Ann Brusseel ondervraagt minister Vandeurzen over de mogelijke afschaffing van de financiële tegemoetkoming voor hulphonden

De tegemoetkoming voor hulp-, meld- en hoorhonden voor personen met een handicap werd niet in de refertelijst met hulpmiddelen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) opgenomen, in tegenstelling tot de bijdrage voor blindengeleidehonden. Ik heb het hier over hulphonden voor personen met een motorische handicap, meldhonden voor personen met epilepsie, diabetes of alzheimer, hoorhonden voor mensen met een auditieve handicap en autismehonden voor personen met autisme.

De tegemoetkoming voor hulp-, meld- en hoorhonden voor personen met een handicap werd niet in de refertelijst met hulpmiddelen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) opgenomen, in tegenstelling tot de bijdrage voor blindengeleidehonden. Ik heb het hier over hulphonden voor personen met een motorische handicap, meldhonden voor personen met epilepsie, diabetes of alzheimer, hoorhonden voor mensen met een auditieve handicap en autismehonden voor personen met autisme.

Voor een tegemoetkoming in de kosten voor dergelijke honden moet een aanvraag aan de Bijzondere Bijstandscommissie (BBC) worden voorgelegd, die over eventuele bijdragen beslist. Elke aanvraag wordt individueel getoetst aan de voorwaarden die voortvloeien uit het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009. De noodzaak, de doelmatigheid en de gebruiksfrequentie van de hulphond moeten worden aangetoond in functie van de beperkingen en in verhouding tot de gevraagde bijdrage.

In het verleden werden de aanvragen bij de BBC voor een tegemoetkoming voor hulphonden geweigerd vanuit de overtuiging dat hulphonden, in tegenstelling tot technische alternatieven of menselijke assistentie, slechts een geringe functionele meerwaarde bieden met betrekking tot de problemen die de aanvrager door zijn beperking ondervindt. Ook de gebruiksfrequentie werd als veeleer beperkt ervaren. Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag 243 van 16 februari 2011 bleek tevens dat van de zes door de BBC in 2010 besproken aanvraagdossiers, er slecht twee een positief advies hebben gekregen. Het ging hier steeds om epilepsiehonden. De vier aanvraagdossiers voor hulphonden werden allemaal verworpen, wegens een geringe functionele meerwaarde.
Minister, in deze schriftelijke vraag heb ik u gevraagd wat de criteria qua functionele meerwaarde dan wel precies zijn. U hebt me toen het volgende geantwoord: “De functionele meerwaarde van de assistentiehond is dat hij een meerwaarde biedt voor de personen met een handicap (…) in vergelijking tot een hond als huisdier. Deze functionele meerwaarde in verhouding tot de kostprijs is zelden aan te tonen. De elementen veiligheid en gezelschap hebben een grotere waarde.”

Vorige week vernam ik dat alle provinciale afdelingen van het VAPH een infonota hebben gekregen over de hond als hulpmiddel. In die nota stelt het agentschap voor om de assistentiehonden, de hoorhonden en de epilepsiehonden uit te sluiten van subsidiëring. De verantwoording daarvoor komt opnieuw neer op de bedenkingen die het agentschap zou hebben bij de functionele meerwaarde van honden die hulpmiddelen vervangen bij personen met een handicap. De nota stelt dat er in eerste instantie zou kunnen worden gewerkt met een weigering via de consensuslijst, mits de BBC-leden akkoord gaan. In een tweede stap zou de regelgeving, namelijk artikel 7, worden aangepast.

Dit is in schril contrast met het ministerieel besluit van 3 december 2007 en internationaal onderzoek.

In het ministerieel besluit werd beslist om de refertelijst voor hulpmiddelen voor personen met een handicap te herzien. In dat besluit stond dat blindengeleidehonden en andere assistentiehonden beter zouden worden vergoed. De Vlaamse overheid stuurde toen een nieuwsbericht uit met de volgende mededeling: “Het refertebedrag voor een geleidehond voor blinden wordt opgetrokken van 7.700 euro naar 12.000 euro.

De onderzoekers Scholten & Franssen hebben in opdracht van Stichting Hulphond Nederland in september 2006 een marktonderzoek gedaan. De conclusies van dit onderzoek zijn duidelijk. Het plaatsen van een hulphond is op alle vlakken aantrekkelijk voor de maatschappij. Ook uit een ander recent vrijgegeven Nederlands onderzoek ‘Kosten en effectiviteit van hulphonden’, dat in opdracht van het College voor zorgverzekeringen werd uitgevoerd en op 9 maart 2011 werd gepubliceerd, blijkt dat het plaatsen van een ADL-hond (activiteiten van het dagelijks leven), de Nederlandse term voor hulphond, alleen maar financiële voordelen heeft voor de overheden en de maatschappij.

In zijn antwoord stelde minister Vandeurzen dat het Kenniscentrum Hulpmiddelen momenteel een aantal knelpunten zoals toegankelijkheid van assistentiehonden, erkenning en financiering van hondenscholen, kwalificatie van hondentrainers, enzovoort onderzoekt en voorstellen zal formuleren om deze aan te pakken. Ook het VAPH is bezig met een onderzoek naar de werking van hondenscholen, nationaal en internationaal. Daarnaast zal het VAPH de onderzoeksresultaten van het Nederlands onderzoek van het College voor zorgverzekeringen analyseren op hun bruikbaarheid, met het oog op het al dan niet bijsturen van de al gemaakte afspraken met betrekking tot hulphonden.

Wat het overleg betreft is er op 15 juli een overleg met Gelijke Kansen gepland, op dit overleg zou een later overleg met de sector worden voorbereid. 

De minister stelt dat er het VAPH legt het ministerieel besluit van 3 december 2007 niet naast zich neer. De bevestiging is gekomen dat men de financiering conform dit besluit organiseert. Er kunnen elementen zijn waardoor hulp-, meld-, hoor- en autismehonden voor de bovenvermelde doelgroep een meerwaarde kunnen betekenen. Zo kan worden vastgesteld dat de persoon met een handicap zich gemakkelijker sociaal integreert als hij het gezelschap heeft van een hond. De persoon durft gemakkelijker buiten te komen omdat hij zich veiliger voelt. Het onderzoek van Scholten&Franssen werd aangehaald in de keuzewijzer om aan te geven dat dankzij een hulphond de persoon met een motorische handicap zelfstandiger kan functioneren en dat hij of zij minder een beroep hoeft te doen op zorg ADL-zorg. In die studie raamde het consultancybureau Scholten&Franssen de mindere nood aan menselijke assistentie op twee tot drie uur per dag. Dat is dan ook opgenomen als criterium bij de adviesverlening, waarbij de noodzaak en de gebruiksfrequentie in kaart dienen te worden gebracht ten opzichte van mogelijke alternatieven.

Ann Brusseel: "Over de nota werd niet meer gesproken. Ik vond het antwoord van de minister niet helemaal duidelijk en zal dit dossier zeker verder blijven opvolgen. Dit dossier, samen met het toegankelijkheidsvraagstuk blijft aanslepen. Het is hoog tijd dat dit eindelijk eens wordt uitgeklaard."

Lees hier het volledig verslag van deze parlementaire vraag.