook een derde taal leren. Bij ons zou dat dan het Frans zijn. Daarbij is een en ander vergeten. Iedereen heeft zich op een detail gefocust. We hebben hier blijkbaar last van een tunnelvisie. Alles wordt in communautaire termen vertaald. Indien ik een gemeenschappelijke Europese taal voorstel, wordt meteen gezegd dat ik tegen de Franstaligen ben en dat ik het Frans niet meer belangrijk vind. Het is natuurlijk een en-enverhaal. We blijven de Europese richtlijn volgen. Misschien moeten we in de toekomst over een ‘tweede tweede taal’ spreken. Dat is wat ik deze ochtend met mijn uitspraken over een detail bedoelde.

Een ander belangrijk gegeven is dat in verband met talen mythes worden verteld. Veel mensen gaan ervan uit dat de Vlaamse jeugd zeer goed Frans spreekt. Sommigen geven al toe dat het wat minder is. Uit peilingen en testen is gebleken dat dit niet het geval is.

Veel mensen gaan er ook van uit dat de Vlaamse kinderen goed Engels spreken. Ik heb daar op de televisie en op de radio al allerlei zaken over horen verkondigen. Een voorbeeld is: “want ze luisteren naar Amerikaanse muziek”. Ik nodig iedereen uit dat eens te doen. Ze kunnen misschien “I love you” of “I want to make love to you” zeggen, maar dat zou ik niet direct goed Engels noemen.

Gisteren is op de campus van de VUB het academiejaar geopend. Die gebeurtenis vond haast volledig in het Engels plaats. Mevrouw Brusseel was daar ook. Tot mijn en haar grote verwondering heeft de prorector van de ULB, een zeer Franstalige instelling, enkel Engels gesproken. Een journaliste heeft hem gevraagd of het Frans volgens hem een onderwijstaal moet zijn. Zijn antwoord was: “Well, I don’t think that we should speak French in the future.” Ik vind het zeer opmerkelijk dat hij alle vragen in het Engels heeft beantwoord.

Er is daarnet ook naar de keuzevrijheid verwezen. In Vlaanderen is er momenteel geen keuzevrijheid. Sinds de keuzevrijheid is afgeschaft, zijn alle kinderen verplicht Frans te leren. In Wallonië kunnen ze tussen Nederlands en Engels kiezen. Ik heb de cijfers opgevraagd. Op dit ogenblik kiest 40 percent van de Waalse kindjes voor het Engels.

Immersieonderwijs bestaat. Ik vraag iedereen echter een eenvoudige rekensom te maken. Dat staat ook in de kranten te lezen. Indien we dat vergelijken met het totale aantal scholen in Wallonië, wordt duidelijk om hoeveel scholen het gaat.

En gelukkig zijn de Franstaligen Nederlands aan het leren. Waarom doen ze dat? Ik raad u aan om Philippe Van Parijs eens te lezen. Ze doen dat omdat het Nederlands de taal is geworden van de economische machthebber in België. Zo simpel is dat. Als die redenering wordt doorgetrokken, moeten wij veel beter Engels gaan spreken.

Wat gaan we nu doen? Ik heb heel duidelijk gezegd dat ik een denkdebat wou openen. Ik neem aan dat we in onze samenleving nog mogen debatteren. Ik vind dat ook ministers een debat mogen openen. Het gaat tenslotte om de toekomst van onze kinderen. Dat is niet ‘in woelig water brengen’, mevrouw Van Steenberge. Gisteren was ik in een school in Menen, dus vlakbij de Franse grens. Daar zaten 125 18-jarigen voor mij. 95 percent van die kinderen: Engels.

Het debat is geopend. Laat ons met zijn allen dat debat voeren, met argumenten. Het enige wat ik vraag, is om dat eerlijk te doen. Ik heb nooit gezegd dat dit ten koste van het Frans moest gaan, of dat we het Frans niet meer moeten onderrichten in de scholen. Dat zullen we in de toekomst blijven doen. Wat mij betreft, mag dat op hetzelfde niveau als nu. Laat ons nu het debat voeren over het niveau en de plaats van het Engels, zoals de minister-president terecht heeft opgemerkt. Ik ben inderdaad aan het bekijken of we geen talennota moeten actualiseren, zoals ik deze morgen heb gezegd. De timing zullen we nog bekijken.

Ik heb een paar weken geleden beslist om geld te vinden om mee te doen met de European Survey of Language, om juist de Franse en Engelse taalkennis van onze kinderen te meten, samen met een aantal andere Europese landen. Op die manier zullen we daar cijfers over hebben. Want in onderwijs, mevrouw Van Steenberge, val ik nog altijd van de ene verbazing in de andere. We hebben bijvoorbeeld geen cijfers over de talenkennis van onze kinderen, noch over de evolutie van de afgelopen 20 jaar. Die cijfers bestaan niet.

Mevrouw Ann Brusseel: U hebt lang gesproken, minister, er is dus veel om over te discussiëren. Ik juich het debat ook toe, maar vooraleer u het debat in de pers voert, kunt u het misschien beter eerst eens in uw eigen regering bespreken, want daar was blijkbaar geen akkoord over. Dat was een beetje gênant.

Ik wil het debat graag voeren in de commissie. Wij hebben daar namelijk een aantal ideeën over, zoals ik daarnet al liet verstaan.

U zegt dat we u weer verkeerd begrepen hebben. Dat is onderhand een van uw klassiekers geworden. Ik heb wel verstaan dat u voor Vlaanderen Engels als tweede taal zou gaan nemen. De tweede taal krijgt op school meer lesuren dan de derde taal, zoals u zou moeten weten als minister van Onderwijs. En dus benadeelt u het Frans wel degelijk. Maar goed, dat is nog iets anders.

In Wallonië gaan zeggen dat er meer Nederlands moet worden gestudeerd, vind ik een beetje bij de haren gegrepen. Ze hebben in 1998 immersie ingevoerd, en het gros van de scholen gebruikt Nederlands. In Vlaanderen zijn we er nog niet. Ik raad u aan om ernaar te gaan kijken.

U vindt het Frans minder belangrijk? U zegt dat het Engels de taal is van de economie? Engels is niet de enige taal die je nodig hebt om een job te vinden. En zeker niet in Brussel. Dat zou u moeten weten, want het is uw ‘fief’.

De heer Wilfried Vandaele: Minister, ik ben zeer verheugd dat wij u met zijn allen verkeerd begrepen hebben, want daar komt het eigenlijk op neer. U weidt uit over de rol van het Engels. Wij zijn het daarmee eens. U gooit het nu vandaag wel allemaal op een hoopje. U hebt daarnet even het debat overgedaan dat we hier voor het reces hebben gevoerd over het Engels in het hoger onderwijs – een heel ander verhaal.

We moeten redelijk blijven, minister. We hebben in Vlaanderen een uitstekend lerarenkorps. Maar we vragen zeer veel van die mensen. Ik heb het nu vooral over het geven van andere niet-taalvakken in het Engels. We vragen vandaag aan die vakleraren dat ze hun stof uitstekend beheersen, dat ze die stof op een didactische manier kunnen overbrengen naar de leerlingen. We vragen ook dat er een goede relatie is tussen de leerkracht en de leerling. En nu gaan we ook nog eens vragen dat ze straks Engels gaan spreken? Ik denk dat dat niet redelijk meer is.

Mevrouw Gerda Van Steenberge: Minister, u begon uw antwoord met de mededeling dat u ons een cursus begrijpend lezen zou willen geven. Ik zou graag een cursus begrijpend lezen volgen als u teksten hebt. Maar u bent een stripfiguur. U spreekt in tekstballonnen. Dat is juist het probleem. U laat zo veel ballonnetjes op dat niemand nog weet waarin of waaruit. Vorig jaar nog hebt u de eindtermen Frans uitgebreid, en nu komt u zeggen dat Engels de tweede taal moet worden.

U hebt niet echt geantwoord op mijn tweede vraag. Volgens mij is dit ballonnetje een aanleiding om het immersieonderwijs in Vlaanderen nog meer naar voren te brengen en te promoten.

De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele: Minister, ik heb een nieuw ideetje voor ons onderwijs. Misschien moeten we het vak Europees beleid invoeren want u bent duidelijk totaal niet gehinderd door enige kennis van het Europees beleid en de meertaligheid. Eenheid in verscheidenheid is de slagzin van de EU. Daarin verschillen wij van China. De EU gaat ervan uit dat elke burger in zijn contact met de Europese instellingen zijn eigen taal moet kunnen gebruiken. Uw voorstel gaat volledig in tegen de geest van dat principe van de EU dat wij allemaal heel erg waarderen.

Ik denk dat u het beetje Engels van mevrouw Androulla Vassiliou niet goed begrepen hebt. Daarenboven, ik ben er niet zeker van dat u goed begrijpt hoe asociaal uw voorstel is. De redenering van de EU is dat iedereen, tot de kleinste man, in zijn eigen taal terecht kan bij de Europese instellingen. U wilt dat ze dat alleen maar kunnen in de lingua franca. Dat zou een heel asociale maatregel zijn.

De voorzitter: De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert: Ik zal kort zijn ‘because we worked hardly today’. Mijn partij heeft zich uitgesproken voor het standpunt van minister Smet. De minister is een spontaneïst, en voert opnieuw de open debatcultuur in in de Vlaamse Regering. We gaan nog veel lol meemaken. Maar inhoudelijk heeft hij gelijk.

Toch moeten we twee zaken uit elkaar houden. Er is de problematiek van het immersieonderwijs. Dat is het geven van reguliere vakken in een andere taal. Dat is iets anders dan de kwestie van de prioriteiten in het taalonderwijs. Op dat laatste punt heeft minister Smet voor mij gelijk, omdat hij kiest voor de taal die de lingua franca van de wereld aan het worden is. 1,5 miljard mensen spreekt nu al Engels. Het is goed om die taal prioriteit te geven boven de andere. We moeten niet onnozel doen, als we die prioriteit stellen, zal een andere taal een trapje lager moeten gaan staan. Daar kunnen we niet onderuit. We kunnen het onderwijs niet blijven belasten. In De Standaard spreekt men van ‘steenkolenengels’ met als voorbeeld een bestelling op restaurant: ‘Sir, I want a bloody steak’ in plaats van een steak saignant. Het Engels is vaak abominabel. Goed taalonderwijs in het Engels is absoluut noodzakelijk.

De voorzitter: De heer Van Der Taelen heeft het woord.

De heer Luckas Van Der Taelen: Voorzitter, minister, ik heb deze morgen al een paar opmerkingen gemaakt. Ik vind niet dat dit moet uitdraaien op een polemiek. Alleen wil ik u een kleine opmerking maken waarmee u misschien een klein mea culpa kunt slaan. U wilt dat wij een cursus begrijpend lezen of luisteren volgen, maar ik denk dat wij het fundamenteel eens zijn. U hebt, denk ik, een communicatiefout gemaakt door een rangorde te gebruiken en over de tweede en derde taal te spreken. Misschien zijn uw bedoelingen nobel, daar twijfel ik eigenlijk niet aan. U kunt niet ontkennen, als u op de radio verklaart dat vanaf nu Engels de tweede taal zal zijn in Vlaanderen. Minister, u hebt het soms een beetje moeilijk om in eigen boezem te kijken. Ik heb u gehoord op Radio 1 zondagmorgen. U moet maar eens toegeven dat u misschien een communicatiefout hebt gemaakt waarmee u het hele debat moeilijk maakt.

Als u nu niet had gesproken over een tweede en een derde taal, was er geen polemiek geweest. U moet toch toegeven dat als u in het licht van het bestaande taalonderwijs zoals we dat nu in Vlaanderen kennen, een taal een derde taal noemt, die minder wordt gegeven aan de leerlingen. U kunt dat niet blijven ontkennen.

Minister, ik zou u daarom willen vragen dat u op dit vlak gewoon anders communiceert en dat we het daarbij eerst eens zullen hebben over een nieuw soort taalonderwijs waarbij we onbevangen kunnen spreken over het immersieonderwijs. Het is daarbij absoluut niet de bedoeling – want ik heb gehoord dat een bepaalde collega zich daar zorgen over maakt – dat men aan Nederlandstalige leraars zou vragen om plots lessen te geven in het Frans of in het Engels, dat bestaat niet, immersieonderwijs gebeurt met ‘native speakers’.

Minister, laten we afstappen van de polemiek en gewoon streven naar een duidelijker communicatie over dit toch wel gevoelige punt.

De voorzitter: De heer Van Eyken heeft het woord.

De heer Christian Van Eyken: Minister, ik begrijp goed dat u vandaag zegt dat u in Europa Engels als tweede taal wilt, maar in het specifieke geval van België, waar we al met twee talen zitten, moet er toch een rangorde worden gemaakt. Waar staat het Engels en waar staat het Frans?

Mevrouw Brusseel heeft terecht opgemerkt dat een tweede en een derde taal niet op een gelijke manier onderwezen kunnen worden, want er zijn minder uren voor de derde taal dan voor de tweede taal.

Het is effectief zo dat wanneer men het taalonderwijs wil promoten, men ook eens over de taalgrens moet kijken naar wat er in Wallonië, in de Franse gemeenschap, gebeurt met het immersieonderwijs. Ik stel vast dat het veel succes kent en dat er goeie resultaten mee worden geboekt.

Wat is uw bedoeling? Wilt u het Frans behouden als tweede taal aangezien het een bevoorrechte partner is in de Belgische context, met het Engels als derde taal gezien de Belgische context?

De voorzitter: Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen: Voorzitter, minister, vanmorgen heb ik ook al een reactie gegeven in het korte debat dat we hadden. U zegt dat u het debat wilt openen, maar ik wil erop wijzen dat we daarover in dit parlement nog niet zo heel lang geleden een grondig debat hebben gevoerd. Toen werd een heel uitgebreide beleidsnota opgemaakt en daarin werden duidelijke keuzes gemaakt, andere dan wat u nu voorstelt. De keuzes die we hebben gemaakt, waren heel grondig afgewogen. Het waren duidelijke, goed gemotiveerde keuzes.

Welke objectieve elementen hebt u vandaag om reeds terug te komen op de genomen beslissingen? Continuïteit in het beleid is immers belangrijk, tenzij er ernstige nieuwe elementen zijn die vragen dat het beleid wordt bijgestuurd. De leerplannen zijn pas aangepast, de leerkrachten hebben pas een nascholing gevolgd om in het basisonderwijs kwalitatief Frans onderricht te geven. Wij hebben een aantal projecten opgestart om te bekijken of het ‘Content and Language Integrated Learning’ (CLIL) een goede methode is om in de toekomst toe te passen, maar we wachten de resultaten van de evaluatie nog af om conclusies te trekken en te bekijken waar we naartoe moeten. Het is te vroeg om vandaag plots voor te stellen om reeds een wijziging aan te brengen. De peilingstoetsen zijn nog niet uitgevoerd, daarin is voorzien in het beleid dat zou worden gevoerd. Waarom nu reeds een aanpassing in plaats van te kiezen voor continuïteit?

De voorzitter: Mevrouw Deckx heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Deckx: Minister, mijn 16-jarige dochter vindt u hip, want zij zou veel liever meerdere uren Engels op school hebben dan Frans. Als haar moeder volg ik dat niet helemaal, want ik meen me toch te herinneren uit mijn studententijd, ook al is dat al even geleden, dat ik heel wat meer moeite had met Frans dan met Engels, en daarom denk ik dat die extra uurtjes wel nuttig zijn.

Het doet mij plezier dat de uitspraken die u gedaan hebt, anders moeten worden geïnterpreteerd en dat we willen komen tot meertaligheid. Dat juich ik absoluut toe.

Minister, ik heb begrepen dat er voor het immersieonderwijs proeftuinen zijn opgesteld, die al een tijdje aan de gang zijn. Is er al een evaluatie gebeurd en wat is daarvan eventueel het resultaat?

Minister Pascal Smet: Mevrouw Van Steenberge, welke ballonnetjes heb ik al opgelaten zonder daarmee iets te doen? Ik herinner me nog dat u en anderen het bij de capaciteit hadden over ‘politics by announcement’. Delivered! Dat betekent: geleverd. We hebben het wél gedaan. Die kinderen zijn wél naar school. We hebben gezegd dat we het hoger onderwijs zouden regelen vóór de zomervakantie. Dat is gebeurd. Ik ben niet iemand die zomaar ballonnen loslaat in het wilde weg om eens te kijken waar die naartoe vliegen.

Wat zijn de nieuwe elementen in dit debat? Ik heb een ronde in het onderwijs gedaan, mevrouw Helsen. Ik kom ook bedrijfsleiders tegen, ik kom ook zakenmensen tegen, ik kom veel professoren tegen, ik kom ook veel leerkrachten tegen. Unisono hoor ik dat er een probleem is met de kennis van het Engels bij onze kinderen. Mensen die inzitten met onze welvaart en toekomst, maken zich daarover zeer ernstig zorgen.

Wij kunnen doen alsof ons referentiekader België blijft. Uiteraard is dat nog ons referentiekader, maar er is meer dan België. Er is Europa en er is de wereld. Er is een shift bezig. We kunnen doen alsof we dat niet zien, maar het is bezig.

Ik lees ook in een krant dat sommigen zeggen: “Wat voor een socialistisch minister is dat nu? Hij wil kinderen de taal van de elite leren.” Ik vind het al raar dat men Engels de taal van de elite noemt, om te beginnen. (Opmerkingen)

Engels is niet de taal van de elite en het is onze verdomde plicht om ervoor te zorgen dat alle kinderen die taal kunnen spreken, die de taal van de toekomst is. (Rumoer)

Er is een debat. Ik weet dat er daarover meningsverschillen zijn in elke partij hier vertegenwoordigd, net zoals in de samenleving. Laat ons het debat gewoon voeren op basis van argumenten en laat ons kijken hoe we dat Engels in ons onderwijs een betere plaats kunnen geven.

Nogmaals, dit is niet tegen het Frans. In onze context zullen we het Frans nog altijd een plaats moeten geven. Ik heb ook niet gezegd dat het een-twee-drie gaat gebeuren. Het zal tijd nodig hebben om dit idee ingang te doen vinden.

Mijnheer Van Der Taelen, als u daarjuist geluisterd had, wist u dat ik heel duidelijk heb gezegd dat we misschien beter hadden gezegd dat we een tweede tweede taal nodig hebben. Het is inderdaad fors overgekomen. Maar het is goed voor het debat dat sommige dingen in vraag worden gesteld. We moeten met z’n allen ook eens de vraag stellen of het echte land niet al gekozen heeft. Daarmee bedoel ik: de mensen in de straat.

Immersieonderwijs is een ander debat. Ik heb heel duidelijk gezegd dat we in Vlaanderen negen proefprojecten hebben, de negen CLIL-projecten (Content and Language Integrated Learning). Die zijn afgelopen. We zijn die nu aan het evalueren. Die evaluatie is bijna afgerond. We zullen die de komende weken hebben. We hebben in het regeerakkoord afgesproken dat we die evaluatie goed gaan bekijken. Als die positief is, gaan we kijken hoe we dat in ons onderwijs kunnen integreren.

Ik heb gezegd dat ik intuïtief voorstander ben van meertalig onderwijs, maar meteen toegevoegd dat er altijd belangrijke randvoorwaarden zullen zijn. Het mag geen sociale-uitsluitingsonderwijs worden. Er moet worden bekeken in welke context het kan. Dat gaan we in de regering bespreken. Meer dan dat heb ik niet gezegd. Dat is trouwens perfect wat we in het regeerakkoord zijn overeengekomen.

Het klopt dat er in Wallonië meer projecten zijn, maar afgezet tegen het totale aantal scholen, blijft ook dat een beperkte zaak.

De slotsom is deze. Het debat is geopend. Laten we dat debat de komende maanden voeren, op basis van argumenten. En laat ons vooral naar elkaar goed luisteren. Ik wil daarom eindigen met een Frans gezegde: “Du choc des idées jaillit la lumière.” (Applaus bij sp.a en Groen!)

De voorzitter: Mevrouw Vogels, ik zie u voortdurend gebaren maken. Ik pas het reglement toe. Leest u dat reglement eens vooraleer u boos wordt. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Mevrouw Ann Brusseel: Het reglement is niet altijd fair, maar dat terzijde.

De voorzitter: Het reglement is duidelijk: per vraagsteller of interveniënt wordt de minister 1 minuut spreektijd verleend. Er waren acht of negen vraagstellers of interveniënten, en daarom kende ik de minister 8 minuten spreektijd toe.

Mevrouw Ann Brusseel: Ik wil nog iets zeggen over CLIL of EMILE, dat is ‘Enseignement d’une Matière par l’Intégration d’une Langue Etrangère’. Ik denk dat u me verkeerd hebt begrepen toen ik zei dat uw – persoonlijk, Europees of onbestaand – plan niet ten nadele mag gaan van het Frans. Men heeft nogal wat schrik van immersieonderwijs, en dat is onterecht. We moeten daar eens grondig over discussiëren. Immersieonderwijs moet volgens zeer strakke methodes verlopen. Het is niet waar dat dit ten nadele van de moedertaal gaat, maar het is wel waar dat het nodig is dat elke kind de moedertaal goed beheerst. Men kan dus niet zomaar wat improviseren.

In Wallonië is immersieonderwijs wel degelijk een succes en kiezen de meeste leerlingen wel degelijk voor het Nederlands. Ik wil deze discussie niet loskoppelen van de algemene discussie over het taalonderwijs omdat het de enige methode is die meertalige leerlingen kan opleveren. Want als men erg jong een tweede taal aanleert, kan men ook erg snel een derde en een vierde taal aanleren. Dat is wetenschappelijk aangetoond. Reserves ten aanzien van het immersieonderwijs zijn dus misplaatst. We moeten bepaalde politieke ideeën over de ene of de andere taal overstijgen. De bedoeling moet zijn dat onze jongeren een job vinden, en in bepaalde delen van Europa gaat dat helaas niet enkel met het Engels lukken.

De heer Wilfried Vandaele: Anders dan onze collega hebben wij wel degelijk grote vragen bij dat immersieonderwijs. Ik zal hier niet herhalen wat ik daarover al heb gezegd. De minister haspelde immersieonderwijs en de positie van het Frans en het Engels door elkaar. Wij zijn voor het aanleren van verschillende talen: het Frans, Engels, en ook andere talen. We zijn altijd al een beetje blij geweest dat Vlamingen inzake de kennis van het Frans het redelijk goed doen, wat omgekeerd niet altijd het geval is. Het zou misschien niet verstandig zijn om die voorsprong uit handen te geven, al is het zo dat de talenkennis ook bij ons achteruitboert. De discussie mag dus worden gevoerd, maar de N-VA zal die discussie zeker niet op gang trekken, en al zeker niet op dit ogenblik.

Mevrouw Gerda Van Steenberge: Mevrouw Vogels, ik ben blij dat de minister 8 minuten spreektijd kreeg, want men kan niet op 2 minuten een debat voeren. Ik zal kort zijn. Onze leerlingen hebben problemen met het Frans. Maar ze hebben ook problemen met het Engels. En meer en meer leerlingen hebben een probleem met het Nederlands. Ik wil daarom benadrukken dat men goed moet nadenken vooral meer men initiatieven inzake het immersieonderwijs neemt.

Mijnheer Van Der Taelen, ik hoorde u op Radio 1 uw boek voorstellen. U pleitte toen voor immersieonderwijs. Wij zijn daar geen voorstander van. U pleitte toen ook voor meer Nederlands aan kansarme jongeren vooraleer men hun een ander taal aanleert. Dat wil ik even onder de aandacht brengen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter: Mevrouw Vogels, het reglement, dat we aan iedere volksvertegenwoordiger hebben uitgedeeld, is niet de meest boeiende literatuur, maar ik nodig u uit om te kijken op bladzijde 108. Daar staat de toepassing van het reglement. Niet meer en niet minder.

Mevrouw Mieke Vogels: De spreektijden staan op de lijst met de actuele vragen. De vraagsteller krijgt 2 minuten spreektijd, de minister krijgt 2 minuten om te antwoorden.

De voorzitter: Mevrouw Vogels, u hebt ongelijk, het spijt me ten zeerste. Er staat heel duidelijk dat de vraagsteller 2 minuten heeft. Als er drie vraagstellers zijn, dan krijgt de minister 6 minuten om te antwoorden. Dat hebben we vorig jaar altijd toegepast. Vervolgens mag de vraagsteller 1 minuut tussenkomen. Dan mogen maximum zes mensen van de verschillende partijen tussenkomen. Dat betekent dat de minister dan 1 minuut krijgt om daar een repliek op te geven, plus 1 minuut per interveniënt die is tussengekomen. Dat zijn 7 minuten. Omdat ook de heer Van Eycken is tussengekomen, hebben we er 8 minuten van gemaakt. De minister heeft ze trouwens niet allemaal opgebruikt. Ten slotte kan de vraagsteller nog een aantal slotopmerkingen maken.

Ik pas dus gewoon het reglement toe. Als u suggesties hebt om het reglement aan te passen, dan houden wij ons aanbevolen.

Mevrouw Mieke Vogels: Ik heb ooit een keukenschort aangetrokken in het parlement, de volgende keer neem ik een eierkoker mee.

De voorzitter: Het incident is gesloten.