Ann Brusseel maakt zich zorgen om zittenblijvers!

Gewoon lager onderwijs

Gewoon lager onderwijs

  1. 2,89% van alle leerlingen zat in het schooljaar 2009-2010 in hetzelfde leerjaar als het jaar daarvoor.
  2. De percentages zittenblijvers zijn niet evenredig verdeeld over de verschillende leerjaren. Het is duidelijk dat het zittenblijven in het gewoon lager onderwijs vooral in het eerste leerjaar een probleem vormt, 6,93% van de leerlingen in het eerste leerjaar blijft zitten. In het tweede leerjaar is dit percentage reeds tot 3,97% gedaald. Naarmate het leerjaar stijgt, daalt het percentage zittenblijvers; tot 0,33% in het zesde leerjaar. De leerachterstand blijft gedurende de lagere schoolperiode gemiddeld gelijk, met een piek in het vierde leerjaar. Zittenblijven is gelukkig niet in elk leerjaar even frequent.
  3. Het verschil tussen beide geslachtsgroepen is op de lagere school eerder gering: 2,91% van de jongens en 2,88 % van de meisjes is een zittenblijver.
  4. Van de Belgische leerlingen blijft 2,66% in het lager onderwijs eens overzitten. Het percentage zittenblijvers bij niet-Belgische leerlingen is heel wat hoger: 6,30%. Bij deze leerlingen vormt het eerste leerjaar bij meer dan 12% een struikelblok, en ook in het tweede leerjaar zijn er meer dan 7% zittenblijvers.
  5. Het is duidelijk dat niet-Belgische leerlingen vooral in het begin van de schoolloopbaan vertraging oplopen. Dit kon reeds op basis van de tabellen van schoolse vertraging vermoed worden.

Gewoon voltijds Secundair onderwijs

  1. 5,72% van de scholieren zat in het schooljaar 2009-2010 in hetzelfde leerjaar als het jaar daarvoor.
  2. Het verschil tussen de beide geslachtsgroepen is groot: 7,07% van de jongens blijft zitten, van de meisjes is dit slechts 4,32%.
  3. Als we kijken naar nationaliteit dan zien we dat niet-Belgen vaker blijven zitten dan de Belgische leerlingen (8,63% ten opzichte van 5,57%).
  4. Het percentage zittenblijvers in het eerste jaar secundair is relatief laag, namelijk 3,29%. Maar het percentage zittenblijven loopt per leerjaar gestaag op: in het tweede leerjaar (inclusief het beroepsvoorbereidend jaar) tot 4,26% en in het derde leerjaar (eerste jaar van de tweede graad) tot 7,26%. In het vierde (6,54%) en vijfde leerjaar (6,91%) stagneert het percentage om in het zesde leerjaar tot 3,61% te dalen.
  5. In de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs volgen de leerlingen onderwijs in één van de vier onderwijsvormen: algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch secundair onderwijs (TSO), kunstsecundair onderwijs (KSO) of beroepssecundair onderwijs (BSO). Het percentage zittenblijvers verschilt naargelang de onderwijsvorm. Het ASO telt relatief de minste zittenblijvers (3,40%) gevolgd door het BSO (7,86%), het TSO (9,71%) en het KSO (12,60%).
  6. De sekseverschillen zijn het grootst in het ASO, het percentage mannelijke zittenblijvers bedraagt 4,63%, voor de meisjes komen we aan 2,39%. Dat is bijna het dubbel. De meisjes doen het in alle richtingen een stuk beter dan de jongens.

Ann Brusseel: “Als we de tendensen vergelijken met deze van 2000-2001 dan zien we dat de cijfers jaar na jaar lichtjes schommelen, maar dat de tendensen dezelfde blijven. Er is nog steeds geen kentering merkbaar in de globale tendens en het aantal zittenblijvers en de schoolse achterstand liggen nog steeds veel te hoog. Het is dus hoog tijd dat hier structureel iets aan gedaan wordt. Als ik de cijfers van de zittenblijvers koppel aan de reeds eerder opgevraagde cijfers voor de schoolse achterstand en de schooluitval dan is deze situatie echt alarmerend. Voor al teveel leerlingen faalt ons schoolsysteem. Hoe zullen die jongeren zich waarmaken in onze kenniseconomie? Als de Vlaamse overheid dit probleem niet dringend aanpakt, zal onze regio razendsnel achteruit boeren.”

Lees hier het  volledige verslag van de parlementiare vraag (SV 540) over zittenblijvers voor het schooljaar 2008-2009.